Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:6947
Deze uitspraak gaat over de intrekking van de aan eiser verleende toestemming tot het uitvoeren van werkzaamheden voor beveiligingsorganisaties. De korpschef heeft de toestemming terecht ingetrokken, op grond van een veroordeling en het rijden na invordering rijbewijs. Geen sprake van schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4722 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] h.o.d.n. [bedrijf 1] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. D. Pieterse), en de Korpschef van Politie (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de aan eiser verleende toestemming tot het uitvoeren van werkzaamheden voor beveiligingsorganisaties. Eiser is het niet eens met deze beslissing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de toestemming van de korpschef terecht is ingetrokken. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef terecht de toestemming heeft ingetrokken . Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het bestreden besluit 2. Op 16 augustus 2024 heeft de Korpschef de toestemming die eiser is verleend op grond van artikel 7 lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr) ingetrokken. Het gaat om toestemming die aan eiser is verleend om als beveiliger werkzaam te zijn bij [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] en [bedrijf 6] . De reden voor intrekking is dat uit onderzoek naar eisers betrouwbaarheid zou zijn gebleken dat hij op 15 juni 2024 een misdrijf heeft gepleegd en op 24 juli 2024 een geldboete opgelegd heeft gekregen vanwege een overtreding van de Wegenverkeerswet. 2.1. Op 12 december 2024 maakt eiser bezwaar tegen deze beslissing. Eiser stelt dat de toestemming onterecht is ingetrokken. Er zou niet worden voldaan aan de eisen die de Wpbr stelt om over te kunnen gaan tot intrekking van toestemming. Van het stelselmatig overtreden van regels is namelijk geen sprake. Hoewel gezegd kan worden dat rijden zonder rijbewijs maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag oplevert, is dit geen grond om toestemming in te trekken. Daarbij is niet gebleken dat toestemming eerder niet zou zijn verleend als het rijden zonder rijbewijs bekend was ten tijde van het verzoek om toestemming. Verder is onvoldoende toegelicht waarom eiser onbetrouwbaar zou zijn. 2.2. Na een volledige heroverweging is de korpschef gebleven bij het besluit tot intrekking. Naast de feiten die zijn meegenomen in het primaire besluit merkt de korpschef op dat eiser na het primaire besluit wederom snelheidsovertredingen heeft gepleegd. Dat zegt iets over zijn houding ten aanzien van verkeersregels. Alle feiten in samenhang hebben geleid tot het bestreden besluit. Geconcludeerd wordt dat een beveiliger die verkeersregels overtreedt die de veiligheid van personen in gevaar kunnen brengen en dat gedrag ondanks waarschuwing herhaalt, naar het oordeel van de korpschef niet boven alle twijfel verheven is. Wettelijk kader 3. Toestemming voor het verrichten van werkzaamheden voor een beveiligingsorganisatie of recherchebureau kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend als zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend. Dit staat in het vijfde lid van artikel 7 Wpbr. Hiervoor wordt gekeken naar de gronden voor onthouding van de toestemming, namelijk: veroordelingen, andere rechtelijke uitspraken en andere over de aanvrager bekende feiten. 3.1. Deze toetsing is nader uitgelegd in de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Beleidsregels). Een werknemer mag in de vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing niet zijn veroordeeld voor een misdrijf waarbij een geldboete of taakstraf is opgelegd. Als er andere relevante feiten zijn op grond waarvan kan worden aangenomen dat een werknemer onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden, dan is dat ook een grond voor onthouding dan wel intrekking van de toestemming. Hiervan is onder andere sprake als blijkt dat een werknemer de rechtsregels naast zich neer lijkt te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. 3.2. Artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr heeft, gezien de bewoordingen ervan, geen imperatief karakter. Dit verplicht de korpschef daarom niet om, als zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, de toestemming voor tewerkstelling bij een beveiligingsorganisatie in te trekken. Bij deze beoordeling bestaat dus ruimte voor een belangenafweging. 3.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de korpschef deelgenomen. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn zonder kennisgeving niet verschenen. 4.1. De rechtbank beoordeelt of de korpschef in redelijkheid de toestemming om eiser beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten heeft kunnen intrekken. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Het beroep 4.2. Eiser stelt dat de intrekking onterecht is geweest. De korpschef heeft voor het laatst toestemming verleend op 23 mei 2024. De korpschef wist op dat moment dat het rijbewijs van eiser op 9 maart 2024 was ingevorderd. Dit feit kan daarom niet ten grondslag liggen aan de intrekking, omdat intrekking dan plaatsvindt op grond van hetzelfde feit dat tot onthouding had moeten leiden. Eiser stelt dat hiermee sprake is van willekeur. Daarnaast worden hierdoor het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel geschonden. Nieuwe feiten en omstandigheden 4.3. De korpschef erkent dat op 23 mei 2024 toestemming is verleend, terwijl hem bekend had moeten zijn dat het rijbewijs van eiser op 9 maart 2024 is ingevorderd. Dit feit is destijds over het hoofd gezien. De korpschef benadrukt daarom dat feiten die zijn gepleegd voor 23 mei 2024 niet zijn betrokken bij de beoordeling van zowel het primaire besluit als de beslissing op bezwaar. Eiser heeft hier niet op gereageerd. 