Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:6950
Omzetbelasting, beleggingsrisico, beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 20/6907 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen Stichting [belanghebbende] , statutair gevestigd te [plaats] , belanghebbende, (gemachtigden: [gemachtigde 1] en mr. E.M. van Kasteren), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 mei 2020. 1.1. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de bij beschikking verleende teruggaaf van omzetbelasting over het derde kwartaal van 2019 (de teruggaafbeschikking) en verzocht om een aanvullende teruggaaf van € 4.539. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de teruggaafbeschikking ongegrond verklaard en belanghebbendes verzoek afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De inspecteur heeft gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Op 7 oktober 2024 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de zaak wordt aangehouden totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) arrest heeft gewezen naar aanleiding van door de rechtbank Gelderland op 6 oktober 2022 gestelde prejudiciële vragen. 1.5. Op 5 september 2024 heeft het HvJ uitspraak gedaan en antwoord gegeven op de door de rechtbank Gelderland gestelde prejudiciële vragen (hierna: het HvJ-arrest). De rechtbank heeft partijen bij brief van 17 juni 2025 in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze op het arrest van het HvJ kenbaar te maken. Belanghebbende heeft op 15 juli 2025 en op 12 maart 2026 een nader stuk ingediend. De inspecteur heeft op 10 oktober 2025 een nader stuk ingediend. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende: [vertegenwoordiger] , bijgestaan door haar gemachtigden, mr. K.R. Carton, mr. E.M. van Kasteren en [gemachtigde 2] , en namens de inspecteur: mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , mr. [inspecteur 4] , mr. [inspecteur 5] en [inspecteur 6] . 1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een aanvullende teruggaaf van omzetbelasting van € 4.539. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Meer specifiek is in geschil of de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) van toepassing is (de vrijstelling). Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende kan worden aangemerkt als ‘een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen’ in de zin van het voornoemde artikel. 2.2. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert belanghebbende niet als een ‘ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen’ in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten derde, van de Wet OB. Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij op grond van het beginsel van fiscale neutraliteit moet worden gelijkgesteld met pensioenfondsen die als gemeenschappelijke beleggingsfondsen worden aangemerkt. De vrijstelling is daarom niet van toepassing. Belanghebbende heeft dan ook geen recht op een aanvullende teruggaaf over het derde kwartaal 2019. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende is een beroepspensioenfonds en voert de pensioenregeling uit voor alle dierenartsen die in Nederland een praktijk voeren. 3.1. De dierenartsen nemen deel aan de pensioenregeling van belanghebbende en betalen hiervoor een premie direct aan belanghebbende. 3.2. In de statuten van belanghebbende is het volgende opgenomen: “Artikel 3, Doel 1. Het Pensioenfonds heeft ten doel ten behoeve van de in artikel 5 bedoelde deelnemers, gewezen deelnemers en/of hun nagelaten betrekkingen geldelijke voorzieningen bij ouderdom, arbeidsongeschiktheid of overlijden te treffen volgens bij pensioenreglement te stellen regelen”. 3.3. In het Pensioenreglement 2019 van belanghebbende (het pensioenreglement) is onder andere het volgende opgenomen: “(…)Artikel 1 Deelnemers 1.1 Voor wie geldt deze pensioenregeling? Deelnemer is iedere dierenarts die als zodanig - hetzij zelfstandig, hetzij in dienstverband -praktijk uitoefent in een in Nederland gevestigde praktijk, op 31 december 2006 nog geen 60 jaar was, en de vijfenzestigjarige leeftijd nog niet heeft bereikt. (…) Artikel 3 De basis van de pensioenopbouw 3.1 Wat is het karakter van deze pensioenregeling? Deze pensioenregeling is een premieregeling in de zin van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. 3.2 Wat is de pensioengrondslag? De pensioengrondslag vormt de basis voor het te bereiken pensioen. De pensioengrondslag is gelijk aan het beroepsinkomen van de deelnemer, verminderd met een vast bedrag, de zogenaamde franchise. 3.3 Hoe wordt het beroepsinkomen vastgesteld? Hoe het beroepsinkomen wordt vastgesteld is afhankelijk van de manier waarop de Belastingdienst de inkomsten van de deelnemer kwalificeert: (…) De deelnemer geeft het beroepsinkomen door op het formulier "inkomensopgave” van het pensioenfonds. De werkgever van de deelnemer als bedoeld onder a moet de juistheid van het vermelde beroepsinkomen bevestigen door het medeondertekenen van het formulier. Voor de deelnemer als bedoeld onder b en c en voor de zelfstandige waarnemer als bedoeld onder e, f of g bevestigt de eigen accountant van de deelnemer of van diens vennootschap de juistheid van het vermelde gerealiseerde beroepsinkomen door een verklaring op het formulier te zetten en deze te ondertekenen. (…) Indien de deelnemer geen beroepsinkomen opgeeft, wordt voor de vaststelling van het beroepsinkomen in enig jaar uitgegaan van het beroepsinkomen zoals dat voor het voorafgaande jaar is vastgesteld. Is dit beroepsinkomen - ook na rappellering bij de deelnemer - niet voorhanden, dan hanteert het pensioenfonds het maximum beroepsinkomen zoals vermeld in artikel 3.4. Eventuele fiscale consequenties zijn voor rekening en risico van de deelnemer. 