Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-31
ECLI:NL:RBZWB:2026:7010
Uitspraak over een omgevingsvergunning (25/3973) en een gedeeltelijke afwijzing van een handhavingsverzoek (26/2280) RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: BRE 25/3973 en 26/2280 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. J. Boogaard), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, het college (gemachtigde: [gemachtigde] ). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder 1] uit Veere (vergunninghouder) (gemachtigde: mr. J Ossewaarde). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 1 juli 2025 (bestreden besluit I). Dit bezwaar is gericht tegen een omgevingsvergunning van 3 februari 2025 (primaire besluit I) voor het aanbrengen van dakisolatie aan de [adres 1] in [plaats] (gemeente Veere). Eiseres is het niet eens met deze omgevingsvergunning en heeft hiertegen een beroepschrift ingediend. Dit beroep is geregistreerd onder het zaaknummer: 25/3973. Deze uitspraak gaat ook over de beslissing op bezwaar van 24 februari 2026 (bestreden besluit II). Dit bezwaar is gericht tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser van 26 augustus 2025 (primaire besluit II). Ook hiertegen heeft eiser een beroepschrift ingediend. Dit beroep is geregistreerd onder het zaaknummer: 26/2280. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen én of het college het handhavingsverzoek van eiser gedeeltelijk mocht afwijzen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Het beroep met kenmerk 25/3973 is dus ongegrond. De rechtbank oordeelt ook dat het college het handhavingsverzoek mocht afwijzen, maar het college heeft deze afwijzing deels gebaseerd op een onjuiste grondslag. Het beroep met kenmerk 26/2280 is daarom gegrond, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van bestreden besluit II in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Procesverloop 2. Eiser heeft op 6 mei 2024 een handhavingsverzoek ingediend tegen verbouwingen aan de [adres 1] . Op 13 maart 2024 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanbrengen van dakisolatie op dit pand. Het college heeft deze omgevingsvergunning verleend met primair besluit I. Met bestreden besluit I heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Op 26 augustus 2026 heeft het college vervolgens met primair besluit II het verzoek om handhaving (gedeeltelijk) afgewezen. Met bestreden besluit II heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de beslissing op het handhavingsverzoek ongewijzigd in stand gelaten. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen beide bestreden besluiten. Het college heeft op het beroep in de zaak 25/3973 gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft geen inhoudelijke schriftelijke reactie gegeven. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser, bijgestaan door [persoon 1] en [persoon 2] . Namens het college zijn verschenen: [gemachtigde] en [vergunninghouder 2] (vergunningverlener). Namens vergunninghouder zijn verschenen: [vergunninghouder 1] en de gemachtigde van vergunninghouder. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3. Eiser is eigenaar van het pand op het perceel aan de [adres 2] (woonhuis). Vergunninghouder is eigenaar van het pand op het perceel aan de [adres 1] (smederij). Oorspronkelijk waren het woonhuis en de smederij één pand, maar er heeft op enig moment een kadastrale splitsing plaatsgevonden. Beide panden hebben een zadeldak, waarbij het zadeldak van [adres 2] evenwijdig aan de straat loopt en haaks aansluit op het zadeldak van nummer [adres 1] . Deze dakvlakken komen samen in zogeheten kilgoten boven [adres 1] en monden uit in de voor- en achtergoot van [adres 2] . 3.1. In 2019 had vergunninghouder het plan om in de smederij twee recreatiewoningen te realiseren. Op 15 oktober 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van de twee recreatieappartementen. Deze omgevingsvergunning is na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 10 april 2024 onherroepelijk geworden. 