Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-22
ECLI:NL:RBZWB:2026:6828
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 11937284 \ CV EXPL 25-3514 Vonnis van 22 juli 2026 in de zaak van [opdrachtnemer] , handelend onder de naam [eenmanszaak] , wonende te [plaats 1] en zaakdoende te [plaats 2] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [opdrachtnemer] , gemachtigde: mr. H.P. Kamerbeek, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CLINIAS DENTAL GROUP B.V. , gevestigd te Breda, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: CDG, gemachtigde: mr. A.M.B. Munsters. 1 De zaak in het kort 1.1. Partijen hebben twee overeenkomsten gesloten op grond waarvan [opdrachtnemer] werkzaamheden heeft verricht voor CDG. De laatste overeenkomst is door opzegging van [opdrachtnemer] beëindigd per 1 september 2024. [opdrachtnemer] vordert betaling voor de door haar verrichte werkzaamheden in de maand augustus 2024. Zij beroept zich daarnaast op het bestaan van een arbeidsovereenkomst en vordert onder meer betaling van vakantiedagen, vakantiegeld en afdracht pensioenpremie. Daarnaast vordert [opdrachtnemer] een verklaring voor recht dat CDG toerekenbaar tekort is geschoten in de afspraak tot participatie. Zij vordert in dat kader ook een afschrift van stukken. CDG voert verweer en beroept zich ten aanzien van de laatste factuur op opschorting wegens niet juiste oplevering van de werkzaamheden en het niet inleveren van de laptop en bedrijfstag (hierna: tag) waardoor een boete van € 50,00 per dag verschuldigd is. Daarnaast betwist CDG dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat zij tekort is geschoten ten aanzien van het recht tot participatie. In reconventie vordert CDG (onder meer) inlevering van de laptop en tag. 1.2. De kantonrechter kwalificeert de overeenkomst tussen partijen niet als een arbeidsovereenkomst, maar als een overeenkomst van opdracht. Zij komt tot het oordeel dat CDG de factuur van [opdrachtnemer] deels kon opschorten wegens het niet inleveren van de laptop en tag en matigt de verschuldigde boete. Na verrekening met de vastgestelde boete wordt CDG in conventie veroordeeld tot betaling van het restantfactuurbedrag aan [opdrachtnemer] . Een toerekenbare tekortkoming van CDG ten aanzien van het recht tot participatie door [opdrachtnemer] is niet komen vast te staan en de vorderingen die zien op de participatie worden daarom afgewezen. In reconventie wordt [opdrachtnemer] veroordeeld tot inlevering van de laptop en tag. Hierna zal worden uitgelegd waarom. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 3 oktober 2025 met producties 1 tot en met 19; de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie met producties 1 tot en met 30 de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte aanvulling gronden en vermeerdering van eis; de namens [opdrachtnemer] ingediende aanvullende producties 20 tot en met 38; de namens CDG ingediende aanvullende producties 20 tot en met 22; de mondelinge behandeling van 10 juni 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; de door partijen overgelegde spreekaantekeningen. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [opdrachtnemer] is meester in de rechten, gespecialiseerd in juridische dienstverlening op het gebied van gezondheidsrecht en privacyrecht. Zij voert een eenmanszaak en handelt onder de naam [eenmanszaak] (hierna: [eenmanszaak] ). 3.2. CDG is onderdeel van een concern dat zich bezighoudt met de overname en exploitatie van tandartspraktijken. Zij houdt zich bezig met backoffice werkzaamheden van de aan haar gekoppelde zorgbedrijven. 3.3. Op 23 januari 2023 heeft [opdrachtnemer] namens haar [eenmanszaak] een overeenkomst van opdracht gesloten met CDG voor advies en ondersteuning op het gebied van (implementatie van) de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) voor maximaal drie jaar (hierna: overeenkomst 1). Partijen zijn in overeenkomst 1 een uurtar Daarnaast heeft CDG medegedeeld dat [opdrachtnemer] een boete wegens niet inlevering van de laptop verschuldigd is van € 9.500,00 en CDG zich het recht voorbehoudt die te verrekenen met de factuur. 