Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-30
ECLI:NL:RBZWB:2026:7003
Invordering verbeurde dwangsommen wegens overtreden bouwstop; Wabo RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3606 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, het college. Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de invordering van zes door hem verbeurde dwangsommen van ieder € 5.000,- wegens het overtreden van de aan hem opgelegde bouwstop. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de dwangsommen heeft mogen invorderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 7 augustus 2024 heeft het college aan eiser kenbaar gemaakt verbeurde dwangsommen te innen wegens het meermaals overtreden van de aan hem opgelegde last onder dwangsom. Met het bestreden besluit van 10 juni 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de invorderingsbeschikking in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft digitaal deelgenomen. Namens het college is drs. [persoon] verschenen. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: het adres). 3.1. Op 17 november 2023 is door een toezichthouder van de gemeente Goirle geconstateerd dat op het adres bouwwerkzaamheden zijn verricht zonder dat eiser over de daartoe benodigde omgevingsvergunning beschikt. De toezichthouder heeft mondeling een bouwstop opgelegd. Het college heeft bij besluit van 17 november 2023 de bouwstop schriftelijk bevestigd. Het college heeft daarbij aangegeven dat, indien eiser de bouwwerkzaamheden hervat, hij per geconstateerde overtreding een dwangsom verbeurt van € 5.000,- met een maximum van € 30.000,-. 3.2. Tegen het besluit tot het opleggen van de bouwstop heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 april 2024 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten. Eiser heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld. 3.3. In de periode tussen 17 november 2023 en 24 mei 2024 zijn op het adres verschillende controles uitgevoerd. De bevindingen van de toezichthouders tijdens deze controlemomenten zijn vastgelegd in diverse constateringsrapporten. Uit deze rapporten blijkt dat de toezichthouders op verschillende momenten overtredingen van de opgelegde bouwstop hebben geconstateerd. Dit heeft geleid tot het voornemen van het college van 21 juni 2024 om de verbeurde dwangsommen van in totaal € 30.000,- in te vorderen. Tegen dit voornemen heeft eiser een zienswijze ingediend. 3.4. Bij besluit van 7 augustus 2024 heeft het college aan eiser kenbaar gemaakt dat de verbeurde dwangsommen worden geïnd (primaire besluit). 3.5. Tegen het invorderingsbesluit heeft eiser bezwaar gemaakt. 3.6. Met het bestreden besluit van 10 juni 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 4. De rechtbank stelt voorop dat, hoewel eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde last onder dwangsom (de bouwstop), hij geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van het college op zijn bezwaar. De last onder dwangsom van 17 november 2023 is daarmee onherroepelijk geworden en ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor. In de procedure tegen de invordering van verbeurde dwangsommen kan eiser daarom in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident geen overtreding heeft plaatsgevonden of als eiser geen overtreder is. Die situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank hier niet voor. 4.1. Gelet op voorgaande, beperkt het beroep van eiser zich tot de invordering van de verbeurde dwangsommen. Toetsingskader 5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluit van 17 november 2023 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 5.1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder dwangsom op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Wordt de last overtreden, dan wordt de dwangsom van rechtswege verbeurd. 5.2. Voordat wordt aangemaand tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom. 5.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Goede procesorde 6. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. 6.1. Op 18 juni 2026, dus zeven dagen voor de zitting, heeft de rechtbank een grote hoeveelheid aanvullende stukken ontvangen van eiser. Ter zitting heeft het college aangegeven deze stukken niet te hebben ontvangen. Het college heeft daardoor niet de gelegenheid gehad om adequaat op deze stukken te kunnen reageren. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat eiser deze stukken niet al eerder had kunnen indienen. Deze aanvullende stukken worden daarom door de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Zijn de dwangsommen verbeurd? 7. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) volgt dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag moet liggen. Dit brengt onder meer met zich mee dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom moet worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag en dat diens vaststelling of waarnemingen op schrift moeten worden gesteld. Dit geschrift moet ten minste bevatten de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van wat is waargenomen. 7.1. De rechtbank stelt vast dat alle controlerapporten volledig zijn. Van alle controlemomenten die in deze rapporten zijn opgenomen, zijn foto’s en beschrijvingen van de situatie ter plaatse opgenomen. Uit de rapporten wordt duidelijk waar en wanneer de feiten en omstandigheden zijn waargenomen en welke werkwijze daarbij door de toezichthouder is gehanteerd. Per overtreding heeft de toezichthouder een inzichtelijke beschrijving gegeven van zijn waarnemingen. Controlerapporten van 18 en 20 november 2023 8. Eiser betoogt dat op basis van de foto’s die onderdeel zijn van het controlerapport van 20 november 2023 niet kan worden geconcludeerd dat hij bouwwerkzaamheden heeft verricht en daardoor de opgelegde bouwstop heeft overtreden. 