Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:6963
Ontruiming na einde huurovereenkomst. Huurder moet een gebruiksvergoeding betalen, omdat hij de gehuurde woning niet bij het einde van de huur heeft ontruimd zoals was overeengekomen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 12262529 \ VV EXPL 26-46 Vonnis in kort geding van 27 juli 2026 in de zaak van WOONSTICHTING LAND VAN ALTENA , te Nieuwendijk , eisende partij, hierna te noemen: Land van Altena, gemachtigde: mr. R. Boekhoff, tegen 1 [huurder 1] , te [plaats 1] , 2. [huurder 2] , te [plaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [hurders] , gemachtigde: mr. B.H.A. Augustin 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de nadere producties van eiseres van 7 juli 2026 - de nadere producties van gedaagden van 17 juli 2026 - de mondelinge behandeling van 20 juli 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de pleitnota van gedaagden. 2 Het geschil 2.1. Land van Altena vordert samengevat - ontruiming van de woning aan [adres] . Daarnaast vordert zij betaling van een gebruiksvergoeding van € 665,57 per maand vanaf 1 april 2026 tot het moment dat de woning weer aan haar ter beschikking is gesteld. 2.2. Land van Altena legt aan de vordering ten grondslag dat partijen in een vaststellingsovereenkomst, die zij hebben gesloten ter gelegenheid van de mondelinge behandeling (in hoger beroep) bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 14 augustus 2025, hebben afgesproken dat de huurovereenkomst tussen haar en [hurders] betreffende de woning aan [adres] zou eindigen per 1 april 2026. Op die datum moest de woning daarom leeg en ontruimd aan Land van Altena worden opgeleverd. Daaraan hebben [hurders] ondanks sommaties niet voldaan. Zij gebruiken daarom de woning op dit moment zonder recht of titel. Daarmee maken zij inbreuk op het eigendomsrecht van Land van Altena, zodat sprake is van onrechtmatig handelen. Daar moet door ontruiming een einde aan worden gemaakt. Tot die tijd moeten [hurders] een gebruiksvergoeding betalen. 2.3. [hurders] voeren verweer. [hurders] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Land van Altena, dan wel subsidiair tot het geven van een langere termijn van drie maanden voor ontruiming. 2.4. [hurders] voeren daarbij aan dat de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig is en dat ontruiming bovendien onmogelijk was vanwege het gedrag van buurtbewoners. 2.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3 De beoordeling Ontruiming 3.1. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat [hurders] de woning aan [adres] (hierna: de woning in [plaats 3] ) uiterlijk binnen vier weken na betekening van het vonnis zullen ontruimen. Land van Altena heeft haar vordering daaraan aangepast. De kantonrechter zal daarom de vordering met die termijn toewijzen. Gebruiksvergoeding 3.2. Land van Altena handhaaft haar vordering dat per 1 april 2026 een gebruiksvergoeding van € 665,57 betaald moet worden door [hurders] voor de woning in [plaats 3] . 3.3. Bij brief van 22 januari 2026 heeft Land van Altena per 1 april 2026 een woning in [plaats 1] aangeboden aan [huurder 1] onder de voorwaarde dat de huurovereenkomst voor de woning in [plaats 3] per 1 april 2026 geëindigd is en de oplevering uiterlijk 22 april 2026 plaatsvindt. In dezelfde brief wordt als voorwaarde ook genoemd dat voor het geval de oplevering na 1 april 2026 plaatsvindt, een gebruiksvergoeding verschuldigd is, gelijk aan de huurprijs. Dit aanbod (en genoemde voorwaarden) is door [huurder 1] geaccepteerd, zodat vast staat tussen partijen dat de huurovereenkomst voor de woning in [plaats 3] per 1 april 2026 beëindigd is en dat een gebruiksvergoeding verschuldigd is zolang deze woning niet is opgeleverd. [huurder 1] is in de brief gewezen op het belang om - bij aanvaarding van de woning in [plaats 1] - zo snel mogelijk de woning in [plaats 3] op te leveren gelet op het risico van dubbele woonlasten. 3.4. De kantonrechter begrijpt dat [hurders] het moeilijk vonden om de woning op te leveren vanwege de bedreigingen (die Land van Altena ook niet heeft betwist). Niet is echter gebleken dat Land van Altena hierin iets te verwijten valt - of dat sprake is van een andere grond - op grond waarvan Land van Altena verplicht was om de veiligheid van [hurders] hierin te regelen en te garanderen. Dit blijft daarom voor rekening en risico van [hurders] . Dat betekent dat ook de gevolgen van een oplevering na 1 april 2026 voor rekening en risico van [hurders] komen. 3.5. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.3 en gelet op het feit dat [hurders] de woning niet hebben opgeleverd na 1 april 2026, zijn zij een gebruiksvergoeding verschuldigd voor de woning vanaf 1 april 2026 tot de datum dat de woning is opgeleverd. Daarom zal de kantonrechter de gevorderde gebruiksvergoeding van € 665,57 per maand (een ingegane maand gerekend voor volle maand) toewijzen vanaf 1 april 2026. 3.6. Gelet op wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3.7. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1. veroordeelt [hurders] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] , te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Land van Altena zijn, en de sleutels af te geven aan Land van Altena, 4.2. veroordeelt [hurders] hoofdelijk om te betalen aan Land van Altena een bedrag van € 665,57 per maand vanaf 1 april 2026 tot en met de dag dat de woning deugdelijk ter beschikking van Land van Altena is gesteld, een ingegane maand gerekend voor een volle maand, 4.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026.