3.14. Als reactie heeft de eerdere gemachtigde van [opdrachtnemer] bij brief van 10 april 2025 medegedeeld dat alle documenten in het systeem van CDG staan en de verschuldigdheid van een boete betwist. Voorgesteld werd dat [opdrachtnemer] eerst toegang krijgt tot het systeem van CDG om haar persoonlijke gegevens van de laptop te verwijderen waarna zij deze inlevert, op voorwaarde dat CDG de verstuurde factuur op de dag van indiening voldoet. CDG heeft dit voorstel afgewezen. 3.15. Op 30 april 2025 heeft CDG een factuur gestuurd aan [opdrachtnemer] voor een bedrag van € 24.200,00 aan verschuldigde boete op grond van de bruikleenovereenkomst. 3.16. In mei 2025 hebben partijen opnieuw contact gehad over een minnelijke regeling. CDG heeft toen (onder meer) voorgesteld dat [opdrachtnemer] bij inlevering van de laptop haar persoonsgegevens verwijdert op haar kantoor. [opdrachtnemer] is daar niet mee akkoord gegaan omdat ze het niet prettig vindt dat er iemand meekijkt bij de verwijdering van deze gegevens. 4 Het geschil in conventie 4.1. [opdrachtnemer] vordert na eiswijziging dat: I. voor recht wordt verklaard dat: de rechtsverhouding tussen partijen een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek (BW) betreft; het loon van [opdrachtnemer] van 23 januari 2023 tot 1 september 2024 in totaal € 274.486,00 exclusief 8% vakantietoeslag bedroeg; II. CDG wordt veroordeeld om alsnog aangifte te doen bij de Belastingdienst van het door haar aan [opdrachtnemer] verschuldigde loon over 2023 en 2024 binnen 6 weken na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom; III. CDG wordt veroordeeld tot betaling van € 16.783,91 inclusief btw vermeerderd met de wettelijke rente vanaf opeisbaarheid van de vordering (per 16 september 2024 althans 2 oktober 2024) tot de dag van volledige betaling, alsook de wettelijke verhoging en als de arbeidsrelatie niet gekwalificeerd wordt als een arbeidsovereenkomst de wettelijke handelsrente vanaf opeisbaarheid van de vordering (per 16 september 2024 althans 2 oktober 2024) tot de dag van volledige betaling; IV. voor recht wordt verklaard dat CDG toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van artikel 7 van overeenkomst 2 en aansprakelijk is voor de reeds geleden en nog te lijden schade als gevolg van het onthouden van haar participatie in CDG Topco BV, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; V. CDG bevolen wordt binnen 14 dagen na betekening van het vonnis afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden: de jaarrekeningen en toelichtingen van CDG Topco BV en het certificaathoudersregister van STAK CDG Topco over 2022 tot en met 2024; het aandeelhoudersregister van CDG Topco BV en STAK; waarderingsrapporten, interne waarderingsmemo’s en andere documenten waarin de waarde van CDG of CDG Topco is vastgesteld; notulen en overige interne stukken waarin participatie van [opdrachtnemer] , of haar juridische positie is besproken; stukken, betreffende personen die in 2023/2024 tot de STAK/CDG Topco- participatie zijn toegetreden of zijn uitgetreden, waaronder datum toetreding/uittreding, functie/rol, type participatie, leaverkwalificatie, gehanteerde prijs, waardering, bonusrechten en eventuele good/bad-leaver afspraken, voor zover relevant voor de beoordeling van het door CDG gevoerde bad-leaver/ en schadeverweer; alle e-mailcorrespondentie verzonden van en naar [e-mailadres] van 23 januari 2023 tot 1 september 2024 voor zover betrekking op (i) werkzaamheden van [opdrachtnemer] als Legal Counsel en FG, (ii) overdracht, legal map en dossiervorming, (iii) laptop, tag, toegang tot systemen en privégegevens (iv) participatie, STAK, bonusafspraken en managementparticipatie (v) Wtza, governance, RvT/RvC, IGJ en herstructurering en (vi) financiële afwikkeling van de samenwerking;op straf Als geoordeeld wordt dat de rechtsverhouding tussen partijen een arbeidsovereenkomst is, dient [opdrachtnemer] het ontvangen loon van € 274.486,00 als onverschuldigde betaald terug te betalen aan CDG. 4.7. [opdrachtnemer] voert verweer. [opdrachtnemer] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van CDG, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van CDG, met veroordeling van CDG in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente. 4.