3.2. Vergunninghouder is begin 2021 gestart met de verbouwing van de smederij. Bij de uitvoering van de werkzaamheden heeft vergunninghouder onder meer het dak van de smederij aan de buitenzijde laten isoleren. Hierdoor is het dak ongeveer 15 cm hoger komen te liggen, zijn de dakgootdetailleringen en kilgoten aangepast en zijn de windveren (boeiboorden) iets opgeschoven in de richting van het woonhuis. Voor de isolatiewerkzaamheden aan het dak is op 31 maart 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd. Het college heeft op 29 april 2022 een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van het isoleren van de buitenzijde. De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 januari 2024 deze omgevingsvergunning herroepen. Het hoger beroep van vergunninghouder tegen deze uitspraak loopt nog. 3.3. Op 8 april 2021 heeft eiser (ook) een verzoek om handhaving ingediend omdat de werkzaamheden in 2021 werden uitgevoerd zonder de vereiste omgevingsvergunning én vanwege werkzaamheden aan het woonhuis zonder toestemming van eiser. Het college heeft dit handhavingsverzoek op 7 december 2021 afgewezen en heeft op 29 april 2022 het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Door de uitspraak van de ABRvS van 15 april 2026 is de afwijzing van dat handhavingsverzoek onherroepelijk geworden en is die handhavingsprocedure geëindigd. 3.4. Op 13 maart 2024 heeft vergunninghouder een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanbrengen van dakisolatie. 3.5. Op 6 mei 2024 heeft eiser opnieuw een handhavingsverzoek ingediend, deze keer tegen overtredingen van ‘het Bouwbesluit’ (de rechtbank begrijpt: het Bouwbesluit 2012) voor zover deze niet onder het handhavingsverzoek van 8 april 2021 vallen. Meer specifiek heeft eiser gewezen op: Het niet 20 minuten brandwerend zijn van de ramen in de achtergevel van de smederij. Het niet voldoen van het dak van de smederij en de scheidingsmuur tussen het woonhuis en de smederij aan de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit. Het overschrijden van de geluidsnormen uit het Bouwbesluit door de plaatsing van de airco-unit. Ook herhaalt eiser het eerder afgewezen handhavingsverzoek tegen de illegaal aangebrachte dakisolatie en de daarmee samenhangende wijzigingen aan de daken van de smederij en het woonhuis, waaronder de gewijzigde dak- en kilgoten. Ten slotte verzoekt eiser om handhavend op te treden tegen de wijzigingen van de cultuurhistorische kenmerken van de smederij. 3.6. Hierna heeft het college de besluiten genomen zoals beschreven in het procesverloop onder rechtsoverweging 2. Bestreden besluit I 4. Het college heeft het bezwaar van eiser tegen de omgevingsvergunning ongegrond verklaard. Allereerst is volgens het college in de omgevingsvergunning geen sprake van een splitsing van de aanvraag. Vergunninghouder heeft namelijk een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van buitenisolatie aan het dak. Hiervoor worden de volgende werkzaamheden uitgevoerd: het renoveren van het dakbeschot, het aanbrengen van dakisolatie en het aanpassen van de goten. In het besluit op de aanvraag is een omgevingsvergunning verleend voor het isoleren van het dak door middel van de werkzaamheden die in de vergunningsaanvraag staan omschreven. Dat vergunninghouder mogelijk ook andere werkzaamheden heeft verricht die niet vallen onder de aangevraagde omgevingsvergunning, is niet relevant voor de beoordeling. Ten tweede ziet het college geen grond voor het niet in behandeling nemen van de aanvraag, omdat niet is gebleken van onduidelijke of ontbrekende stukken waardoor niet aan de indieningsvereisten zou zijn voldaan. Ten derde volgt het college het betoog van eiser niet dat de beoordeling van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit ‘Dorp, Stad & Land’ (de Adviescommissie) onvolledig zou zijn. Volgens vaste rechtspraak mag het college een deskundigenadvies volgen. Ten slotte verduidelijkt het college dat in de omgevingsvergunning ten onrechte staat dat deze is verleend op 3 februari 2024. De correcte datum is 3 februari 2025. Bestreden besluit II 5. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de beslissing op het handhavingsverzoek ongewijzigd in stand gelaten. Na onderzoek van het college is niet gebleken van overtreding van de geldende brandveiligheidsvoorschriften uit de toepasselijke wet- en regelgeving. Voor de smederij zijn twee omgevingsvergunningen verleend waarbij specifieke eisen aan de brandveiligheid zijn verbonden op basis van de adviezen van de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ). Dit betreft zowel de onherroepelijke omgevingsvergunning voor het realiseren van de recreatieappartementen uit 2020, als de omgevingsvergunning uit 2025 voor de dakisolatie (bestreden besluit I). Aan de geldende voorschriften uit de toepasselijke wet- en regelgeving en de aan deze verleende vergunningen wordt voldaan. Het tegenrapport bevat geen aanwijzingen dat in strijd met de voorschriften uit de vergunningen wordt gehandeld. Voor zover het rapport ingaat op de inhoud en de deskundigheid van het advies van de VRZ, geldt dat dit binnen de vergunningverleningsprocedures beoordeeld moet worden. De voorwaarden uit de vergunning van 2020 kunnen nergens meer ter discussie staan, omdat deze vergunning onherroepelijk is. De voorwaarden uit de vergunning van 2025 kunnen in de daarvoor geldende procedure ter discussie worden gesteld. Via de handhavingsprocedure kunnen geen aanvullende eisen aan de brandveiligheid van het pand worden gesteld gelet op de rechtszekerheid en het beginsel van behoorlijk bestuur. De omstandigheid dat de cultuurhistorische waarde van het pand is vastgelegd met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan van 1 mei 2025, biedt ook geen grondslag voor handhavend optreden ten aanzien van eerder vergunde en op grond daarvan gerealiseerde onderdelen van het pand. Toetsingskader 6. Bestreden besluiten I en II zijn tot stand gekomen op grond van de Omgevingswet (Ow). Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning of een verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Iw Ow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend op 13 maart 2024. Het verzoek om handhaving is van 6 mei 2024. Dit betekent dat de Ow van toepassing is op beide bestreden besluiten. 6.1. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Op de percelen van de smederij en het woonhuis is het Omgevingsplan ‘gemeente Veere’ van toepassing. Artikel 22.26 van het Omgevingsplan bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten. Bouwen is dus een omgevingsplanactiviteit. 6.2. Het voormalige bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’ maakte tijdelijk onderdeel uit van het Omgevingsplan en gold op het moment van de vergunningverlening. Artikel 19.2.2 van het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’ in combinatie met de plankaart bepaalde dat de goothoogte van hoofdgebouwen ten hoogste 4 meter bedraagt. Het voormalige bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ (vastgesteld op 2024) maakt tijdelijk onderdeel uit van het Omgevingsplan en gold op het moment van bestreden besluit I. De maximale goothoogte van hoofdgebouwen is niet gewijzigd. Het aanbrengen van de dakisolatie leidt tot een verhoging van de goot met 0,3 meter en dus is dit in strijd met het Omgevingsplan. 6.3. Voor zover relevant voor deze zaak, wordt op grond van artikel 22.29 van het Omgevingsplan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 6.4. Hoofdstuk 3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat regels over het in stand houden van een bestaand bouwwerk. In paragraaf 3.2.8 staan regels over het beperken van de uitbreiding van brand. Beoordeling van de gronden tegen bestreden besluit I (25/3973) Omvang van de beoordeling van de omgevingsvergunning 7. Eiser heeft aangevoerd dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor de bouwtechnische bouwactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow. De rechtbank stelt op basis van het aanvraagformulier vast dat geen omgevingsvergunning is aangevraagd voor de bouwtechnische bouwactiviteit. Het college heeft ook niet beoordeeld of een omgevingsvergunning voor die activiteit kan worden verleend. De vraag óf dat mogelijk is op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow, valt daarom buiten de omvang van dit beroep. De omstandigheid dat geen omgevingsvergunning is aangevraagd voor de bouwtechnische bouwactiviteit kan bovendien niet leiden tot vernietiging van bestreden besluit I. Het uitgangspunt van onlosmakelijke samenhang tussen de ruimtelijke en de technische bouwactiviteit heeft de wetgever met de invoering van de Ow immers bewust losgelaten. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of een omgevingsvergunning is vereist zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow. 7.1. Eiser heeft ook betoogd dat de aanvraag slechts betrekking heeft op een klein deel van de uitgevoerde werkzaamheden. Bestreden besluit I gaat over een legalisatievergunning. De rechtbank beoordeelt of het college deze omgevingsvergunning mocht verlenen op basis van de aanvraag. De vraag of met deze omgevingsvergunning alle werkzaamheden zijn gelegaliseerd, valt niet onder de beoordeling van bestreden besluit I. 7.2. De legalisatievergunning ziet op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) waarmee wordt afgeweken van de maximale goothoogte in het Omgevingsplan. Eiser heeft geen gronden ingediend over de beslissing van het college om mee te werken aan een afwijking van deze maximale goothoogte. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) staat dus niet ter discussie. Wel is in geschil of het college de aanvraag in behandeling mocht nemen én of de vergunde werkzaamheden een verstoring opleveren van de redelijke eisen van welstand. Deze twee punten zal de rechtbank hieronder bespreken. Mocht het college de aanvraag in behandeling nemen? 8. Eiser stelt dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte inhoudelijk heeft behandeld. Allereerst vindt eiser dat het college de huidige aanvraag niet in behandeling mocht nemen vanwege de lopende procedure bij de ABRvS tegen de vernietigde omgevingsvergunning van 29 april 2022. Het is immers niet toegestaan om twee aanvragen voor hetzelfde project te behandelen. Hierbij komt dat sprake is van een legalisatievergunning. Het vergunnen van twee omgevingsvergunningen leidt tot onzekerheid over wat is gelegaliseerd. Het college had de behandeling van de huidige omgevingsvergunning om die reden moeten aanhouden. Ten tweede dient primair besluit I als legalisatie van meerdere bouwactiviteiten waaronder: de gewijzigde gevelindelingen, de geveluitmondingen van de airco-installatie, de kilgoten met uitlopers, de toegenomen uit- en overbouwingen, de gewijzigde kleurstellingen en de gewijzigde kozijnindelingen. Omdat de aanvraag niet alle uitgevoerde werkzaamheden dekt, had het college de aanvraag niet-ontvankelijk moeten verklaren. Alle onlosmakelijk met elkaar verbonden aspecten moeten namelijk in één gezamenlijke vergunningaanvraag ingediend worden. 8.1. De rechtbank oordeelt dat het college de aanvraag in behandeling mocht nemen. Er is namelijk geen rechtsregel die zich verzet tegen het aanvragen (en verlenen) van een tweede omgevingsvergunning voor hetzelfde perceel, ook niet wanneer uiteindelijk maar één van die omgevingsvergunningen zal worden gebruikt. De keuze is aan vergunninghouder om een (nieuwe) aanvraag in te dienen en het college beoordeelt deze aanvraag op basis van het geldend recht. De stelling van eiser dat het vergunnen van twee legalisatievergunningen leidt tot (rechts)onzekerheid, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het gaat in deze zaak om de (huidige) aanvraag zoals deze is ingediend en deze moest het college beoordelen. Een aanvraag om een legalisatievergunning wordt op dezelfde manier beoordeeld als een aanvraag voor een bouwplan dat nog niet is uitgevoerd. Wat feitelijk is gerealiseerd, is verder een kwestie van handhaving. Mocht het college het advies van de welstandscommissie volgen? 