3.4 Is er een maximum beroepsinkomen? Het voor de pensioenopbouw maximaal in aanmerking te nemen beroepsinkomen is, bij een volledige werkgraad, voor het jaar 2019 € 58.335,-. Het maximum beroepsinkomen wordt jaarlijks per 1 januari verhoogd op basis van het gestegen prijspeil. Hiervoor wordt aangesloten bij de stijging van het consumentenprijsindexcijfer ‘Alle huishoudens, afgeleid' tussen oktober van het voorlaatste en oktober van het laatste jaar voorafgaand aan het moment van verhoging van het maximum beroepsinkomen. Het consumentenprijsindexcijfer wordt vastgesteld en gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. 3.5 Wat is de franchise? Bij de opbouw van het pensioen wordt al rekening gehouden met de vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd te ontvangen AOW-uitkering. Over een gedeelte van het inkomen hoeft daarom geen pensioen te worden opgebouwd. Het deel van het inkomen waarover geen pensioenopbouw plaatsvindt, wordt franchise genoemd. 3.6 Hoe hoog is de franchise? De franchise voor deze pensioenregeling bedraagt op 1 januari 2019 € 13.785,-. De franchise wordt jaarlijks per 1 januari verhoogd op basis van het gestegen prijspeil. Hiervoor wordt aangesloten bij de stijging van het consumentenprijsindexcijfer ‘Alle huishoudens, afgeleid' tussen oktober van het voorlaatste en oktober van het laatste jaar voorafgaand aan het moment van verhoging van de franchise. Het consumentenprijsindexcijfer wordt vastgesteld en gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De franchise zal nooit minder bedragen dan het op grond van de fiscale regelgeving verplicht te hanteren minimumbedrag. (…) Artikel 4 Kosten en financiering van de pensioenregeling 4.1 Wat zijn de kosten voor de deelnemer? De deelnemer is over elk jaar van deelnemerschap een premie verschuldigd aan het pensioenfonds. Deze premie wordt vastgesteld op 1 januari op basis van de leeftijd van de deelnemer op dat moment. Na wijziging van de pensioengrondslag zoals bedoeld in artikel 3.8 wordt de premie opnieuw vastgesteld op basis van de leeftijd van de deelnemer op het moment van wijziging. Als het deelnemerschap in de loop van een jaar aanvangt is de premie verschuldigd op het moment van aanvang van het deelnemerschap en op basis van de leeftijd van de deelnemer op dat moment. 4.2 Hoe hoog is de premie? De premie is een leeftijdsafhankelijk percentage van de pensioengrondslag (artikel 3.2). (…) Artikel 5 Pensioenen binnen de regeling Deze pensioenregeling kent ten behoeve van de deelnemer of zijn nabestaanden de volgende pensioensoorten: - ouderdomspensioen - partnerpensioen - wezenpensioen Artikel 6 Ouderdomspensioen 6.1 Wat is het ouderdomspensioen? Het ouderdomspensioen is de levenslange uitkering die de deelnemer of de gewezen deelnemer ontvangt vanaf de pensioendatum. (…) 6.3 Hoe wordt de hoogte van het ouderdomspensioen vastgesteld? De hoogte van het jaarlijkse ouderdomspensioen is gelijk aan de som van de per jaar van deelnemerschap verworven aanspraken. De hoogte van de aanspraak die in enig jaar van deelnemerschap wordt verworven is afhankelijk van de leeftijd van de deelnemer in dat jaar en van de hoogte van de in dat jaar betaalde premie (artikel 4.2). (…) Artikel 7 Partnerpensioen 7.1 Wat is het partnerpensioen? Het partnerpensioen is een uitkering aan de partner van de deelnemer, de gewezen deelnemer of de gepensioneerde die wordt uitgekeerd na het overlijden van de deelnemer, de gewezen deelnemer of de gepensioneerde. (…) 7.6 Hoe hoog is het partnerpensioen: 7 6a Bij overlijden van de deelnemer? Bij overlijden van de deelnemer is het partnerpensioen gelijk aan 70% van het ouderdomspensioen dat is opgebouwd tot het moment van overlijden, vermeerderd met een aanvulling. Deze aanvulling bedraagt 1,225% van de gemiddelde pensioengrondslag zoals die voor de deelnemer gold in de laatste vijf kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van zijn overlijden maal het aantal jaren - in maanden nauwkeurig - gelegen tussen de eerste dag van de maand volgend op de maand van overlijden en de pensioendatum. (…) Artikel 8 Wezenpensioen 8.1 Wat is het wezenpensioen? Het wezenpensioen is een uitkering voor kinderen van de deelnemer, de gewezen deelnemer of de gepensioneerde, die wordt uitgekeerd na het overlijden van de deelnemer, de gewezen deelnemer of de gepensioneerde. (…) 8.4a Hoe hoog is het wezenpensioen: Bij overlijden van de deelnemer, de gewezen deelnemer of de gepensioneerde is het wezenpensioen gelijk aan 20% van het op grond van dit pensioenreglement vastgestelde partnerpensioen. Als er geen partner is voor wie partnerpensioen wordt vastgesteld, wordt voor de bepaling van de hoogte van het wezenpensioen uitgegaan van het partnerpensioen dat zou worden uitgekeerd als er wel een partner was. Als er sprake is van (bijzonder) partnerpensioen voor meerdere partners, wordt voor de bepaling van de hoogte van het wezenpensioen uitgegaan van alle partnerpensioenen gezamenlijk. (…) (…) Artikel 9 Beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling (…) 9.5a Wat is afkoop? Bij afkoop van pensioen wordt de aanspraak op pensioen omgezet in een geldsom (de afkoopsom). Met de uitbetaling van die geldsom koopt het pensioenfonds de verplichting tot het doen van pensioenuitkeringen af. 9 5b Wanneer vindt afkoop plaats? Als de deelname