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5. De beoordeling in conventie en in reconventie 5.1. Tussen partijen is allereerst in geschil of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Toetsingskader kwalificatie overeenkomst 5.2. In artikel 7:610 BW is de arbeidsovereenkomst gedefinieerd als een overeenkomst waarbij de ene partij (de werknemer) zich verbindt om in dienst van de andere partij (de werkgever) tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Een overeenkomst moet als arbeidsovereenkomst worden aangemerkt, als de inhoud van die overeenkomst aan deze omschrijving voldoet (zie o.a. Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746). 5.3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:443) nogmaals de criteria voor de kwalificatievraag uiteengezet. Uit dit arrest volgt dat voor de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen partijen eerst moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Dat moet gebeuren aan de hand van de Haviltex-maatstaf. In deze uitlegfase is ruimte voor de partijbedoelingen en kan de maatschappelijke positie van partijen een rol spelen. Daarna, in de kwalificatiefase , moet worden beoordeeld of de overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. Daarbij is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Als de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. 5.4. [opdrachtnemer] stelt dat zowel overeenkomst 1 als overeenkomst 2 te beschouwen zijn als een arbeidsovereenkomst. Hierna zal eerst worden ingegaan op de rechten en verplichten van die overeenkomsten. Overeenkomst 1 5.5. [opdrachtnemer] heeft onder overeenkomst 1 onderzoek verricht en een plan van aanpak opgesteld voor CDG om te komen tot een correcte naleving van de AVG. Vooraf is zij door CDG gevraagd hoe het opstellen van een plan van aanpak in zijn werking gaat, wat [opdrachtnemer] gaat doen en uit welke onderdelen dit bestaat. [opdrachtnemer] heeft hierover een uitleg gegeven en vervolgens ook zo gehandeld. Vast staat dat [opdrachtnemer] de werkzaamheden voor CDG in het kader van de AVG zelfstandig en naar eigen inzicht verrichtte. CDG heeft dit volledig aan [opdrachtnemer] gelaten. [opdrachtnemer] stelt ook nog andere werkzaamheden te hebben verricht voor CDG onder overeenkomst 1, maar dit heeft CDG betwist en is bij gebreke van een onderbouwing door [opdrachtnemer] niet komen vast te staan. Hierbij weegt mee dat [opdrachtnemer] vooraf heeft aangegeven ongeveer 100 uur nodig te zullen hebben voor de afronding van haar werkzaamheden, terwijl deze uren ook zijn gedeclareerd en betaald. Dit duidt er niet op dat er nog (significante) andere werkzaamheden zijn verricht. 5.6. [opdrachtnemer] heeft, zoals hiervoor al overwogen, de overeenkomst opgesteld. Zij schreef bij e-mail van 6 december 2022 voor dergelijke opdrachten een uurtarief te hanteren van € 155,00 exclusief BTW, waarmee CDG akkoord is gegaan. [opdrachtnemer] heeft vanuit [eenmanszaak] facturen verzonden en BTW afgedragen. Overeenkomst 2 5.7. Onder overeenkomst 2 ging [opdrachtnemer] aan de slag als FG en Legal Councel. In de overeenkomst, die is opgesteld door [opdrachtnemer] , staat dat partijen uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdrach De volgende gezichtspunten kunnen van belang zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Overeenkomst 1 5.14. Uit de eerder vastgestelde rechten en verplichtingen blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Er is weliswaar sprake van het door [opdrachtnemer] uitvoeren van werkzaamheden tegen loon, maar een gezagsverhouding is onvoldoende onderbouwd. Alle stellingen van [opdrachtnemer] die hierop zien zijn gericht op werkzaamheden verricht onder overeenkomst 2 waardoor een gezagsverhouding in het kader van overeenkomst 1 niet is komen vast te staan. De kantonrechter gaat daarom uit van een overeenkomst van opdracht. Overeenkomst 2 5.15. Ook uit de vastgestelde rechten en verplichtingen van overeenkomst 2 blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dit omdat een gezagsverhouding ontbreekt op grond van hetgeen hierna wordt overwogen. 5.16. [opdrachtnemer] stond voordat zij voor CDG werkzaamheden ging verrichten al langere tijd ingeschreven in het handelsregister als zelfstandig ondernemer. Zij presenteerde zich naar buiten toe als zodanig. [opdrachtnemer] had ook nog twee andere opdrachtgevers waarvoor zij werkzaamheden verrichtte. [opdrachtnemer] gedroeg zich daarmee als commercieel ondernemer. 