Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-06
ECLI:NL:RBZWB:2026:682
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,038 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:682 text/xml public 2026-02-13T16:31:59 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-06 BRE 24/4605 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021315 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:682 text/html public 2026-02-13T08:54:49 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:682 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-02-2026 / BRE 24/4605 Navorderingsaanslag IB/PVV, nieuw feit, omkering en verzwaring van de bewijslast, redelijke schatting, beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/4605 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 april 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 181.973 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 94.075. 1.2. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking € 5.754 belastingrente en € 1.355 revisierente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende en zijn gemachtigde waren niet aanwezig. Gemachtigde heeft zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag en de beschikkingen voor de belasting- en revisierente terecht en naar de juist hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslag en de beschikkingen voor de belasting- en revisierente terecht en naar de juiste hoogten opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende woont in 2017 in een woning met schuur aan de [adres] . De hooischuur bij de woning is in 2005 verbouwd tot kantoorruimte en ter beschikking gesteld aan [B.V.] , waarvan belanghebbende enig aandeelhouder is. 4.1. Bij aanvang van de terbeschikkingstelling in 2006 heeft belanghebbende de inbrengwaarde vastgesteld op € 184.450. Belanghebbende heeft een afschrijvingspercentage van 2,5% gehanteerd en over de periode van de terbeschikkingstelling van 12 jaar een afschrijving van € 55.553 in aanmerking genomen. De inspecteur heeft de inbrengwaarde op grond van de foutenleer gecorrigeerd naar € 50.000 omdat de terbeschikkingstelling is aangevangen voor de verbouwing van de hooischuur (waarvan de kosten voor rekening zijn gekomen van de B.V. en geactiveerd als huurdersinvestering). Belanghebbende heeft deze inbrengwaarde niet betwist. De inspecteur heeft de afschrijving berekend op de inbrengwaarde van € 50.000 en de afschrijving verlaagd tot € 15.000. 4.2. Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV 2017 binnen de in de aanmaning daartoe gestelde termijn ingediend. De inspecteur heeft ambtshalve een aanslag IB/PVV 2017 opgelegd. 4.3. Na het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2017 heeft belanghebbende alsnog een aangifte IB/PVV 2017 ingediend. De inspecteur is door deze aangifte bekend geworden met het feit dat de terbeschikkingstelling van de hooischuur aan de B.V. van belanghebbende met ingang van 1 augustus 2017 was beëindigd. Vanwege de sfeerovergang van Box 1 naar Box 3 heeft de inspecteur een terbeschikkingstellingsresultaat vastgesteld en op basis daarvan een navorderingsaanslag IB/PVV 2017 opgelegd. 4.4. In het taxatierapport van de schuur, dat in opdracht van de inspecteur is opgemaakt door een taxateur van de Belastingdienst, is de waarde van de hooischuur bij beëindiging van de terbeschikkingstelling vastgesteld op € 199.000. 4.5. De inspecteur heeft het terbeschikkingstellingsresultaat als volgt berekend: Terbeschikkingstellingsresultaat conform aangifte € 0 Bij: Vervreemdingsresultaat € 164.000 Bij: Correctie op afschrijvingen € 40.553 € 204.553 Af: Hypotheekrente, deel tbs (7/12-deel) € 583 € 9.981 (jaarrente) * 10% (tbs-deel) * (7/12) € 203.970 Af: Terbeschikkingstellingsvrijstelling ( 12%) € 24.477 Belastbaar terbeschikkingstellingsresultaat € 179.493 Motivering Is sprake van een nieuw feit waardoor navorderen mogelijk is? 5. Belanghebbende stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat geen sprake is van een nieuw feit en dat navorderen daardoor niet mogelijk is. 5.1. De inspecteur kan te weinig geheven belasting navorderen, wanneer enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag op een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Dit is alleen anders wanneer sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige. Daarnaast mogen er nog geen vijf jaren verlopen zijn na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur. 5.2. De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat sprake is van een nieuw feit omdat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de ambtshalve primitieve aanslag IB/PVV 2017 niet bekend was met het feit dat de ter beschikkingstelling van de hooischuur was beëindigd. Ter zitting heeft de inspecteur toegelicht dat belanghebbende na het opleggen van de ambtshalve primitieve aanslag alsnog een aangifte IB/PVV 2017 heeft ingediend. Eerst uit die aangifte kon de inspecteur afleiden dat de ter beschikkingstelling was beëindigd. Belanghebbende betwist dat sprake is van een nieuw feit maar heeft zijn standpunt niet gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Omkering en verzwaring van de bewijslast 6. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgrond over de omkering en verzwaring van de bewijslast reeds beoordeeld is door de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch . De rechtbank en het gerechtshof hebben uitspraak gedaan in de zaak omtrent de primitieve aanslag IB/PVV 2017 van belanghebbende. De rechtbank concludeert dat het feitencomplex in deze zaak en de zaak in de procedure van de voornoemde uitspraken gelijkluidend is. Belanghebbende heeft dezelfde beroepsgrond ingebracht en deze in de onderhavige procedure niet nader gemotiveerd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om anders te beslissen dan zij en het gerechtshof eerder hebben gedaan. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Redelijke schatting 7. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 onjuist is. 7.1. De inspecteur heeft het terbeschikkingstellingsresultaat (zie 4.5) berekend op basis van het opgemaakte taxatierapport (zie 4.4) en de inbrengwaarde en afschrijvingen die volgen uit de aangiften IB/PVV van belanghebbende over eerdere jaren. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur hiermee in redelijkheid gekomen tot de vaststelling van het terbeschikkingstellingsresultaat van € 179.493. 7.2. Belanghebbende dient te doen blijken dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft gesteld dat het terbeschikkingstellingsresultaat vastgesteld dient te worden op € 12.760, dan wel € 19.528, dan wel € 22.176 of een gemiddelde van deze drie bedragen. Belanghebbende heeft niet gemotiveerd hoe hij deze bedragen heeft berekend.