9. Eiser stelt dat de (bouwkundige) wijzigingen die verband houden met het aanbrengen van de isolatie ten onrechte niet bij de beoordeling van de impact op de omgevingskwaliteit zijn betrokken. Specifiek noemt eiser de verhoging van het dak en de wijziging van de kleur en het materiaal van de boeiboorden. Deze wijzigingen zijn niet op de tekeningen terug te vinden die zijn voorgelegd aan de Adviescommissie. Verder zijn het woonhuis en de smederij als cultuurhistorisch waardevol bestempeld als geheel ensemble, waaruit volgt dat alle onlosmakelijk met elkaar verbonden aspecten in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Ook op dit vlak is het advies van de Adviescommissie gebrekkig omdat geen rekening is gehouden met het cultuurhistorisch ensemble. Ter onderbouwing verwijst eiser in de eerste plaats naar de procedure van de omgevingsvergunning uit 2020. Ten tweede noemt eiser de procedure over het ontwerpbestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ waarin het oorspronkelijk cultuurhistorisch ensemble als waardevol is bestempeld. 9.1. De rechtbank oordeelt dat het college het standpunt dat de dakisolatie niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, mocht baseren op het advies van de Adviescommissie. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS mag het college een welstandsadvies zoals dat van de Adviescommissie overnemen, nadat het college is nagegaan of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. Het college heeft het advies van de Adviescommissie van 10 oktober 2024 ten grondslag gelegd aan bestreden besluit I. Het college heeft tijdens de zitting toegelicht dat de tekeningen met nummers ‘ST533 301’ en ‘ST533 100’ van 10 juli 2025 als nieuwe situatie zijn voorgelegd aan de Adviescommissie ter beoordeling. De oude situatie is afgebeeld op de tekening met nummer ‘ST533 100’ van 20 maart 2020. Uit deze stukken blijkt een wijziging van de boeiboorden. De Adviescommissie concludeert dat het plan geen onevenredige verstoring vormt voor het cultuurhistorisch waardevol object. De aangevraagde mastgoot is passend bij dit type gebouw en de karakteristieken van de andere delen van de kap (peerkraalconsoles gedragen bakgoot en windveer op de kop) blijven in voldoende mate in stand houdt, aldus de Adviescommissie. Daarom heeft de Adviescommissie het plan positief beoordeeld. 9.2. De rechtbank stelt vast dat geen tegenrapportage is ingediend. Naar oordeel van de rechtbank is eiser er verder niet in geslaagd om concrete aanknopingspunten aan te voeren die leiden voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid daarvan of de conclusies die hierop zijn gebaseerd. In de eerste plaats slaagt het betoog niet dat de wijzigingen die verband houden met het aanbrengen van de isolatie niet zouden zijn beoordeeld. Eiser wijst op aspecten die niet zouden zijn meegenomen waaronder de gewijzigde kleurstelling van de boeiboorden. Eiser heeft echter niet betwist dat op de tekeningen die aan de Adviescommissie zijn voorgelegd zichtbaar is dat onder andere de boeiboorden worden gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat de Adviescommissie deze wijziging wel heeft betrokken bij het uitgebrachte advies. De omstandigheid dat de Adviescommissie niet expliciet in het advies is ingegaan op de gewijzigde kleurstelling, doet hier niet aan af. Het plan is immers in het geheel als akkoord bevonden. Ten tweede mocht de Adviescommissie alleen advies uitbrengen over de aangevraagde wijzigingen. Eventuele andere wijzingen aan het bouwwerk die niet tot de aanvraag behoren, vallen buiten de omvang van de advisering. Ook het betoog dat de Adviescommissie zou zijn uitgegaan van onjuiste gootdetails bij de beoordeling, kan niet leiden tot de conclusie dat het plan ten onrechte is vergund. Voor zover eiser hiermee heeft willen betogen dat de vergunde goot afwijkt van de feitelijk gerealiseerde goot, geldt dat daaruit niet de conclusie kan volgen dat het advies van de Adviescommissie onjuist zou zijn. De vraag of de omgevingsvergunning afwijkt van de feitelijke situatie, is immers een handhavingskwestie. Beoordeling van de gronden tegen bestreden besluit II (26/2280) Omvang van de beoordeling van het handhavingsverzoek 10. Zoals de rechtbank eerder heeft vastgesteld in overweging 3.5, ziet het handhavingsverzoek in de eerste plaats op overtredingen van het Bouwbesluit 2012. Het gedeelte van het handhavingsverzoek dat ziet op het Bouwbesluit, valt vervolgens uit in drie deelonderwerpen. Dit zijn de brandwerendheid van de achtergevel, de brandveiligheidseisen van de scheidingsmuur én normen voor de airco-unit. Ten tweede is het handhavingsverzoek een herhaling van het eerder afgewezen handhavingsverzoek over de dakisolatie en daarmee samenhangende wijzigingen aan de daken. Ten derde ziet het handhavingsverzoek op de wijzigingen van de cultuurhistorische kenmerken van de smederij. 