5.17. De overeenkomsten zijn opgesteld door [opdrachtnemer] . Zij heeft (na enig overleg) de voorwaarden en wijze van facturering grotendeels bepaald en haar algemene voorwaarden van toepassing verklaard. [opdrachtnemer] heeft facturen verzonden voor haar werkzaamheden en hierover btw afgedragen. Deze regie en wijze van totstandkoming duidt er eerder op dat sprake is van een overeenkomst van opdracht, dan een arbeidsovereenkomst. 5.18. Partijen zijn een loon overeengekomen van € 13.000,00 exclusief btw per maand op basis van een 24-urige werkweek. Dit komt ongeveer neer op een uurtarief van € 125,00 exclusief btw, wat geen ongebruikelijk uurtarief is voor een zelfstandig jurist. Een dergelijk loon is echter wel (zeer) hoog voor een jurist in loondienst. Dit blijkt ook wel uit de latere onderhandelingen die zijn gevoerd tussen CDG en [opdrachtnemer] , waarbij CDG niet bereid was dit loon te betalen indien [opdrachtnemer] in dienst zou komen op basis van een arbeidsovereenkomst. 5.19. [opdrachtnemer] was werkinhoudelijk vrij in de wijze waarop zij de werkzaamheden uitvoerde. Ze verrichtte de werkzaamheden zelfstandig en was daarbij niet gebonden aan richtlijnen van CDG. 5.20. [opdrachtnemer] had ook voor wat betreft de organisatorische wijze van uitvoering van het werk veel vrijheden. [opdrachtnemer] kon haar werkzaamheden zelf indelen en hoefde zich niet te houden aan door CDG bepaalde werkdagen of -tijden. Weliswaar werden ook afspraken voor haar ingepland door CDG, maar het stond haar vrij deze te verzetten (bijvoorbeeld omdat zij naar de mondhygiënist was) of om via Microsoft Teams aan te sluiten wanneer dit haar beter uitkwam. Ook was zij vrij haar werkzaamheden op locatie o Omdat daarmee is afgeweken van artikel 11 van de algemene voorwaarden waarin een betalingstermijn van 14 dagen is genoemd, wordt uitgegaan van de betalingstermijn van 30 dagen na ontvangst van de factuur. Opschorting 5.25. CDG beroept zich op opschorting van haar verplichting tot betaling van de factuur. Een schuldenaar is bevoegd om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten als hij een opeisbare tegenvordering heeft op de schuldeiser en tussen die vordering en de verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen (6:52 BW). 5.26. CDG legt aan de opschorting ten grondslag dat 1) [opdrachtnemer] haar verplichting tot overdracht van werkzaamheden en 2) haar verplichtingen uit de bruikleenovereenkomst niet is nagekomen. Hierop wordt hierna achtereenvolgens ingegaan. Overdracht werkzaamheden 5.27. Partijen zijn het erover eens dat een zorgvuldige overdracht van werkzaamheden onderdeel was van de overeenkomst tussen partijen. Het verweer van CDG dat er geen goede overdracht heeft plaatsgevonden, heeft [opdrachtnemer] betwist. [opdrachtnemer] stelt dat zij alle relevante documenten, zoals de door CDG genoemde benoemingen van leden van de Raad van Commissarissen, contracten, reglementen en Wtza-aanvragen, in een mapje “legal” met submapjes heeft gedaan. Daarnaast stelt [opdrachtnemer] dat zij de door haar opgestelde documentatie steeds gedeeld heeft met de betrokken intern verantwoordelijken via de gebruikelijke kanalen, zoals e-mail, Microsoft Teams en de digitale schrijfomgeving van CDG alsmede dat zij werkzaamheden en dossiers tijdens de opzegtermijn zorgvuldig heeft afgewikkeld. Na deze betwisting van [opdrachtnemer] had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van CDG gelegen om concreet te onderbouwen wat zij dan aan documenten miste en wat er niet goed is overgedragen aan lopende zaken. CDG heeft dat niet gedaan, waardoor een onzorgvuldige overdracht van werkzaamheden door [opdrachtnemer] niet is komen vast te staan. Laptop en tag 5.28. CDG stelt dat [opdrachtnemer] de laptop en tag ten onrechte niet heeft ingeleverd bij haar en dat zij daarom de verschuldigde loonbetaling mag opschorten. 