Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-31
ECLI:NL:RBZWB:2026:7011
Omgevingsvergunning voor het verbouwen van een vergaderruimte naar een luxe suite en voor het plaatsen van een dakkapel en dakraam op een hotel. De omgevingsvergunning is verleend voor bouwen en afwijken van het bestemmingsplan op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het beroep is gegrond omdat niet eenduidig is gebleken wat het college heeft aangemerkt als strijdig met het bestemmingsplan en omdat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor het bouwplan. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3829 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, het college (gemachtigde: [gemachtigde 2] ). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] B.V. uit [plaats] (vergunninghoudster). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op het bezwaar van eiseres van 24 juni 2025 (bestreden besluit). Het bezwaar was gericht tegen de omgevingsvergunning van 18 oktober 2024 (primair besluit) voor het verbouwen van een vergaderruimte naar een luxe suite en voor het plaatsen van een dakkapel en dakramen in en op het hotel aan de [adres 1] in [plaats] (gemeente Veere). Eiseres is het hiermee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 22 december 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het verbouwen van haar hotel. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 18 oktober 2024 verleend. Met het bestreden besluit van 24 juni 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] , de gemachtigde van eiseres en namens het college [gemachtigde 2] en [persoon 2] . Zonder voorafgaand bericht van verhindering is niemand namens vergunninghoudster verschenen. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3. Op 22 december 2023 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen van een vergaderruimte naar een luxe suite en voor het plaatsen van een dakkapel en dakramen in en op het hotel aan de [adres 1] in [plaats] (het perceel). Met het primaire besluit van 18 oktober 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de activiteit bouwen en voor de activiteit afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. 3.1. Eiseres is gevestigd aan de [adres 2] en exploiteert een recreatiebedrijf. Zij heeft meerdere accommodaties in [plaats] , waaronder een vakantiehuis aan de [adres 3] en het vakantiepark ‘ [vakantiepark] ’ direct ten noorden van de projectlocatie. Dit vakantiepark grenst direct aan de projectlocatie. Het bestreden besluit 4. Het college heeft in overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie het bezwaar ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Allereerst zal het realiseren van het beperkte dakterras aansluitend op de hotelsuite niet zorgen voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat op het naastgelegen perceel van eiseres. Ter onderbouwing heeft het college een aanvullende motivering gegeven. De grootte van de hotelsuite en hoe deze in gebruik zal worden genomen, is niet vergund met de omgevingsvergunning en dus kan dit niet leiden tot herroeping van de omgevingsvergunning. Ten tweede worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd. Volgens de tekening bij de omgevingsvergunning heeft het hotel in totaal 70 parkeerplaatsen. Hiervan zijn 69 parkeerplaatsen bestaand. Van deze parkeerplaatsen waren er 68 gerealiseerd voor een omgevingsvergunning uit 2015. In een eerdere uitspraak van 14 juni 2017 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat gebruik van de toenmalig gerealiseerde 68 parkeerplaatsen wel mogelijk was. Omdat de indeling van deze parkeerplaatsen niet is gewijzigd, heeft het college geen reden om hier anders over te denken. Ook met de ene nieuwe parkeerplaats erbij, zijn de (bestaande) parkeerplaatsen bruikbaar volgens het college. Ten derde wordt het recht van overpad met de verleende omgevingsvergunning niet gekrenkt. Het recht van overpad loopt dwars over het terrein van vergunninghoudster en eindigt in een uitgang naar de [weg] . De omgevingsvergunning gaat over een dakterras voor de nieuwe hotelsuite en één nieuwe parkeerplaats met [nummer 1] . Deze nieuwe parkeerplaats raakt het pad niet. Een eventueel geschil over de breedte van het pad, valt buiten de omvang van het bezwaar. Ten slotte is het afschaffen van de omgevingsvergunning van rechtswege niet in strijd met artikel 13, vierde lid, van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (De Dienstenrichtlijn). Toetsingskader 5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. 5.1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingsweg (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. Als voor de inwerkingtreding van de Ow een aanvraag om een besluit is ingediend, dan volgt uit artikel 4.3 van de Iw Ow dat het oude recht van toepassing blijft, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag is van 22 december 2023, dus dat betekent dat de Wabo van toepassing is. 5.2. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo is het verboden om een bouwwerk te bouwen zonder omgevingsvergunning. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo bepaalt dat het verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. 5.3. Op het moment van het bestreden besluit lag de projectlocatie in het gebied van het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’ van 12 december 2024 (het Bestemmingsplan). Voor zover relevant voor deze zaak, heeft het gehele perceel de bestemming ‘Horeca’. Binnen het bouwvlak waarin het hotel is gerealiseerd, geldt bovendien de functieaanduiding ‘specifieke vorm van horeca – horeca tot en met categorie 1c’. Binnen dit bouwvlak mag gebouwd worden tot een goothoogte van 6 meter en een hoogte van 11 meter. 5.4. In artikel 2.10, eerste lid van de Wabo staan de weigeringsgronden voor een bouwactiviteit zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Op grond van het tweede lid wordt de bouwactiviteit mede aangemerkt als een activiteit in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo als de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. 5.5. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder twee, van de Wabo bepaalt dat een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor). 5.6. Artikel 4, aanhef en vierde lid, van Bijlage II van het Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning in aanmerking komt een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw. 5.7. Artikel 47.2 van het Bestemmingsplan bepaalt dat het bevoegd gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en voor het afwijken van de gebruiksregels toetst of wordt voorzien in voldoende parkeerplaats(en) en ruimte voor laden en lossen. Volgens onderdeel d dient te worden voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente Veere, zoals geldend ten tijde van de aanvraag voor een omgevingsvergunning, tenzij elders anders bepaald. Ten tijde van de aanvraag (en het bestreden besluit) gold de Nota Parkeernormen Gemeente Veere 2022 (Parkeernota 2022). Paragraaf 3.2.4 van de Parkeernota 2022 bepaalt dat voor 3, 4 en 5 sterren-hotels een parkeernorm geldt van 1 parkeerplaats per kamer voor bezoekers en 1 parkeerplaats per 10 kamers voor personeel. Per saldo zijn dat 11 parkeerplaatsen per 10 kamers. Was het college nog bevoegd om een beslissing te nemen op de aanvraag? 6. Volgens eiseres is de beslistermijn voor de reguliere procedure overschreden. De reden van deze overschrijding is voor eiseres onbekend en daarom is onduidelijk of deze overschrijding rechtmatig was. In het bestreden besluit is het college hieraan voorbijgegaan. Eiseres vindt in het verlengde hiervan dat afschaffing van ‘de omgevingsvergunning van rechtswege’ in strijd is met de Dienstenrichtlijn. De rechtbank begrijpt dat eiseres hiermee betoogt dat mogelijk een omgevingsvergunning van rechtswege zou zijn ontstaan en dat het college in dat geval niet meer bevoegd was om een beslissing te nemen op de aanvraag. 6.1. Deze grond slaagt niet. Naar oordeel van de rechtbank kan dit betoog niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Zoals de rechtbank al onder 5.1 heeft vastgesteld, is volgens het overgangsrecht oud recht van toepassing met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. Artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo verklaarde paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (over de positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing op de reguliere voorbereidingsprocedure van de Wabo. Niet in geschil is dat tussen het indienen van de aanvraag en het primair besluit ruim negen maanden zijn verstreken. Op grond van artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo geldt een beslistermijn van acht weken. Het dossier bevat bovendien geen stukken waaruit blijkt dat de beslistermijn is verlengd of opgeschort. Hoewel de rechtbank gelet op deze omstandigheden ervan uitgaat dat het college niet binnen de beslistermijn op de aanvraag heeft beslist, kan deze termijnoverschrijding niet leiden tot de conclusie dat een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan. De aanvraag is namelijk van 22 december 2023 wat betekent dat de beslistermijn niet kan zijn verstreken vóór 1 januari 2024. Op basis van de wet is daarom hoe dan ook geen vergunning van rechtswege ontstaan en dus was het college bevoegd om een beslissing te nemen op de aanvraag. De stelling van eiseres dat het vervallen van de vergunning van rechtswege in strijd is met de Dienstenrichtlijn, kan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en leidt dus niet tot een ander oordeel. Op grond van artikel 8:69a, van de Awb kan een partij die beroep instelt zich niet met succes beroepen op schending van een rechtsregel of beginsel als deze kennelijk niet is bedoeld om zijn of haar eigen belangen te beschermen. Eiseres is niet de aanvrager van de omgevingsvergunning in deze zaak en is juist tegen het verlenen van de omgevingsvergunning. Zij heeft in deze zaak dus geen belang bij beantwoording van de vraag of het verdwijnen van de positieve beschikking bij niet tijdig beslissen in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Wat heeft het college beoordeeld als in strijd met het bestemmingsplan? 