8.1. Deze stelling van eiser volgt de rechtbank niet. De foto’s van de controlerapporten, waarin de controlemomenten van 17, 18 en 20 november 2023 zijn vastgelegd, en de beschrijving van de toezichthouder hierbij laten zien dat eiser wel degelijk werkzaamheden heeft verricht nadat aan hem de bouwstop is opgelegd. Het college heeft de foto’s van de controlemomenten met elkaar vergeleken en heeft op basis daarvan geconstateerd dat eiser de achtergevel verder heeft opgebouwd en dat er werkzaamheden aan het dak zijn verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op basis hiervan op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet heeft voldaan aan de last en deze dwangsommen zijn verbeurd. Controlerapport van 4 december 2023 8.2. Eiser erkent dat hij voorafgaand aan het controlemoment op 4 december 2023 werkzaamheden heeft verricht, maar meent dat hij voor deze werkzaamheden toestemming heeft gekregen van de toezichthouder in het kader van het wind- en waterdicht maken van zijn woning. 8.3. Ter zitting heeft het college toegelicht dat eiser inderdaad toestemming heeft gekregen om de woning wind- en waterdicht te maken. Met eiser is besproken welke werkzaamheden hij in dat kader mocht uitvoeren. De gemaakte afspraken zijn in een e-mail aan eiser bevestigd. Tijdens het controlemoment van 4 december 2023 heeft de toezichthouder onder meer geconstateerd dat eiser isolatiemateriaal heeft aangebracht tegen een muur die op een eerder moment al was dichtgemetseld. Deze werkzaamheden gaan verder dan het wind- en waterdicht maken van de woning, waarvoor de toezichthouder toestemming heeft gegeven. Uit niets blijkt dat eiser van hem ook de gleuven en kieren tussen de stenen mocht dichtmaken, zoals hij op de zitting naar voren heeft gebracht. De rechtbank volgt het college daarom in de stelling dat eiser hierdoor meer werkzaamheden heeft verricht dan waarvoor hij toestemming heeft verkregen. Het college heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eiser op 4 december 2023 de last heeft overtreden en dat de dwangsom is verbeurd. Controlerapport van 15 april 2024 8.4. Eiser stelt dat de werkzaamheden die in het controlerapport van 15 april 2024 zijn genoemd, geen overtredingen zijn van de opgelegde last. De opgemerkte balk, de zwaluwstaartvloer en de elektra waren al aanwezig op het moment dat de bouwstop is opgelegd en de trap is verplaatst in opdracht van de toezichthouder, aldus eiser. 8.5. De rechtbank volgt de stelling van eiser niet. De foto’s in het controlerapport van 15 april 2024 laten zien dat eiser verschillende werkzaamheden heeft uitgevoerd die in strijd zijn met de aan hem opgelegde bouwstop. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een deel van deze werkzaamheden in opdracht van de toezichthouder is uitgevoerd. Hij heeft daarom niet aan de last voldaan en deze dwangsom is verbeurd. Controlerapporten van 21 en 24 mei 2024 8.6. Eiser betwist dat hij op 21 mei 2024 de bouwstop heeft overtreden. Eiser erkent dat hij op 24 mei 2024 werkzaamheden heeft verricht, maar stelt dat dit de enige dag is waarop hij de opgelegde bouwstop heeft overtreden. 8.7. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij alle werkzaamheden op 24 mei 2024 heeft verricht om het bouwproject te kunnen afronden. Uit de verschillende controlerapporten, de foto’s en de toelichting van de toezichthouder, blijkt dat eiser op verschillende momenten bouwwerkzaamheden heeft verricht en dat hij daarmee de aan hem opgelegde bouwstop meermaals heeft overtreden. De enkele stelling van eiser dat hij alle werkzaamheden op één dag heeft uitgevoerd, acht de rechtbank zonder nadere onderbouwing hiervan daarom niet aannemelijk. 9. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot het oordeel dat uit de controlerapporten en de toelichting ter zitting voldoende aannemelijk is geworden dat eiser de opgelegde bouwstop zes keer heeft overtreden. Daarmee zijn de zes dwangsommen van ieder € 5.000,- van rechtswege verbeurd. Omdat eiser niet tot betaling van de dwangsommen is overgegaan, is hij in verzuim. Het college is daarom terecht overgegaan tot invordering van de dwangsommen. Zijn er bijzondere omstandigheden om af te zien van de invordering? 10. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet bij een besluit over de invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. 10.1. De rechtbank heeft begrip voor de persoonlijke situatie van eiser en begrijpt dat de handhavingsprocedure en de invordering van de dwangsommen een grote impact op hem en zijn gezin hebben gehad en nog altijd hebben. Dit zijn echter geen omstandigheden op basis waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling hoeft het college bij de invordering in beginsel ook geen rekening te houden met de financiële draagkracht van eiser. Deze draagkracht kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding indien evident is dat eiser gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. Eiser heeft niet aan deze bewijslast voldaan. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 30 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:32 Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. (…) Artikel 5:32b Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. (…) Artikel 5:37 Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom. (…) Zie bijvoorbeeld Afdeling 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1650 (r.o. 3.2). Artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 5:37 van de Algemene wet bestuursrecht. Zie bijvoorbeeld Afdeling 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2209 (r.o. 3.3). Zie bijvoorbeeld Afdeling 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466 (r.o. 2.2). Zie bijvoorbeeld Afdeling 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1145 (r.o. 6).