5.29. De kantonrechter stelt vast dat in artikel 5.1 van de bruikleenovereenkomst specifiek is opgenomen dat de laptop en tag bij beëindiging van het dienstverband aan CDG dienen te worden geretourneerd bij gebreke waarvan een boete van € 50,00 per dag verschuldigd is. In de bruikleenovereenkomst is [opdrachtnemer] met haar persoonlijke naam genoemd en niet [eenmanszaak] . [opdrachtnemer] is in hoedanigheid van zzp’er en als privépersoon echter steeds dezelfde natuurlijke persoon met hetzelfde vermogen. Voorts is [opdrachtnemer] in de bruikleenovereenkomst aangeduid als interimmer waardoor duidelijk is dat zij deze overeenkomst namens haar eenmanszaak (bedrijfsmatig) heeft gesloten. Hierdoor is [opdrachtnemer] formeel en materieel dezelfde partij en gaat de kantonrechter uit van wederkerigheid van partijen, zoals vereist is voor opschorting. Partijen hebben na de opzegging van [opdrachtnemer] nog tot 30 augustus 2024 onderhandeld over verdere samenwerking, maar dat heeft niet geleid tot nieuwe afspraken. [opdrachtnemer] diende de laptop en tag daarom op grond van de bruikleenovereenkomst wegens opzegging uiterlijk op 1 september 2024 in te leveren bij CDG en vanaf die dag had CDG dan ook een opeisbare vordering op [opdrachtnemer] . 5.30. [opdrachtnemer] beroept zich ten aanzien van het niet inleveren van de laptop eveneens op opschorting. Zij stelt – kort samengevat – in dit kader allereerst dat niet van haar verlangd kon worden dat zij de laptop zou inleveren zonder de gelegenheid te hebben gehad haar persoonlijke gegevens hiervan te verwijderen. Zij had dit nog niet kunnen doen omdat zij na 1 september 2024 niet meer kon inloggen op het systeem van CDG. [opdrachtnemer] stelt dat CDG haar toegang, een tijdslot of technische ondersteuning had moeten bieden om de gegevens te wissen. 5.31. De kantonre De kantonrechter stelt voorop dat zij op de voet van artikel 6:94 lid 1 BW bevoegd is op verlangen van de schuldenaar, hier [opdrachtnemer] , een bedongen boete te matigen, maar slechts indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Deze maatstaf brengt met zich dat matiging alleen dan aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. 5.38. De boete is opgenomen in een bruikleenovereenkomst tussen twee partijen die handelen in de uitoefening van hun bedrijf. De inmiddels opgelopen boete staat in geen verhouding tot de werkelijke schade van € 400,00. Gelet op de voornoemde omstandigheden zal de kantonrechter de boete matigen tot € 3.000,00. Dit betekent dat CDG betaling van de factuur mocht opschorten voor een bedrag van € 3.000,00. Voorbij wordt daarmee gegaan aan het beroep van [opdrachtnemer] dat opschorting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verrekening 5.39. De vraag is dan of CDG de boete mocht verrekenen met de door haar verschuldigde factuur aan [opdrachtnemer] . De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is en gaat voorbij aan het verweer van [opdrachtnemer] dat sprake is van aangegane verbintenissen over en weer in verschillende hoedanigheid. Zoals eerder overwogen wordt [opdrachtnemer] als privépersoon en haar eenmanszaak beschouwd als dezelfde hoedanigheid. Na verrekening van CDG van de boete met de factuur, is CDG een bedrag van € 13.783,91 verschuldigd is. Dit bedrag is toewijsbaar. De wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW zal worden toegewezen vanaf 7 oktober 2024 over het factuurbedrag van € 16.783,91 verminderd met de door [opdrachtnemer] verschuldigde boete van € 50,00 per dag vanaf 1 september 2024 tot totaal € 3.000,00. 5.40. Wegens de voornoemde verrekening is de boete teniet gegaan, waardoor de in reconventie gevorderde boete zal worden afgewezen. Participatie 5.41. [opdrachtnemer] stelt dat CDG toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van artikel 7 van overeenkomst 2 omdat zij voor 1 januari 2024 het recht zou krijgen certificaten van aandelen te kopen in Stichting Administratiekantoor CDG Topco en dit een fatale termijn is. [opdrachtnemer] stelt dat CDG aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt door het niet in staat te zijn gesteld te participeren in het aandelenkapitaal van CDG. Als schade noemt [opdrachtnemer] het mislopen van de bonus, eventueel rendement en/of dividend over het verleden en de toekomst. 