Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-31
ECLI:NL:RBZWB:2026:6958
Afwijzing aanvraag omgevingsvergunning; strijd met de beheersverordening. Wabo RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2830 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. H. Akbaba), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand , het college. Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning. Eiser is het niet eens met dat besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser woont aan de [adres] in [plaats] (hierna: het perceel). Op 11 maart 2021 heeft hij een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakopbouw. Het bouwplan was op dat moment al gerealiseerd. 2.1. Het college heeft zijn aanvraag met het besluit van 15 juli 2021 afgewezen (primaire besluit). 2.2. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 2.3. Op 4 november 2021 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie voor de bezwaarschriften. 2.4. Met het bestreden besluit van 11 januari 2022 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering. 2.5. Op 19 januari 2024 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van eiser tegen het besluit van 11 januari 2022 gegrond verklaard en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. 2.6. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. In dit besluit heeft het college het primaire besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering en met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank. 2.7. De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens het college zijn [persoon 1] en [persoon 2] verschenen. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is door eiser ingediend op 11 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 3.1. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. 3.2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Strijd met de beheersverordening 4. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren dat in strijd is met een beheersverordening. 4.1. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geweigerd als de activiteit in strijd is met een beheersverordening. 4.2. Ter plaatse van het perceel is de beheersverordening “ [beheersverordening] ” (hierna: beheersverordening) van kracht. Blijkens deze beheersverordening heeft het perceel de bestemming “horeca”. Op het perceel geldt de aanduiding “horeca van categorie 1”. Op een gedeelte van het perceel is de aanduiding “bijgebouwen” van toepassing. Voor het andere gedeelte van het perceel geldt de aanduiding “bouwvlak”. 5. Eiser betoogt dat in de beheersverordening geen beperkingen worden gesteld of uitsluitingen zijn opgenomen voor de uitbreiding van het hoofdgebouw. Het college had volgens eiser dan ook niet kunnen concluderen dat het bouwplan in strijd is met de beheersverordening. 6. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7.2.2 van de beheersverordening gebouwen binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd. Vast staat dat op het perceel verschillende aanduidingen van toepassing zijn. De rechtbank constateert dat een gedeelte van het bouwplan is gesitueerd op het deel van het perceel waarop de aanduiding “bijgebouwen” van toepassing is. Het andere deel van het bouwplan is gelegen op het gedeelte van het perceel waarvoor de aanduiding “bouwvlak” geldt. Tussen partijen is niet – meer – in geschil dat het bouwplan moet worden gekwalificeerd als uitbreiding van het hoofdgebouw. 6.1. De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat het bouwplan (deels) buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd. Het bouwplan is daarom in strijd met artikel 7.2.2 van de beheersverordening. Afwijken van de beheersverordening 7. Artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo bepaalt – voor zover relevant – dat, indien een aanvraag betrekking heeft op een activiteit die in strijd is met de beheersverordening, die aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. De aangevraagde vergunning wordt in dat geval slechts geweigerd als vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is. 7.1. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend als de aanvraag niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: 1 ° met toepassing van de in de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking; 2 ° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3 ° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. 8. De rechtbank stelt vast dat de beheersverordening geen mogelijkheden biedt om af te wijken van artikel 7.2.2. Daarnaast valt het bouwplan niet onder één van de genoemde gevallen in artikel 4 van bijlage II bij het Besluit Omgevingsrecht (Bor). Dat betekent dat de omgevingsvergunning alleen verleend kan worden op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 ° van de Wabo. 8.1. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak geldt dat de beslissing om een omgevingsvergunning voor het afwijken van de beheersverordening al dan niet te verlenen een discretionaire bevoegdheid van het college is. Het discretionaire karakter van deze bevoegdheid brengt met zich dat het besluit om een dergelijke omgevingsvergunning te weigeren, terughoudend moet worden getoetst. Dat betekent dat de bestuursrechter zich bij de toetsing moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. 8.2. Volgens het college voldoet het bouwplan niet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Aan de weigering om, in afwijking van de beheersverordening, de omgevingsvergunning te verlenen heeft het college vier argumenten ten grondslag gelegd. Allereerst benoemt het college dat het bouwplan ertoe leidt dat het maximale bebouwingspercentage (verder) wordt overschreden. Daarnaast stelt het college dat de uitbreiding niet is gesitueerd tegen een blinde gevel van het naastgelegen pand. Ten derde noemt het college dat het, in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, wenselijk is om een buitenruimte bij de woning te behouden. Tot slot voert het college aan dat het bouwplan leidt tot verdere verstening, hetgeen in het kader van hittestress en de mogelijkheden om hemelwater af te voeren onwenselijk is. 8.3. Het argument van het college dat het bouwplan niet is gesitueerd tegen een blinde gevel van het naastgelegen pand, volgt de rechtbank niet. Op basis van de toelichting die het college ter zitting heeft gegeven in combinatie met de ter zitting getoonde foto’s, constateert de rechtbank dat de aangrenzende gevel van het naastgelegen pand weliswaar een melkglasraam bevat, maar dat dit zich bevindt ruim boven hoogte van het bouwplan, zodat niet kan worden aangenomen dat het bouwplan enig gevolg heeft voor lichtinval op dat melkglas. 8.4. De andere argumenten die het college heeft aangedragen, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de afwijzende beslissing zelfstandig dragen. De stelling van eiser dat het bouwplan niet leidt tot een verdere overschrijding van het bebouwingspercentage, volgt de rechtbank niet. Het bebouwingspercentage wordt reeds overschreden en het bouwplan beoogt aan de zijkant van het pand nieuwe bebouwing te realiseren. De afwijking ten aanzien van het maximale bebouwingspercentage wordt daarom, als gevolg van de realisatie van het bouwplan, groter. 8.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd waarom het het bouwplan in strijd acht met een goede ruimtelijke ordening, zodat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren Conclusie en gevolgen 9. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het college de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 31 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: Het bouwen van een bouwwerk; (…) Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan (…) Artikel 2.10 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: a. (…) b. (…) c. De activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12; d. (…) 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. Indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1 ° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking; 2 ° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3 ° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. b. (…) Beheersverordening “ [beheersverordening] ” Artikel 1.16 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. Artikel 7.2.2 Binnen het bouwvlak gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels: binnen het bouwvlak zijn gebouwen en daarbij behorende bouwwerken toegestaan; (…) Artikel 7.2.3 Bij een woning mogen bijgebouwen en overkappingen worden gerealiseerd. Hiervoor gelden de volgende regels: Bijgebouwen en overkappingen mogen binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ worden gerealiseerd; (…) De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ mag niet meer bedragen dan 75m2 per woning, mits het betreffende bouwperceel voor niet meer dan 50% is bebouwd. Rb. Zeeland-West-Brabant 27 februari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1446. Zie bijvoorbeeld Afdeling 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1633 (r.o. 4).