eindigt voor 1 januari 2018, heeft het pensioenfonds het recht om op zijn vroegst twee jaar na beëindiging van de deelname alle pensioenaanspraken van de gewezen deelnemer af te kopen, als op basis van de tot het tijdstip van beëindiging opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de pensioendatum per jaar minder zal bedragen dan het bedrag als genoemd in artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (€484,09 in 2019). Dit recht heeft het pensioenfonds niet als de gewezen deelnemer binnen twee jaar na beëindiging van de deelname een procedure tot waardeoverdracht is gestart. De afkoopsom wordt uitbetaald onder inhouding van verschuldigde belastingen en wettelijke heffingen. Als de deelname is beëindigd op of na 1 januari 2018 koopt het pensioenfonds een aanspraak op ouderdomspensioen af indien op basis van de premievrije aanspraak op ouderdomspensioen de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de pensioendatum, getoetst per 1 januari van dat jaar, minder bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (€ 484,09 in 2019), de gewezen deelnemer instemt met de afkoop en de pensioenuitvoerder na beëindiging van de deelneming ten minste vijf maal tevergeefs heeft gepoogd de overdrachtswaarde van de pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer over te dragen als bedoeld in artikel 81a Wet verplichte beroepspensioenregeling en na de beëindiging van de deelneming of, indien de deelneming is geëindigd tussen 1 januari 2018 en 1 januari 2019, na 1 januari 2019, ten minste vijfjaar is verstreken. 9 5c Wordt het pensioen afgekocht op de pensioendatum? De aanspraak op ouderdomspensioen wordt op de pensioendatum afgekocht, indien de hoogte van het ouderdomspensioen op de pensioendatum minder bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 78 Wet verplichte beroepspensioenregeling (€ 484,09 in 2019) en de gepensioneerde geen bezwaar maakt tegen de afkoop indien de deelneming is geëindigd voor 1 januari 2007 of de gepensioneerde instemt met de afkoop indien de deelneming is geëindigd vanaf 1 januari 2007. Als het pensioenfonds gebruik wil maken van het in de vorige alinea bedoelde recht, informeert het de gepensioneerde voor de ingang van het pensioen en betaalt het de afkoopwaarde binnen zes maanden na de ingang van het pensioen uit. Indien het pensioenfonds wil afkopen op de pensioendatum, dan heeft de gewezen deelnemer - in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 15.1 - het recht ervoor te kiezen dat het ouderdomspensioen waarop de afkoop betrekking heeft, ingaat op de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ingaat. Het pensioenfonds koopt af op het moment dat het ouderdomspensioen waarop de afkoop betrekking heeft ingaat. Artikel 15.3 is van overeenkomstige toepassing. Het pensioenfonds maakt gebruik van zijn recht op afkoop tenzij het bestuur nadrukkelijk anders beslist op basis van de financiële situatie van het pensioenfonds. 9 5d Wat is de hoogte van de afkoopsom? Voor de bepaling van de hoogte van de afkoopsom wordt een afkoopvoet vastgesteld. Deze afkoopvoet is te vinden in hoofdstuk 9. (…) Artikel 11 Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid 11.1 Wat is premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid? De deelnemer die stopt met het uitoefenen van zijn beroep als dierenarts kan geen pensioen meer opbouwen op grond van deze pensioenregeling. De deelnemer die gedwongen wordt (gedeeltelijk) te stoppen wegens arbeidsongeschiktheid, zou daarmee (een deel van) zijn toekomstige pensioenopbouw moeten missen. Om dat te voorkomen, kan de arbeidsongeschikte deelnemer zich in bepaalde gevallen, en onder de voorwaarden die zijn opgenomen in dit artikel, vrijwillig verzekeren voor premievrije voortzetting van de pensioenopbouw. Hij wordt geacht tijdens de periode van premievrije voortzetting jaarlijks een premie te hebben betaald, zonder dat hij deze daadwerkelijk verschuldigd is. Dit artikel is van toepassing op de deelnemer die bij aanvang van de deelname in deze pensioenregeling volledig arbeidsgeschikt is. Voor de deelnemer die bij aanvang van de deelname gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, heeft dit artikel betrekking op het arbeidsgeschikte deel. 11.2 Wat betekent arbeidsongeschiktheid? Onder arbeidsongeschiktheid wordt verstaan de objectief medisch vast te stellen ongeschiktheid tot de uitoefening van het beroep van dierenarts als rechtstreeks gevolg van ziekte of ongeval. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door een door het bestuur aan te wijzen keuringsinstantie. 11.3 Wanneer kan de deelnemer zich verzekeren voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid? Aanmelding voor deze vrijwillige verzekering is uitsluitend mogelijk: binnen drie maanden na aanvang van het deelnemerschap aan deze pensioenregeling; binnen drie maanden na het afsluiten van een inkomensverzekering voor arbeidsongeschiktheid, niet zijnde een wijziging of verlenging van de bestaande polis. De vrijwillige verzekering voor premievrije pensioenopbouw kan op elk moment worden stopgezet. Opnieuw aanmelden is dan echter niet meer mogelijk. 