10.1. Voor de (gestelde) overtreding van het Bouwbesluit door de airco-unit, geldt dat het handhavingsverzoek is ingewilligd en dat het college aan vergunninghouder een last onder dwangsom heeft opgelegd. De gronden van eiser gaan hier niet over. Daarom zal de rechtbank het handhavendoptreden tegen de airco-unit niet beoordelen. Eiser heeft ook geen gronden aangevoerd die zien op de herhaling van zijn eerdere verzoek om handhavend op te treden tegen de dakisolatie en daarmee samenhangende wijzigingen aan de daken (het tweede gedeelte van het handhavingsverzoek). De rechtbank zal daarom ook niet beoordelen of het college dit onderdeel van het handhavingsverzoek heeft mogen afwijzen. 10.2. Eiser heeft wel beroepsgronden aangevoerd over dat het college handhavend had moeten optreden op grond van het Bbl vanwege een overtreding van de brandveiligheidseisen en vanwege een welstandsexces als gevolg van een inbreuk op het cultuurhistorisch ensemble. De beslissing op deze onderdelen van het handhavingsverzoek zal de rechtbank hieronder beoordelen. Moest het college handhavend optreden tegen een overtreding van het Bouwbesluit? 11. Eiser voert in beroep aan dat het college handhavend had moeten optreden, omdat de achtergevel niet voldoet aan de brandveiligheidsvoorschriften van artikel 3.40 en 3.41 van het Bbl. 11.1. Het college heeft het standpunt ingenomen dat vergunninghouder tijdens de procedure voor de omgevingsvergunning uit 2020 al aannemelijk heeft gemaakt dat de achtergevel voldoet aan de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 11.2. Het is vaste rechtspraak van de ABRvS dat de reikwijdte van een handhavingsverzoek niet meer kan worden uitgebreid na een beslissing op het handhavingsverzoek. Het aanwijzen van een andere wettelijke bepaling waarmee de in het handhavingsverzoek gestelde feiten in strijd zouden zijn, houdt een uitbreiding in van de reikwijdte van een handhavingsverzoek. Daarbij is van belang dat in het handhavingsverzoek een specifieke wettelijke grondslag word genoemd voor handhavend optreden. In het handhavingsverzoek in deze zaak worden de brandveiligheidsvoorschriften in ‘het Bouwbesluit’ genoemd als grondslag voor handhavend optreden. Eiser heeft pas voor het eerst in het beroepschrift het Bbl genoemd. De rechtbank weegt mee dat het handhavingsverzoek is ingediend door een gemachtigde die professionele rechtsbijstandsverlener is. De gemachtigde had moeten weten dat het Bouwbesluit 2012 niet meer van kracht was op het moment dat hij zijn handhavingsverzoek indiende. Dit heeft tot gevolg dat het college ten aanzien van dit handhavingsverzoek alleen diende te beoordelen of handhavend moest worden opgetreden vanwege overtreding van het Bouwbesluit. Omdat het Bouwbesluit 2012 ten tijde van het handhavingsverzoek niet langer gold, had het college moeten concluderen dat het niet bevoegd was om handhavend op te treden. Deze beroepsgrond slaagt daarom en de rechtbank zal het bestreden besluit II ten aanzien daarvan vernietigen. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit II in stand, omdat het college het handhavingsverzoek als gevolg daarvan ook had moeten afwijzen. Dit betekent dat het college niet handhavend zal optreden vanwege brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit 2012. Moest het college handhavend optreden vanwege een welstandsexces? 