4.4. De invordering van het rijbewijs op 9 maart 2024 is dus geen reden geweest om toestemming in te trekken. Het feit dat eiser na de invordering alsnog heeft deelgenomen aan het verkeer heeft, samen met de veroordeling door de kantonrechter op 22 juli 2024 vanwege het overschrijden van de snelheidslimiet, geleid tot het primaire besluit. Eiser heeft vervolgens na het primaire besluit meer overtredingen gepleegd. Dat eiser aanvoert dat niet kan worden gesproken van nieuwe feiten en omstandigheden volgt de rechtbank dus niet. 4.5. Zowel het primaire besluit als het bestreden besluit zijn gebaseerd op eisers houding tegenover verkeersregels. Dat eiser herhaaldelijk verkeersovertredingen heeft gepleegd is niet in geschil. Eiser ontkent dit ook niet. Zoals in het bestreden besluit is overwogen door de korpschef, volgt uit feiten en omstandigheden dat eiser de verkeersregels vaker niet naleeft, waardoor zijn betrouwbaarheid niet boven alle twijfel is verheven. Daar komt bij dat sprake is van veroordeling voor een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd. Op grond van de Wpbr en de Beleidsregels heeft de korpschef de toestemming mogen intrekken. Rechtszekerheidsbeginsel, verbod van willekeur en vertrouwensbeginsel 4.6. Naar het oordeel van de rechtbank leidt hetgeen eiser heeft aangevoerd in het licht van de overwegingen 4.3 tot en met 4.5 niet tot een schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het verbod van willekeur of het vertrouwensbeginsel. 4.7. Door eiser is gesteld maar niet aannemelijk gemaakt hoe uit aangehaalde feiten zou blijken dat de korpschef zijn bevoegdheid heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Het dossier bevat hiervoor ook geen aanknopingspunten. Verder blijkt dat niet de korpschef toezeggingen heeft gedaan, waardoor eiser erop mocht vertrouwen dat hij zijn werkzaamheden ondanks herhaalde overtredingen kon blijven voortzetten. Voor zover eiser meent dat het vertrouwen is gewekt doordat de korpschef bij het verlenen van toestemming op 23 mei 2024 op de hoogte was dat het rijbewijs van eiser op 9 maart 2024 was ingevorderd, volgt de rechtbank deze stelling dus niet. 4.8. De rechtbank oordeelt dat de korpschef de toestemming tot het uitvoeren van werkzaamheden voor beveiligingsorganisaties heeft mogen intrekken. 4.9. De beroepsgronden slagen niet. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit waarin de Korpschef de toestemming tot het uitvoeren van werkzaamheden voor beveiligingsorganisaties intrekt, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 27 juli 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus Artikel 7, tweede lid Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee. Artikel 7, vijfde lid De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend. Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 Paragraaf 3.3 De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van: veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken; andere omtrent de aanvrager bekende feiten. Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken) De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet: binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of, binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd Verlenging terugkijktermijn Wanneer de aanvrager gedurende de voor zijn aanvraag relevante terugkijktermijn enige tijd een vrijheidsstraf heeft ondergaan wordt de van toepassing zijnde terugkijktermijn (telkens) vermeerderd met de feitelijke duur van de vrijheidsbeneming. Dit totdat de termijn bestaat uit in totaal vier dan wel acht jaren, waarin geen sprake is geweest van een vrijheidsbenemende straf. De betrokkene heeft immers gedurende de duur van de vrijheidsbenemende straf niet kunnen laten zien dat hij geen (relevante) strafbare feiten meer zal plegen. (…) Andere rechterlijke uitspraken dan veroordelingen Met betrekking tot rechterlijke uitspraken die niet tot een veroordeling hebben geleid, kan gedacht worden aan zaken waarbij het tot een vrijspraak is gekomen wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Die situatie zal in het algemeen minder snel aanknopingspunten bieden om een toestemming te weigeren. Een vrijspraak wil echter niet zonder meer zeggen dat de verdachte het feit niet heeft gepleegd, maar dat de rechter niet voldoende bewezen acht dat de verdachte het feit gepleegd heeft. De korpschef kan in bepaalde gevallen ook na een vrijspraak nog altijd reden hebben om de persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd niet betrouwbaar te achten. In het algemeen is het wel zo dat een vrijspraak extra zware eisen zal stellen aan de motivering van de weigering van de toestemming. Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten) De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Sepots, processen-verbaal en mutaties Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat. Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren. (…) Termijn De periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van het bepaalde onder b is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De periode kan echter – behoudens uitzonderlijke gevallen – nooit langer zijn dan de 8 jaar als hiervoor genoemd. . Zie onder andere de uitspraken van de Raad van State ECLI:NL:RVS:2022:763 en ECLI:NL:RVS:2022:564.