11.4 Wie komt in aanmerking voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid? De deelnemer komt in aanmerking voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid als voldaan is aan de volgende voorwaarden - met inachtneming van eventuele aanvullende eisen die voortvloeien uit dit artikel: a) hij is voor de eerste dag van de maand waarin hij de 65-jarige leeftijd bereikt door de in artikel 11.2 bedoelde keuringsinstantie geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard; b) hij heeft de in artikel 4.3 bedoelde extra premie betaald en was verzekerd voor premievrijstelling op het moment van arbeidsongeschikt worden; c) hij heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten waaruit daadwerkelijk inkomens¬ vervangende uitkeringen worden ontvangen die in omvang ten minste overeenkomen met het wettelijk minimumloon; of hij ontvangt een uitkering op grond van de WIA; d) hij heeft de premievrijstelling schriftelijk bij het pensioenfonds aangevraagd binnen drie jaar nadat de arbeidsongeschiktheid zich heeft geopenbaard. De deelnemer heeft recht op deze verdere opbouw en premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid op voorwaarde dat de arbeidsongeschiktheid is ontstaan na aanvang van de deelname in deze pensioenregeling. Als de deelnemer bij aanvang van de deelname reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, geldt het bovenstaande slechts voor de vermeerdering van de arbeidsongeschiktheid na aanvang van de deelname. 11.5 Wanneer begint en eindigt de premievrijstelling? De premievrijstelling gaat in op de eerste dag van de maand waarin de arbeidsongeschiktheid 104 weken onafgebroken heeft bestaan, maar niet eerder dan op de eerste dag van de maand waarin de deelnemer een inkomensvervangende arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. De premievrijstelling eindigt volledig op het eerste van de volgende tijdstippen: a) op de laatste dag van de maand waarin geen sprake meer is van gehele dan wel gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid; b) op de laatste dag van de maand waarin de deelnemer voor het laatst een uitkering uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering of een uitkering op grond van de WIA ontvangt; c) op het moment dat de deelnemer overlijdt; d) op de dag waarop de deelnemer het volledige ouderdomspensioen laat ingaan, maar uiterlijk op de eerste dag van de maand waarin de deelnemer de 65-jarige leeftijd bereikt. 11.6 Hoe wordt de hoogte vastgesteld van de premie die geacht wordt te zijn betaald door de arbeidsongeschikte deelnemer? 11 6a Bij volledige arbeidsongeschiktheid? Voor de berekening van de premie die geacht wordt te zijn betaald wordt uitgegaan van de gemiddelde pensioengrondslag zoals die gold in de laatste vijf jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid en het premiepercentage zoals dat het laatst is vastgesteld vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid. Deze premie geldt voor de gehele periode van premievrijstelling, met dien verstande dat hij jaarlijks per 1 januari, voor het eerst per 1 januari van het jaar volgend op de dag waarop het recht op premievrijstelling ontstond, wordt verhoogd met 3%, met inachtneming van het bepaalde in artikel 21. De pensioengrondslag zoals bepaald in de eerste volzin van dit artikellid zal gedurende de periode van premievrijstelling niet wijzigen. (…) Hoofdstuk 6. MET PENSIOEN Artikel 19 Pensioenuitkering 19.1 Hoe wordt het pensioen uitgekeerd? Alle pensioenen die uit deze pensioenregeling voortvloeien, worden uitgekeerd in maandelijkse termijnen aan het einde van elke kalendermaand. Alle uitbetalingen luiden in euro’s. Het pensioen wordt door het pensioenfonds overgemaakt naar een door de rechthebbende aan te wijzen rekening bij een instelling in binnen- of buitenland. De pensioenen worden uitgekeerd onder aftrek van de verschuldigde belastingen en wettelijke heffingen. 19.2 Voor wiens rekening komen de kosten van uitbetaling van het pensioen naar het buitenland? De eventuele kosten die de buitenlandse instelling in rekening brengt zijn voor rekening van de belanghebbende. De kosten worden terstond met de pensioenuitkering verrekend. 19.3 Welke voorwaarden gelden er voor de uitkering van het pensioen? Het pensioenfonds is bevoegd om elke uitbetaling van een pensioentermijn afhankelijk te stellen van een bewijs van in leven zijn van de rechthebbende. 19.4a In hoeverre streeft het pensioenfonds naar verhoging van ingegane pensioenen en aanspraken op pensioen? Het pensioenfonds heeft een voorwaardelijk toeslagbeleid, gebaseerd op de ambitie om de pensioenen waardevast te houden. De mate van toeslagverlening wordt jaarlijks vastgesteld door het bestuur van het pensioenfonds en is afhankelijk van de financiële positie van het pensioenfonds. Er bestaat geen recht op toeslagen en er wordt hiervoor geen reserve aangehouden. De toeslagen worden uit beleggingsrendementen gefinancierd. Toeslagverlening vindt plaats per 1 januari. De daarbij gehanteerde maatstaf is de prijsinflatie op basis van de Consumentenprijsindex 'alle huishoudens’ (afgeleid) over de periode 1 juli- 1 juli direct voorafgaande aan het moment van toeslagverlening. Voor de toeslag per 1 januari wordt gekeken naar de financiële positie per ultimo september van het daaraan voorafgaande jaar. Er zal alleen toeslagverlening kunnen plaatsvinden voor zover dit toekomstbestendig is. Dat wil zeggen dat de financiële positie van het pensioenfonds zodanig is dat het te verlenen toeslagpercentage ook naar verwachting in de toekomst uitgekeerd zal kunnen worden. 19.4b Als er een toeslag wordt verleend, hoe vindt die toeslagverlening dan plaats? Als het bestuur besloten heeft tot het verlenen van een toeslag, dan zal deze worden uitgedrukt in een percentage. Met dit percentage worden alle ingegane pensioenen en alle aanspraken op pensioen in dat jaar verhoogd. 