Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-30
ECLI:NL:RBZWB:2026:7005
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3650 WLZ uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] te [plaats] , eiser, (gemachtigde: mr. N.M. Fakiri) en [B.V.] , het Zorgkantoor. (gemachtigde: mr. A.H. Gohari) Samenvatting 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen de intrekking van zijn persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Zorgkantoor bevoegd was om de verleningsbeschikking van eisers pgb in te trekken vanaf 1 januari 2025. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.3. Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn en het procesverloop in deze zaak. Onder 3 is het wettelijk kader opgenomen. De standpunten van partijen zijn opgenomen onder 4 en 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop Primaire fase 2.1. Eiser ontving van het Zorgkantoor sinds 6 december 2021 een pgb voor zorgverlening op grond van een Wlz-indicatie. 2.2. Op 20 mei 2022 ontving het Zorgkantoor een melding van de SVB dat eisers zorgverlener en stiefvader, [persoon 1] , sinds december 2021 meer dan 40 uur per week declareert voor eisers zorg. Het Zorgkantoor heeft eiser met een brief van 23 mei 2022 laten weten dat hij er zorg voor moet dragen dat [persoon 1] niet meer dan 40 uur zorg per week declareert per 1 juni 2022 en dat eiser anders het risico loopt dat het pgb wordt beëindigd. 2.3. Met een brief van 29 maart 2023 heeft het Zorgkantoor de bevindingen van het huisbezoek van 21 maart 2023 met eiser gedeeld. Tijdens het huisbezoek is gesproken met eisers gewaarborgde hulp en moeder, [persoon 2] , en is de pgb-administratie besproken. Het Zorgkantoor heeft eiser geadviseerd om te onderzoeken of hij een tweede zorgverlener kan inzetten op basis van een nul-urencontract en heeft eiser nogmaals meegedeeld dat een zorgverlener nooit meer dan 40 uur per week uit pgb mag werken. Het Zorgkantoor heeft vastgesteld dat het jaar daarvoor soms meer dan 40 uur per week werd gedeclareerd, waardoor eiser aan het einde van het jaar budget te kort kwam. 2.4. Met een brief van 4 april 2024 heeft het Zorgkantoor de bevindingen van het beeldbelhuisbezoek van 14 maart 2024 met eiser gedeeld. Het Zorgkantoor acht het niet aannemelijk dat eiser de gedeclareerde 10 uur persoonlijke verzorging per dag nodig heeft. De gewaarborgde hulp heeft aangegeven dat die declaraties niet juist zijn, dat eiser alleen aansturing nodig heeft. Er is ook gesproken over het meer dan 40 uur per week zorg declareren. De weken waarin de ene maand overloopt in de andere maand wordt meer dan 40 uur zorg per week gedeclareerd. Daarnaast is besproken dat het niet is toegestaan om zorgverleners [persoon 1] en eisers zus [persoon 3] op gezamenlijke momenten begeleiding aan eiser te laten bieden in plaats van één op één begeleiding. Het is niet doelmatig om van twee zorgverleners tegelijk begeleiding te ontvangen. Het Zorgkantoor heeft eiser gevraagd om een weekschema te overleggen, waarin staat wanneer welke zorgverlener eiser begeleiding biedt. 2.5. Met een brief van 8 augustus 2024 heeft het Zorgkantoor eiser gevraagd om een schriftelijke toelichting waarom hij gemiddeld meer dan 12 uur zorg per dag declareert voor zijn zorgverleners. Daarnaast heeft het Zorgkantoor gevraagd om uiterlijk 28 augustus 2024 een voldoende gedetailleerd weekschema te overleggen, waarin staat wanneer welke zorgverlener welke zorg heeft verleend in de periode van januari 2024 tot en met juni 2024. Eiser heeft op 22 augustus 2024 een Wlz-indicatiebesluit van 6 december 2021, een brief van de gewaarborgde hulp met daarin een beschrijving van de geleverde zorg en een verzoek Het Zorgkantoor acht de intrekking van het pgb niet te verstrekkend en verwijst naar rechtspraak . Dat 24 uur per dag zorg in nabijheid een vereiste is voor toegang tot de Wlz, betekent