7. Eiseres voert aan dat het dakterras op circa 9 meter hoogte in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit dakterras biedt namelijk andere gebruiksmogelijkheden dan een klein balkon. Ook de hotelsuite zelf is in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Op de bouwtekening van de hotelsuite ziet eiseres een tafel met vier stoelen afgebeeld, een keuken, een zithoek en een bed van twee bij drie meter. Gelet op deze details en de oppervlakte van de kamer van 86,9 m², leidt eiseres af dat de hotelsuite ruimte biedt voor meer dan twee personen én voor andere doeleinden kan worden gebruikt dan voor een hotel. 7.1. Het college stelt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ van 21 april 2021. Voor de onderbouwing waarom kan worden afgeweken van dit bestemmingsplan, verwijst het college naar het bestreden besluit. 7.2. Dit betoog van eiseres slaagt. Naar oordeel van de rechtbank is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek omdat niet eenduidig is gebleken wat het college heeft aangemerkt als strijdig met het Bestemmingsplan. In de eerste plaats is onduidelijk welk bestemmingsplan het college ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. In het bestreden besluit staat op pagina twee onder ‘Aanvullende motivering’ dat het hekwerk/de omheining van het dakterras in strijd is met de regels voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde. Hierbij ontbreekt een verwijzing naar een specifieke regel of specifiek bestemmingsplan. In de tekst hierna noemt het bestreden besluit het Bestemmingsplan (uit 2024). Tijdens de zitting heeft het college vervolgens toegelicht dat de aanvraag in strijd is met artikel 7.2.4 van het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ van 21 april 2011. Dit bestemmingsplan uit 2011 gold echter niet meer ten tijde van het bestreden besluit. Op dat moment was het Bestemmingsplan (uit 2024) van toepassing. Ten tweede en in het verlengde van het bovenstaande heeft het college onvoldoende gemotiveerd met welke regel van het Bestemmingsplan de hekwerken in strijd zijn en op grond waarvan. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat splitsing van een bouwplan dat uit verschillende onderdelen bestaat, in beginsel niet mogelijk is. Het bouwplan moet als één geheel worden beschouwd en kan alleen worden gesplitst indien het bestaat uit onderdelen die in functioneel én bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden. Deze voorwaarden gelden cumulatief. Voor het onderhavige geval geldt dat het hekwerk wordt gerealiseerd voor een dakterras op het hotel. Dit betekent dat het hekwerk niet los kan worden gezien van het dakterras op het dak van het hotelgebouw. De onduidelijkheid over wat als strijdig met het Bestemmingsplan is aangemerkt, maakt dat ook onduidelijk is wat het college heeft afgewogen bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening. Alleen wanneer duidelijk is wat de strijdigheid met het Bestemmingsplan is, dan is pas de omvang van de gemaakte belangenafweging inzichtelijk. Om deze reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Is voorzien in voldoende parkeerplaatsen? 8. Volgens eiseres voorziet het bouwplan in onvoldoende parkeerplaatsen. Voor het creëren van de nieuwe parkeerplaats met [nummer 1] is allereerst geen ruimte, omdat de overige parkeerplaatsen daardoor onbruikbaar zullen worden. Ten tweede zijn de parkeerplaatsen met de [nummer 2] en [nummer 3] onbruikbaar, omdat daar een kot is gerealiseerd. Parkeerplaatsen met de nummers [nummer 4] en [nummer 5] zijn ook onbruikbaar, omdat daar fietsen worden gestald. Deze vier parkeerplaatsen kunnen dus niet worden gebruikt waardoor de parkeernorm al niet wordt gehaald. Dit betekent dat het hotel in de bestaande situatie zonder de transformatie al beschikt over te weinig parkeerplaatsen. Dat het hotel al te weinig parkeerplaatsen heeft, blijkt ook uit de omstandigheid dat vergunninghoudster negen openbare parkeerplaatsen huurt. Dit is echter in strijd met een raadsbesluit waaruit volgt dat gasten en personeel op eigen terrein moeten parkeren. De rechtbank begrijpt dat eiseres met ‘raadsbesluit’ in dit geval de verklaring van geen bedenkingen van 1 oktober 2015 heeft bedoeld in de procedure voor de omgevingsvergunning van 4 november 2015. 