19.4d Welke partijen raadpleegt het bestuur alvorens een besluit tot toeslagverlening te nemen? Het bestuur wint advies in bij de adviserende externe actuaris alvorens een besluit tot toeslagverlening te nemen. Het bestuur van de Deelnemersvereniging wordt geïnformeerd over het besluit. 19 4e Inhaaltoeslagen en herstel van kortingen Indien in een jaar de beleidsdekkingsgraad hoger is dan de bovengrens van het toeslagbeleid zal het fonds kunnen overgaan tot inhaaltoeslagen en herstel van kortingen. Een herstel van gemiste toeslagen of toegepaste kortingen vindt plaats indien één of meerdere jaren geen volledige toeslag is verleend of een korting is toegepast. Het fonds beschouwt daarbij een korting als een negatieve toeslag. 19.5 Kan het pensioen worden afgekocht? Behalve in de in dit reglement of overige in de Wet verplichte beroepspensioenregeling genoemde gevallen kunnen de rechten of aanspraken op pensioenen niet worden afgekocht. Verder kunnen de rechten of aanspraken op pensioenen niet worden vervreemd of prijsgegeven en evenmin formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid dienen. (…) Artikel 21 Fiscale maximering Het pensioen inclusief de toegekende indexatie gaat zowel per jaar als in totaal niet uit boven een fiscaal maximaal geïndexeerd middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk 11B van de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel 22 Wijziging van de pensioenregeling De deelnemersvereniging bepaalt de inhoud van de pensioenregeling. Als de deelnemersvereniging de inhoud van de pensioenregeling wijzigt, informeert zij het pensioenfonds hier schriftelijk over. Het pensioenfonds stelt vervolgens binnen drie maanden na het van kracht worden van de gewijzigde pensioenregeling een wijziging van het pensioenreglement vast. De vaststelling van het gewijzigde pensioenreglement geschiedt op bestuursbesluit volgens de procedure die is opgenomen in de statuten van het pensioenfonds. Een wijziging in het pensioenreglement treedt in werking op het moment waarop de wijziging van de pensioenregeling van kracht is geworden. Artikel 23 Afwijkingen Het bestuur heeft het recht in bijzondere gevallen waarin daartoe naar het oordeel van het bestuur aanleiding bestaat, ten gunste van een deelnemer, gewezen deelnemer, gepensioneerde of andere belanghebbende van de bepalingen van dit pensioenreglement af te wijken. Het bestuur zal dit niet doen als de afwijking ertoe leidt dat aan de rechten van anderen nadeel wordt toegebracht. (…) Artikel 25 Korting pensioenaanspraken en -rechten Het pensioenfonds kan verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten uitsluitend verminderen indien: a. de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen niet meer volledig door waarden zijn gedekt; b. het pensioenfonds niet in staat is binnen een redelijke termijn de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen door waarden te dekken zonder dat de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of andere aanspraakgerechtigden onevenredig worden geschaad; c. en alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn ingezet zoals uitgewerkt in het kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 135 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Het pensioenfonds informeert de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden schriftelijk over het besluit tot vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten. De vermindering, bedoeld in dit lid, kan op zijn vroegst drie maanden nadat de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, en de Nederlandsche Bank hierover geïnformeerd zijn, worden gerealiseerd.” 3.4. Tot de gedingstukken behoort een Rapport intern toezicht (visitatie) ter zake van belanghebbende (het visitatierapport). Daarin is onder meer opgenomen: “1.1 Korte beschrijving van het fonds Stichting [belanghebbende] is een beroepspensioenfonds, statutair gevestigd te [plaats] en opgericht op 1 januari 1975. Het fonds voert de pensioenregeling uit die op verzoek van de [beroepspensioenvereniging] door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verplicht is gesteld voor iedere dierenarts die praktijk in Nederland voert en in Nederland werkzaam is. Het fonds heeft tot doel uitvoering te geven aan het pensioenreglement, zoals dat geldt voor de praktiserende dierenartsen. Het fonds voert een beschikbare premieregeling uit. De pensioenrichtleeftijd in de pensioenregeling is ook na 1 januari 2014 op 65 jaar gebleven. De premie is een leeftijdsafhankelijk percentage van de pensioengrondslag en ligt tussen de 8,1% en 33,6% (2014). Het in aanmerking te nemen beroepsinkomen is gemaximeerd op € 56.179 (2015). De franchise bedraagt € 12.642 (2015). Het partnerpensioen bij overlijden van de deelnemer bedraagt 70% van het ouderdomspensioen, vermeerderd met aanvulling van 1,225% van de gemiddelde pensioengrondslag over de laatste vijf kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van overlijden. Het partnerpensioen bij overlijden van de pensioengerechtigde bedraagt 70% van het ouderdomspensioen. De deelnemer kan zich vrijwillig verzekeren voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Ultimo 2014 bedroeg het belegd vermogen van het fonds € 1.295 mln. en de pensioenverplichtingen bedroegen C 1.212 mln. In verband met de situatie van onderdekking waarin het fonds verkeerde, is er per 1 april 2014 een korting op de pensioenaanspraken en het ingegaan pensioen toegepast van 3,1%. Deze korting is al in de jaarrekening 2013 verwerkt. De dekkingsgraad bedroeg ultimo 2014 106,8%. De vereiste minimale dekkingsgraad van het fonds is 104,1%.” 