niet dat men 24 uur per dag zorg moet declareren. Doelmatige besteding van het pgb is niet komen vast te staan, vooral vanaf juni 2023. Er zijn hoge declaraties voor twee zorgverleners, vooral in overgangsweken, ook na bespreking hiervan tijdens het huisbezoek. Ook de willekeur in zorgfuncties valt op en de overlap in zorg. Wanneer het pgb loopt, heeft het Zorgkantoor een controlerende functie (artikel 3.3.3, vierde lid, onder a en b, van de Wlz). Het Zorgkantoor stelt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door meerdere keren onvoldoende toelichting te geven op de hoge declaraties en niet de gevraagde documenten te sturen. Het Zorgkantoor heeft een uitgebreide toelichting nodig om het pgb-recht te kunnen beoordelen en die is niet ontvangen. Eiser heeft structureel meer dan 40 uur per week aan zorg gedeclareerd. Ondanks dat hij sinds 2022 met de overschrijding wordt geconfronteerd door het Zorgkantoor, is het pgb elk jaar vroegtijdig op. De gedeclareerde uren gaan omhoog in overgangsweken van de ene naar de andere maand, tot 160 uur per week aan gedeclareerde zorg. Als er al een systeemfout zou zijn, wil dat niet zeggen dat men de 40 uur per week moet overschrijden. De door eiser aangehaalde rechtspraak geldt alleen als door een zorgverlener zorg wordt geleverd aan meer dan één verzekerde. Verder gaat het maximeren van een pgb op 40 uur per week tegen de pgb-systematiek in en is er geen weekschema of verklaring waarmee de hoeveelheid noodzakelijke zorg voor eiser kan worden beoordeeld. Ook heeft het Zorgkantoor, gelet op het dossier, geen vertrouwen in medewerking aan juiste declaraties. Het Zorgkantoor merkt verder op dat eiser in deze periode 4,5 dag per week naar school is gegaan en voor die uren kan geen zorg worden gedeclareerd. Ten aanzien van de belangenafweging overweegt het Zorgkantoor dat een afweging moet worden gemaakt tussen het belang van handhaving van een niet nagekomen verplichting en de gevolgen van verlaging voor de ontvanger, waarbij de ernst van de tekortkoming en de mate van verwijtbaarheid van belang zijn. De ernst van de tekortkoming is hier groot, want eiser heeft meerdere pgb-verplichtingen geschonden, en er is een hoge mate van verwijtbaarheid, want eiser is meerdere keren gewezen op de pgb-verplichtingen en is gewaarschuwd voor beëindiging. Er is geen doelmatige besteding van maatschappelijke middelen en niet gebleken is dat zorg in natura niet mogelijk zou zijn. Er heeft een zorgvuldig onderzoek en belangenafweging plaatsgevonden. Een ‘lichter’ middel is hier niet gepast. Overwegingen van de rechtbank 6. Partijen zijn in de kern verdeeld over de vraag of eiser de aan het pgb verbonden verplichtingen heeft geschonden, of het Zorgkantoor bevoegd was om eisers pgb in te trekken, en zo ja, of het Zorgkantoor conform het bestreden besluit gebruik heeft mogen maken van die bevoegdheid. De rechtbank zal die vragen in deze uitspraak beantwoorden. Bewijslast 7. Volgens vaste rechtspraak is een besluit tot intrekking van de verleningsbeschikking een voor de verzekerde belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor de intrekking is voldaan in beginsel op het Zorgkantoor. Het Zorgkantoor zal tegen de achtergrond van de Algemene wet bestuursrecht en de Wlz de nodige kennis over de relevante feiten moeten verzamelen en deugdelijk moeten motiveren dat een intrekking of wijziging van de verleningsbeschikking gerechtvaardigd is. Heeft eiser de aan het pgb verbonden verplichtingen geschonden? 