8.1. Het college is van mening dat voor het bouwplan één parkeerplaats moet worden gerealiseerd. Hieraan wordt voldaan. In totaal moet het hotel over 70 parkeerplaatsen beschikken. Het hotel heeft eerder 68 parkeerplaatsen gerealiseerd voor de omgevingsvergunning van 4 november 2015 en de ABRvS heeft die parkeerplaatsen in 2017 akkoord bevonden. Omdat deze parkeerplaatsen niet worden gewijzigd met het huidige bouwplan in bestreden besluit, heeft het college geen reden om hier anders over te denken. Verder is nog één extra parkeerplaats gerealiseerd na 2015. Samen met de nieuwe parkeerplaats in het huidige bouwplan komt dat uit op 70 parkeerplaatsen. 8.2. Dit betoog van eiseres slaagt. Naar oordeel van de rechtbank heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat er voor het bouwplan voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS hoeft bij de beoordeling of een bouwplan in voldoende parkeergelegenheid voorziet om in de parkeerbehoefte ervan te kunnen voorzien, alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte vanwege het bestaande pand. Het college heeft het standpunt ingenomen dat één parkeerplaats moet worden gerealiseerd als gevolg van de hotelsuite. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet waarop het college dit heeft gebaseerd. Zoals eerder in deze uitspraak onder 5.7 al is vastgesteld, verwijst artikel 47.2, onder d, van het Bestemmingsplan naar het Parkeerbeleid van de gemeente Veere dat gold ten tijde van de aanvraag. Volgens paragraaf 3.2.4 en de tabel van bijlage 2 van de Parkeernota 2022, geldt een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per kamer. Naar beneden afgerond komt dat neer op een parkeereis van 1 parkeerplaats voor de hotelsuite. Volgens de tekening van de bestaande situatie wordt ten opzichte van de bestaande situatie één nieuwe parkeerplaats op eigen terrein gerealiseerd, met [nummer 1] . In zoverre klopt dus dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor dit project. Dit neemt echter niet weg dat het college onvoldoende is ingegaan op de stelling van eiseres dat (een gedeelte) van de bestaande parkeerplaatsen onbruikbaar zou worden als gevolg van het bouwplan. Uit de tekening van de nieuwe situatie bij het primaire besluit blijkt dat om ruimte te maken voor de nieuwe parkeerplaats met [nummer 1] , een rij van dertien bestaande parkeerplaatsen aan de zuidzijde van het perceel (nummers [nummer 6] tot en met [nummer 7] ) wordt gewijzigd door deze met een aantal graden te draaien en op te schuiven richting de oostelijke perceelgrens. Omdat de indeling van deze bestaande parkeerplaatsen als gevolg van het bouwplan is gewijzigd, is de geschiktheid van deze parkeerplaatsen dus toch van belang voor de beoordeling van het bestreden besluit. Als alle dertien parkeerplaatsen door deze wijziging niet langer geschikt zouden zijn, dan zou dat immers ook betekenen dat (netto) geen extra parkeerplaats wordt gerealiseerd door de parkeerplaats met [nummer 1] hieraan toe te voegen. Om de geschiktheid van deze gewijzigde parkeerplaatsen te onderbouwen, kan het college naar oordeel van de rechtbank niet volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 14 juni 2017. De huidige indeling van de betrokken parkeerplaatsen is immers niet hetzelfde als die waarop die uitspraak betrekking heeft. Tijdens de zitting heeft het college alleen toegelicht dat de parkeerplaatsen voldoen aan de parkeernota 2022, maar het is onduidelijk waarop het college dit heeft gebaseerd. Daarom is sprake van een motiveringsgebrek. Ook om deze reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Eiseres heeft ook de geschiktheid van vier andere parkeerplaatsen betwist (nummers [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 2] en [nummer 3] ). Dit betoog volgt de rechtbank niet. Voor de parkeerplaatsen met de nummers [nummer 4] en [nummer 5] geldt dat deze niet zijn gewijzigd. Voor de nieuwe parkeerplaatsen met de nummers [nummer 2] en [nummer 3] geldt dat in de omgevingsvergunning een voorschrift is opgenomen dat een bergruimte wordt verwijderd om hiervoor ruimte te creëren. Had het college de vergunning moeten weigeren vanwege het recht van overpad? 9. Eiseres betoogt dat sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. Zij heeft namelijk een recht van overpad dat loopt vanaf haar perceel, over de parkeerplaats naar de [weg] . Het recht van overpad moet een breedte hebben van 1,5 meter, maar deze wordt niet gehaald door de aanwezigheid van de nieuwe parkeerplaats met [nummer 1] . 9.1. De rechtbank kan gelet op het geconstateerde gebrek in overweging 7.2 niet beoordelen of het recht van overpad in de weg kan staat aan de verlening van deze omgevingsvergunning. Een privaatrechtelijke belemmering kan volgens vaste rechtspraak in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan als die belemmering evident is. Gelet op wat is besproken in rechtsoverweging 7.2, is onduidelijk wat de strijdigheid is van het bouwplan en dus kan de rechtbank nu niet controleren of het college met juistheid heeft vastgesteld dat sprake is van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan (dan wel een gebonden beschikking). Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit kan namelijk alleen worden geweigerd op grond van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden. In dat geval heeft het college bij zijn besluit om de omgevingsvergunning te verlenen geen ruimte voor een belangenafweging, waarbij de door eiseres gestelde omstandigheden eventueel een rol zouden kunnen spelen. Het college zal dit moeten beoordelen bij een nieuw te nemen besluit. Is de Parkeernota 2022 onverbindend? 10. Tijdens de zitting heeft eiseres aangevoerd dat de Parkeernota 2022 onverbindend is, omdat in de nota sprake is van een zware onderschatting van de parkeerbehoefte binnen de kern en een zware overschatting van de parkeerbehoefte buiten de kern. Dit blijkt uit de omstandigheid dat voor het bouwplan een norm van maar één parkeerplaats geldt. 10.1. De rechtbank zal deze grond niet inhoudelijk behandelen wegens strijd met een goede procesorde. Eiseres heeft dit namelijk voor het eerst aangevoerd tijdens de zitting, terwijl zij dat ook eerder had kunnen doen. Bovendien heeft eiseres de stelling niet onderbouwd om welke reden zij vindt dat sprake is van een onder- en overschatting van de parkeerbehoefte. Heeft eiseres immateriële schade geleden die voor vergoeding in aanmerking komt? 11. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade die zij heeft geleden door overschrijding van de redelijke termijn. 11.1. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Het bezwaarschrift van eiseres is door het college ontvangen op 28 november 2024. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door het college tot de datum van deze uitspraak zijn (naar boven afgerond) 21 maanden verstreken. Dit betekent dat de gezamenlijke termijn voor bezwaar en beroep niet is overschreden. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is gegrond gelet op de geconstateerde gebreken in overweging 7.2 en 8.2. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van deze gebreken geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf een beslissing op het bezwaar te nemen. Ook draagt de rechtbank niet op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (bestuurlijke lus). 12.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken. 12.2. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 24 juni 2025; - draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - wijst het verzoek van eiseres af om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 31 juli 2026 en openbaargemaakt door middel van anonieme publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het bouwen van een bouwwerk, […] het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet. Artikel 2.10 eerste en tweede lid Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet; de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet; de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12; het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 2° Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. Besluit omgevingsrecht Artikel 4, vierde lid, van Bijlage II. Behorende bij de artikelen 2.3, 2.5a en 2.7 Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: […] een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw. Bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’ (12-12-2024) Artikel 18 Horeca 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor: horecabedrijven tot en met ten hoogste categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten; edrijfswoningen; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en groenvoorzieningen, erven en tuinen. Bovendien laad- en losruimte. Aanduidingen […] ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca – horeca tot en met horecacategorie 1c': horecabedrijven tot en met ten hoogste categorie 1c van de Staat van Horeca-activiteiten; […] 18.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. de algemene bouwregels uit artikel 43 en de overige regels uit artikel 47 zijn van toepassing. […] 18.4 Afwijken bouwregels Voor het afwijken van de bouwregels gelden de algemene afwijkingsregels uit artikel 46. […] Artikel 43 Algemene Bouweregels 43.1 Algemeen […] de maximaal toelaatbare goothoogte van gebouwen mag uitsluitend worden overschreden door dakkapellen en gelijksoortige vormen, niet zijnde een topgevel, mits de breedte niet meer bedraagt dan: 50% van de breedte van de onderliggende gevel in het voorgeveldakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak; 70% van de breedte van de onderliggende gevel in het achtergeveldakvlak of een niet naar het openbaar gebied gekeerd zijdakvlak.