3.5. Tot de gedingstukken behoort de Actuariële en bedrijfstechnische nota van [belanghebbende] . Daarin is onder meer opgenomen: “ 6.2.3 Gedempte kostendekkende premie Op grond van artikel 123 lid 2 Wet verplichte beroepspensioenregeling mag de kostendekkende premie worden gedempt. Het pensioenfonds maakt gebruik van deze mogelijkheid. De gedempte kostendekkende premie wordt vastgesteld overeenkomstig paragraaf 6.2.2, met dien verstande dat de koopsom voor de onvoorwaardelijke onderdelen van de pensioentoezegging wordt berekend op basis van een rekenrente ter grootte van het verwachte netto beleggingsrendement. Het verwachte netto beleggingsrendement wordt vastgesteld volgens de uitgangspunten zoals beschreven in het besluit FTK, artikel 23a. Het verwachte beleggingsrendement op vastrentende waarden is voor vijfjaar vastgezet op basis van de actuele, door DNB gepubliceerde, rentetermijnstructuur per 30 september 2015. Daarnaast wordt bij de vaststelling van de gedempte kostendekkende premie rekening gehouden met het maximum van: • De opslag voor toeslagverlening (het prijsindexcijfer) door middel van een afslag op het netto beleggingsrendement, of; • De solvabiliteitsopslag op basis van het percentage vereist eigen vermogen, zoals gehanteerd bij de inkoopfactoren van het betreffende boekjaar. Bij de berekening van de opslag voor toeslagverlening wordt gebruik gemaakt van de minimale verwachtingswaarden volgens het Besluit FTK, waarbij rekening wordt gehouden met een ingroeipad. Dit ingroeipad is voor vijf jaar vastgezet op basis van het door DNB gepubliceerde ingroeipad per 30 september 2015. 6.2.4 Minimaal vereiste premie De minimaal vereiste premie is gelijk aan de gedempte kostendekkende premie (zie paragraaf 6.2.3). Door deze bepaling wordt een minimum grens gesteld aan de pensioeninkoopfactoren als bedoeld in paragraaf 6.2.1. 6.2.5 Premiekorting Het bestuur kan eventueel een premiekorting verlenen indien de vermogenspositie zodanig is dat toekomstig bestendig geïndexeerd kan worden op basis van de toeslagambitie en tevens alle in de voorliggende 10 jaar gemiste toeslagen en toegepaste kortingen volledig zijn gecompenseerd. Voorts geldt voor deze premiekorting dat het bestuur rekening dient te houden met evenwichtige belangenbehartiging. 6.3 Beleggingsbeleid In dit hoofdstuk wordt het beleggingsbeleid van het pensioenfonds beschreven. Het bestuur van het pensioenfonds stelt het beleggingsbeleid vast. De algemene doelstelling van het pensioenfonds en de investment beliefs vormen samen het kader dat is gebruikt voor de invulling van het beleggingsbeleid. 6.3.1 Doel pensioenfonds Het fonds is een beroepspensioenfonds en heeft tot doel uitvoering te geven aan het pensioenreglement, zoals dat geldt voor de praktiserende dierenartsen. Het pensioenfonds ontwikkelt uitsluitend activiteiten die haar in staat stellen haar maatschappelijk functie - het verzorgen van (gewezen) deelnemers voor de financiële gevolgen van arbeidsongeschiktheid, overlijden of pensionering op basis van solidariteit en collectiviteit - zo goed mogelijk uit te voeren. (…) 6.4 Toeslagbeleid Het pensioenfonds heeft een voorwaardelijk toeslagbeleid, gebaseerd op de ambitie om de pensioenen waardevast te houden. Indien het bestuur een toeslag toekent, wordt deze per 1 januari van het jaar toegekend. De daarbij gehanteerde maatstaf is de prijsinflatie op basis van de consumenten prijsindex (afgeleid) over de direct voorafgaande periode juli -juli. De mate van toeslagverlening wordt jaarlijks vastgesteld door het bestuur en is afhankelijk van de financiële positie van het fonds. Voor de toeslag per 1 januari van het jaar wordt gekeken naar de financiële positie per ultimo september van het daaraan voorafgaande jaar. Er bestaat geen recht op toeslagen en er wordt hiervoor geen reserve aangehouden. Er zal alleen toeslagverlening plaats kunnen vinden, voor zover dit toekomstbestendig is. Dat wil zeggen dat de financiële positie van het pensioenfonds zodanig is dat het te verlenen toeslagpercentage ook naar verwachting in de toekomst uitgekeerd zal kunnen worden. Het bestuur hanteert voor een besluit over de feitelijke toekenning de onderstaande beleidsstaffel als leidraad: Beleidsdekkingsgraad Toeslagverlening Lager dan 110% Nihil Tussen 110% en bovengrens Naar rato Boven de bovengrens Volledige toeslagverlening + eventueel inhaaltoeslagen en herstel van kortingen De bovengrens wordt jaarlijks vastgesteld zodanig dat deze voldoet aan de eis van toekomstbestendigheid. De vaststelling van de bovengrens is als volgt: • Contante waarde toeslagen (CWT) = de contante waarde van de kasstromen behorende bij de toeslagen indien de volledige maatstaf in elk jaar in de toekomst over de op de berekeningsdatum opgebouwde aanspraken wordt verleend. De contante waarde wordt bepaald op basis van het verwachte netto meetkundige rendement op zakelijke waarden. • De technische voorziening (TV) wordt bepaald op basis van de per de berekeningsdatum door het fonds gehanteerde actuariële grondslagen, inclusief de door de Nederlandsche Bank per die datum gepubliceerde rentetermijnstructuur. • Bovengrens toeslagbeleid = 110% + CWT / TV Bovenstaande beleidsstaffel is een leidraad, wat betekent dat het bestuur jaarlijks vaststelt of een toeslag zal worden verleend en wat de hoogte is van de toeslag. Het bestuur houdt zich het recht voor om het toeslagbeleid aan te passen. Toekomstige wijzigingen zijn verbindend voor alle deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. (…)” Motivering Heeft belanghebbende recht op een aanvullende teruggaaf van omzetbelasting? 4. Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet OB is het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens van omzetbelasting vrijgesteld. Met deze bepaling heeft de Nederlandse wetgever uitvoering gegeven aan artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de Btw-richtlijn op grond waarvan lidstaten btw-vrijstelling verlenen voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. 4.1. Uit vaste rechtspraak van het HvJ volgt dat een instelling voor collectieve belegging in effecten (hierna: icbe) in de zin van de icbe-richtlijn moet worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Ook beleggingsfondsen die geen icbe zijn maar vergelijkbare kenmerken vertonen en dezelfde handelingen verrichten, moeten als gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt. Dit geldt ook voor beleggingsfondsen die zodanig vergelijkbaar zijn met deze instellingen dat zij ermee concurreren. Hierbij geldt als voorwaarde dat ook deze fondsen aan bijzonder overheidstoezicht onderworpen zijn. 4.2. Het HvJ heeft verder geoordeeld dat (bedrijfs)pensioenfondsen als gemeenschappelijk beleggingsfonds kunnen worden aangemerkt indien zij worden gefinancierd door pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers. 4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende niet kwalificeert als een icbe. Evenmin is in geschil dat belanghebbende wordt gefinancierd door (toekomstige) pensioenontvangers en belegt volgens het beginsel van risicospreiding. Partijen houdt verdeeld of de deelnemers het beleggingsrisico dragen. De bewijslast dat daarvan sprake is, rust op belanghebbende. Het beleggingsrisico 4.4. De rechtbank heeft de zaak aangehouden in afwachting van het arrest van het HvJ over de uitleg van artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de Btw-richtlijn. In zijn arrest van 5 september 2024 heeft het HvJ over het begrip ‘beleggingsrisico’ (onder meer) het volgende voor recht verklaard: “ Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moet aldus moet worden uitgelegd dat de deelnemers aan een pensioenfonds dat uit hoofde van een collectieve pensioenregeling uitvoering geeft aan een pensioenovereenkomst die voorziet in pensioenrechten en pensioenuitkeringen waarvan het bedrag, hoewel het wordt bepaald op basis van een referentiepensioen of van de arbeidsinkomsten en het aantal dienstjaren van elke deelnemer, onder bepaalde voorwaarden kan variëren als gevolg van de resultaten van de beleggingen van dat pensioenfonds, slechts kunnen worden geacht het beleggingsrisico te dragen wanneer dat bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Bij een dergelijke beoordeling is noch het aantal jaren dat een deelnemer pensioenrechten heeft opgebouwd, noch het feit dat de opbouw van pensioenrechten bij een pensioenfonds op een bepaald moment is onderbroken, relevant. De omstandigheden dat het risico individueel dan wel collectief wordt gedragen, met name in geval van faillissement, en dat een werkgever zich gedurende een bepaalde periode garant heeft gesteld voor de verwachte opbouw van de pensioenrechten, zijn wel relevante factoren, die als zodanig echter niet doorslaggevend zijn. (…)” 4.5. Belanghebbende stelt dat de hoogte van de pensioenrechten en -uitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van de behaalde beleggingsresultaten. Daartoe voert belanghebbende aan dat uit het pensioenreglement volgt dat het pensioenfonds kwalificeert als een ‘Defined Contribution’-pensioenfonds en dat dus sprake is van een premieregeling, waarbij de vastgestelde premie uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een vastgestelde of variabele pensioenuitkering. Volgens belanghebbende kwalificeert deze premieregeling als een (individuele) ‘Defined Contribution’-regeling (hierna: IDC-regeling). Van een uitkeringsgarantie is geen sprake. Het pensioen is niet grotendeels vooraf bepaald op basis van het arbeidsinkomen en het aantal dienstjaren bij de werkgever of het aantal jaren als beroepsgenoot. Volgens belanghebbende staat de uiteindelijke hoogte van een pensioenuitkering niet vooraf vast en is deze afhankelijk van factoren zoals indexatie, kortingen of aanpassingen van het opbouwpercentage. Deze factoren worden geheel of gedeeltelijk bepaald door de beleggingsresultaten. Ter onderbouwing heeft belanghebbende actuariële rapportages overgelegd waaruit volgt dat de pensioenuitkeringen gemiddeld voor 69% bestaan uit beleggingsrendement. 4.6. De inspecteur betwist dat de hoogte van de pensioenrechten en -uitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van de behaalde beleggingsresultaten. Volgens de inspecteur is er wel sprake van een toegezegde pensioenuitkering die vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd tot aan het overlijden van de deelnemer wordt uitgekeerd. De hoogte van de pensioenuitkeringen wordt bepaald aan de hand van een formule die is gebaseerd op het aantal dienstjaren en het pensioengevend inkomen. Onder strikte voorwaarden kunnen de pensioenrechten en -uitkeringen op basis van de beleidsdekkingsgraad worden verhoogd of verlaagd. De beleidsdekkingsgraad wordt bepaald op grond van de bepalingen in de Pensioenwet en is afhankelijk van de financiële positie van het pensioenfonds. 