12. Eiser betoogt dat sprake is van een welstandsexces als gevolg van de kleurwijzigingen van de boeiboorden, kantplanken en goten. Ook is de indeling van de ramen en kleur van de kozijnen gewijzigd. De nieuwe witte kleur komt niet overeen met de oorspronkelijke groene kleur en is dus niet in overeenstemming met het cultuurhistorische ensemble van het bouwwerk. Het is aan de vergunninghouder om in beeld te brengen wat de oorspronkelijke kleurstelling was en om ervoor te zorgen dat deze wordt aangebracht. Dit maakt dat het college bevoegd is om handhavend op te treden. Niet is gebleken dat het college advies heeft gevraagd om te beoordelen of sprake is van een welstandsexces. Dit maakt dat het bestreden besluit volgens eiser in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. 12.1. Naar oordeel van de rechtbank mocht het college het handhavingsverzoek afwijzen omdat geen sprake is van strijd met de cultuurhistorische waarde of het cultuurhistorische ensemble. Tijdens de zitting is gebleken dat de wijzigingen aan het pand die volgens eiser zouden leiden tot een welstandsexces, overeenkomen met de vergunde wijzigingen in primair besluit I. De Adviescommissie heeft op 10 oktober 2024 een positief advies gegeven over deze wijzigingen. Het college acht om deze reden de wijzigingen in overeenstemming met de cultuurhistorische waarde van het pand. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om hieraan te twijfelen. Verder is geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser heeft voor het eerst in beroep aangevoerd dat sprake is van een welstandsexces en dat het college om die reden handhavend had moeten optreden. In het handhavingsverzoek zelf is niets genoemd over een welstandsexces. De rechtbank leest hierin ook geen aanknopingspunten op grond waarvan het college had kunnen of moeten weten dat was verzocht om handhavend op te treden vanwege een welstandsexces. Zoals de rechtbank hiervoor onder 11.2 heeft overwogen, is het na de beslissing op het handhavingsverzoek niet toegestaan om de reikwijdte hiervan uit te breiden. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep tegen bestreden besluit I is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding in de zaak 25/3973 is geen aanleiding. 14. Het beroep tegen bestreden besluit II is gegrond voor zover het verzoek om handhavend op te treden tegen overtredingen van het Bouwbesluit 2012 na een inhoudelijke beoordeling is afgewezen. De rechtbank vernietigt daarom bestreden besluit II voor zover dat ziet op de afwijzing van het handhavingsverzoek ten aanzien van overtredingen van het Bouwbesluit 2012, maar laat – met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht – de rechtsgevolgen van het vernietigde deel in stand. Dat betekent dat het college niet handhavend zal optreden vanwege brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit 2012. Voor de volledigheid benadrukt de rechtbank dat bestreden besluit II niet wordt vernietigd, voorzover het verzoek is ingewilligd om handhavend op te treden tegen overtreding van het Bouwbesluit vanwege de airco-unit. Onder 10 heeft de rechtbank immers toegelicht waarom zij het handhavend optreden tegen de airco-unit niet zal beoordelen. 14.1. Omdat het beroep tegen bestreden besluit II gegrond is, moet het college het griffierecht in de zaak 26/2280 aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond; - verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond, voor zover dat ziet op de afwijzing van het handhavingsverzoek ten aanzien van overtredingen van het Bouwbesluit 2012; - vernietigt bestreden besluit II, voor zover dat ziet op de afwijzing van het handhavingsverzoek ten aanzien van overtredingen van het Bouwbesluit 2012; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit II in stand blijven; - bepaalt voor de zaak 26/2280 dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college in de zaak 26/2280 tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 31 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Omgevingswet Artikel 5.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit, […] 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit, […] Omgevingsplan gemeente Veere Artikel 22.26 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.