5.42. CDG betwist tekort geschoten te zijn in haar verplichtingen omdat er geen automatisch participatierecht is voor [opdrachtnemer] en voldaan moet worden aan voorwaarden, zoals inleg en het tekenen van de voorwaarden bij de STAK. Volgens CDG had [opdrachtnemer] geen € 50.000,00 beschikbaar om in te leggen voor januari 2024. Toen [opdrachtnemer] later aangaf over het geld te beschikken, heeft CDG haar alle relevante documenten gezonden, aldus CDG. 5.43. De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtnemer] niet onderbouwd heeft dat zij voor 1 januari 2024 de beschikking had over een bedrag van € 50.000,00 om daarmee certificaten van aandelen te verkrijgen. In een mail van [opdrachtnemer] van 23 mei 2024 (productie 14 CDG) deelt zij mede gebruik te willen maken van het aanbod om aandelen te kopen en daarnaast schrijft zij: “Voor de benodigde 50k heb ik inmiddels (onderstreping kantonrechter) een oplossing gevonden”. Het e-mailbericht is van latere datum dan 1 januari 2024 en onderbouwt niet dat zij voor 1 januari 2024 de beschikking had over het benodigde geld. Er lijkt veeleer uit te volgen dat zij daarover eerder niet beschikte. Gebleken is dat CDG na 1 januari 2024 heeft mee willen werken aan participatie door [opdrachtnemer] vordert dat CDG bevolen wordt om alle persoonsgegevens van [opdrachtnemer] van de laptop te verwijderen op grond van artikel 10 van de Grondwet en artikel 17 AVG. 5.49. CDG heeft aangegeven dat zij eventuele op de laptop aanwezige privégegevens van [opdrachtnemer] zal verwijderen, hoewel de AVG niet van toepassing is omdat [opdrachtnemer] gegevens op de laptop heeft geplaatst bij de uitoefening van een zuiver persoonlijke activiteit. Voor (persoons)gegevens waarvoor CDG wel verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG zou zijn, geldt volgens CDG dat zij die slechts kan verwijderen als zij daarmee niet in strijd handelt met de AVG of andere toepasselijke wet en regelgeving (zoals de fiscale bewaarplicht). 5.50. De kantonrechter zal de vordering toewijzen zoals in de beslissing is vermeld, omdat het onrechtmatig zou zijn wanneer CDG op de laptop aanwezige persoonlijke documenten en gegevens van [opdrachtnemer] zou bewaren. De vordering tot verstrekking van een kopie aan [opdrachtnemer] van verwijderde gegevens of opgave van de werkwijze van verwijdering zal worden afgewezen. Het door CDG verstrekken van een bevestiging aan [opdrachtnemer] dat de laptop vrij is gemaakt van alle persoonlijke gegevens van [opdrachtnemer] acht de kantonrechter hier voldoende. Hierbij weegt mee dat [opdrachtnemer] zelf het risico heeft genomen dat zij na 1 september 2024 niet meer bij privégegevens zou kunnen, zij na de beëindiging ook geen kordate actie heeft ondernemen ten aanzien van verwijdering van privégegevens op de laptop en niet heeft willen instemmen met het voorstel van CDG om onder toezicht van medewerkers van CDG weer toegang tot het interne CDG-netwerk te verkrijgen om op die manier haar privégegevens te verwijderen. Het voert te ver van CDG te verlangen een volledige opgave van haar werkwijze te verstrekken. Hier wordt geen rechtsgrond voor gezien. Gezien de toezegging van CDG dat zij tot verwijdering van de privégegevens van [opdrachtnemer] zal overgaan en de kantonrechter geen reden heeft om daaraan te twijfelen, zal de gevorderde dwangsom worden afgewezen. Advocaatkosten 5.51. [opdrachtnemer] vordert primair een bedrag van € 35.000,00 exclusief btw aan werkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten. [opdrachtnemer] legt daaraan ten grondslag dat sprake is van misbruik van procesrecht door CDG omdat zij op geen enkel moment inhoudelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de factuur, maar zich heeft beroepen op vorderingen die geen grondslag zouden vinden in het recht en dat gedaan is met het doel betaling te traineren en het proces nodeloos te rekken. Subsidiair vordert [opdrachtnemer] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (het Besluit) en proceskosten op grond van de wet. 5.52. CDG betwist dat sprake is van misbruik van procesrecht en voert aan dat geen sprake is van een situatie waarin zij opzettelijk stellingen inneemt die niet waar zijn. 5.53. Een vergoeding van de werkelijke buitengerechtelijke en werkelijke proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is sprake als het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als gedaagde zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. 5.54. De kantonrechter is van oordeel dat hier geen sprake is van een situatie van ongegrond gevoerd verweer door CDG en dus geen sprake is van een situatie van misbruik v