4.7. De rechtbank stelt voorop dat doorslaggevend is of de deelnemers het beleggingsrisico dragen, in die zin dat het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen afhankelijk is van de resultaten van de beleggingen. In punt 48 van het arrest van 5 september 2024 overweegt het HvJ wanneer sprake is van een door deelnemers gedragen beleggingsrisico. Daarvan is sprake indien het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen niet in ruime mate vooraf kan worden bepaald op basis van het aantal dienstjaren en het pensioengevend inkomen. 4.8. De rechtbank overweegt dat – in het geval van belanghebbende – de bedragen van de pensioenrechten en -uitkeringen wel in ruime mate vooraf kunnen worden bepaald op basis van het pensioengevend inkomen en het aantal dienstjaren. Uit het pensioenreglement volgt dat de pensioengrondslag wordt gevormd door het (beroeps)inkomen van de deelnemer, verminderd met een franchise. Daarbij is de hoogte van het (ouderdoms)pensioen afhankelijk van de som van de per jaar verworven aanspraken, die jaarlijks worden vastgesteld op basis van de leeftijd en de betaalde premie. De hoogte van de pensioenrechten en -uitkeringen is daarmee (primair) gebaseerd op de gemaakte afspraken. 4.9. De omstandigheid dat het bestuur van belanghebbende de pensioenrechten en -uitkeringen onder meer kan aanpassen indien de beleidsdekkingsgraad boven 110% uitkomt of daaronder zakt, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat (onder meer) de door De Nederlandsche Bank vastgestelde rentetermijnstructuur wordt gebruikt bij de waardering van de pensioenverplichtingen, en daarmee ook bij de bepaling van de beleidsdekkingsgraad. Deze rentetermijnstructuur houdt geen direct verband met de door belanghebbende behaalde beleggingsresultaten. Dit betekent dat eventuele verhogingen of verlagingen van de aanspraken en uitkeringen eveneens niet rechtstreeks afhankelijk zijn van het daadwerkelijk behaalde rendement. 4.10. Met de actuariële berekeningen heeft belanghebbende aangetoond dat de beleggingsresultaten noodzakelijk zijn om de pensioenuitkeringen te kunnen financieren. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet voldoende voor het oordeel dat de deelnemers het beleggingsrisico lopen. Uit het arrest van het HvJ volgt namelijk dat de deelnemer een risico moet lopen dat vergelijkbaar is met het risico van een deelnemer in een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen. Dat laatste heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Immers het enkele gegeven dat de beoogde uitkeringen alleen daadwerkelijk gedaan kunnen worden bij het behalen van bepaalde beleggingsresultaten zegt niets over of, en zo ja, in welke mate beleggingsrisico wordt gelopen door de deelnemers. Fiscale neutraliteit 4.11. Belanghebbende doet subsidiair een beroep op het beginsel van fiscale neutraliteit en stelt dat zij vergelijkbaar is met een Defined Contribution-pensioenfonds (DC-fonds), dat in Nederland generiek als collectief beleggingsfonds wordt aangemerkt. Volgens belanghebbende is de pensioenregeling vanuit het oogpunt van de beroepsgenoot juridisch vergelijkbaar met de pensioenregelingen van andere pensioenfondsen die wel als gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt. 4.12. De inspecteur betwist dat de deelnemers in de door belanghebbende uitgevoerde pensioenregelingen juridisch en financieel in dezelfde positie verkeren als deelnemers in een IDC-regeling, omdat de regelingen wezenlijk verschillen. 4.13. In zijn arrest van 5 september 2024 heeft het HvJ met betrekking tot het beginsel van fiscale neutraliteit het volgende voor recht verklaard: “ A rtikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit, moet aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of een pensioenfonds dat geen instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is in aanmerking komt voor de vrijstelling van deze bepaling, niet alleen een vergelijking met een dergelijke instelling moet worden gemaakt, maar ook moet worden beoordeeld of dit pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn maar door de betrokken lidstaat worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling. ” 4.14. In het onderhavige geval dient te worden beoordeeld of de pensioenregelingen, vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de gemiddelde deelnemer, vergelijkbaar zijn met een IDC-regeling. De bewijslast rust op belanghebbende. 4.15. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd met betrekking tot de juridische en financiële positie van deelnemers in andere pensioenfondsen die wel als een gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt. Belanghebbende heeft – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat zij op grond van het beginsel van fiscale neutraliteit moet worden gelijkgesteld met pensioenfondsen die als gemeenschappelijke beleggingsfondsen worden aangemerkt. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting. 5.1. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, voorzitter, mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier. griffier voorzitter De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de voorzitter. Uitgesproken op 27 juli 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Rechtbank Gelderland 6 oktober 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5657. HvJ 5 september 2024, C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688. Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de Btw-richtlijn). HvJ 9 december 2015, C-595/13, ECLI: EU:C:2015:801. Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde icbe’s (de icbe-richtlijn). HvJ 5 september 2024, C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688. HvJ 5 september 2024, C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688.