7.1. Het Zorgkantoor kan op grond van artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b van de Rlz de verleningsbeslissing intrekken als eiser of zijn gewaarborgde hulp de opgelegde verplichtingen niet nakomt. Het Zorgkantoor heeft aan de intrekking van de verleningsbeschikking ten grondslag Uit het dossier volgt dat op beide zorgverleners van eiser niet het Arbeidstijdenbesluit van toepassing is en eiser dus voor door hen verleende zorg niet meer dan 40 uur per week per zorgverlener mocht declareren. De uitspraak van de CRVB waarnaar eiser verwijst ziet op een andere situatie, namelijk een waarin een zorgverlener zorg levert aan meer dan één verzekerde. Het Zorgkantoor heeft eiser sinds de brief van 23 mei 2022 meermaals op de verplichting om niet meer dan 40 uur per zorgverlener per week aan zorg te declareren gewezen. Desondanks is volgens de declaratieoverzichten meermalen fors meer dan 40 uur per week aan zorg per zorgverlener gedeclareerd, met name in weken waarin de ene maand op de volgende maand overging. In week 5 van 2024 is zelfs 160 uur per week aan zorg gedeclareerd. Dit betekent dat eiser structureel de pgb-verplichtingen omtrent het niet meer dan 40 uur per week zorg declareren heeft geschonden. Ook eisers beroep op een systeemfout bij de Svb en goede trouw slagen niet. De rechtbank overweegt dat het Zorgkantoor eiser herhaaldelijk heeft gewaarschuwd voor de hoge declaraties. Daar komt bij dat eiser geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat in weken waarin de ene maand overging in de andere maand, er de laatste dagen van de maand meer uren werden gedeclareerd dan op dezelfde dagen in andere weken. Dat dit kwam door een systeemfout is niet nader onderbouwd. Was het Zorgkantoor bevoegd om eisers pgb in te trekken conform het bestreden besluit? 7.7. Nu vaststaat dat eiser de pgb-verplichtingen uit artikel 5.18, aanhef en onder a, b, d, en g, van de Rlz heeft geschonden, was het Zorgkantoor in beginsel op grond van artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz bevoegd de verleningsbeschikking vanaf 1 januari 2025 in te trekken. Is sprake van een evenredige belangenafweging? 7.8. Het Zorgkantoor diende bij de vraag of tot intrekking kan worden overgegaan de betrokken belangen af te wegen. De rechtbank overweegt dat het Zorgkantoor in het bestreden besluit op steekhoudende wijze heeft onderbouwd waarom geen overwegend gewicht is toegekend aan eisers belang bij het voortzetten van het pgb ter betaling van zijn stiefvader en zus voor verleende zorg. Het Zorgkantoor mocht bij de belangenafweging onder meer belang hechten aan de omstandigheid dat doelmatig moet worden omgegaan met maatschappelijke middelen en dat het pgb een eigen keuze is. Ontvangers van een pgb worden in de verleningsbeschikking expliciet gewezen op de pgb-verplichtingen. Uit het dossier blijken geen omstandigheden die erop wijzen dat de intrekking leidt tot een onredelijkheid of onbillijkheid van overwegende aard. Ook heeft het Zorgkantoor van belang kunnen achten dat het een langdurige schending van meerdere verplichtingen betreft en eiser herhaaldelijk geen gebruik heeft gemaakt van kansen om de schendingen van pgb-verplichtingen te beëindigen. De rechtbank kan het Zorgkantoor eveneens volgen in het standpunt dat maximering van het pgb, zodat niet boven het budget kan worden gedeclareerd, tegen de pgb-systematiek van ‘eigen regie centraal’ ingaat en het geen passend alternatief wordt geacht, ook niet omdat hiervoor medewerking van eiser nodig is. Het Zorgkantoor heeft eiser daarnaast in het bestreden besluit uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van zorg in natura en omschreven op welke manier die zorg kan worden geregeld. Eiser heeft wel gesteld, maar niet met onderbouwende stukken aannemelijk gemaakt, dat zorg in natura voor hem niet mogelijk is. 7.9. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van een onevenredige belangenafweging. Het Zorgkantoor mocht van zijn bevoegdheid tot intrekking van de verleningsbeschikking gebruik maken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor de conclusie dat sprake zou zijn van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM wegens een ‘individual and excessive burden’. Conclusie en gevolge