Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-08
ECLI:NL:RBZWB:2026:6794
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/447052 / JE RK 26-641 Zaaknummer: C/02/445765 / JE RK 26-390 Zaaknummer: C/02/445634 / JE RK 26-360 Zaaknummer: C/02/446586 / FA RK 26-1631 Datum uitspraak: 8 juli 2026 Beschikking van de meervoudige kamer over vervanging GI, bekrachtiging c.q. vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing en informele rechtsingang in de zaken met kenmerk C/02/447052 / JE RK 26-641 en C/02/445634 / JE RK 26-360 van [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E. Sijnesael uit Middelburg, en in de zaak met kenmerk C/02/445765 / JE RK 26-390 van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen de GI, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] . De rechtbank merkt naast verzoekers in de voornoemde procedures als belanghebbende aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , alsmede op het verzoek met kenmerk C/02/446586 / FA RK 26-1631 van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend en gehoord: RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT , locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad. 1 Het verloop van de procedures C/02/445634 / JE RK 26-360 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026; - de brief van mr. Sijnesael d.d. 27 mei 2026 met bijlagen. C/02/445765 / JE RK 26-390 1.2. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 maart 2026; het bericht van de GI van 4 mei 2026 met bijlagen; de brief van mr. Sijnesael d.d. 27 mei 2026 met bijlagen. C/02/447052 / JE RK 26-641 1.3. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026; de brief van mr. Sijnesael d.d. 27 mei 2026 met bijlagen. C/02/446586 / FA RK 26-1631 1.4. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de brief van [minderjarige 1] d.d. 24 maart 2026. 1.5. De voornoemde procedures zijn gelijktijdig met het verzoek van de GI strekkende tot de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] (zaaknr. C/02/448085 / JE RK 26-816 ) door de meervoudige kamer van deze rechtbank ter zitting van 1 juni 2026 behandeld. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat; de vader; een tweetal vertegenwoordigsters van de GI - een vertegenwoordiger van de Raad. De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering is als informant uitgenodigd voor de zitting, maar is niet verschenen. 1.6. De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft naar aanleiding van de brief die zij heeft geschreven aan de rechtbank ( C/02/446586 / FA RK 26-1631 ) op 14 april 2026 gesproken met de kinderrechter. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter op 26 mei 2026 [minderjarige 1] een brief teruggestuurd. Op 28 mei 2026 heeft [minderjarige 1] opnieuw een brief gestuurd. [minderjarige 2] heeft op 28 mei 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft deze kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft geschreven en verteld en wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.7. Ten aanzien van het verzoek van de GI strekkende tot de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] heeft de rechtbank op 22 juni 2026 een separate beschikking gegeven. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en Ten aanzien van [minderjarige 1] stelt de moeder dat zij er alles aan doet om [minderjarige 1] te stimuleren om gesprekken met de hulpverlening aan te gaan. Tevens bereidt zij [minderjarige 1] hier goed op voor. Dit heeft ervoor gezorgd dat [minderjarige 1] alle geplande gesprekken met de GI is aangegaan, op één na, wat te maken had met een misgelopen contact met de vader en het abrupt eindigen van de hulp vanuit [jeugdzorginstelling] door de GI. [minderjarige 1] laat inmiddels prille vooruitgang zien. Het lukt [minderjarige 1] om met ondersteuning van [zorginstelling 1] naar het [school] te gaan. Dit wordt zeer laagdrempelig ingezet en zal na acht keer worden geëvalueerd. De eerste keren is dit goed verlopen, de laatste keer heeft [minderjarige 1] moeten overgeven door oplopende spanningen en de keer erna is zij niet gegaan. Het is belangrijk dat er een passende vorm van onderwijs gevonden wordt voor [minderjarige 1] , die rekening houdt met wat zij aankan. De kindeigen problematiek van [minderjarige 1] maakt het complex. De moeder weigert om stappen onder dwang met [minderjarige 1] te zetten, want dit komt de angststoornis van [minderjarige 1] niet ten goede en daarmee wordt [minderjarige 1] overvraagd. Gelukkig zullen de diagnostisch onderzoeken ten aanzien van beide kinderen eindelijk eerdaags starten, zodat er meer zicht komt op de problemen die zij ervaren en hun behoeften. Gelet op de zorgen die er rondom beide kinderen zijn, beseft de moeder dat het niet realistisch is om opheffing van de ondertoezichtstelling te verzoeken. Het gezin heeft de hulp die geboden wordt nodig. Zij trekt dit verzoek dan ook in. Wel handhaaft zij haar verzoek om de huidige GI te vervangen. De moeder vindt dat er in de afgelopen jaren te weinig stappen zijn gezet. De tegengestelde visies van de GI en de moeder zijn hierin niet helpend. De moeder ervaart geen enkele vorm van samenwerking en de bemiddelingsgesprekken hebben niet geleid tot verbetering. Het is in het belang van de kinderen dat er een GI komt die ook aandacht heeft voor de problematiek van de kinderen. De wachtlijstproblematiek bij een andere GI moet hiervoor geen belemmering vormen, nu de hulpverlening die is ingezet in de komende periode gewoon kan doorlopen. 4.2. Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing vindt de moeder dat er te veel van haar wordt verwacht. De GI legt hiermee (te) veel druk op de moeder. De moeder werkt mee aan de hulpverlening, doet haar uiterste best om de kinderen te stimuleren voor school en in het contact met de vader en de GI. Helaas houdt de GI geen rekening met de gezondheidsproblemen van de moeder, waardoor zij soms uitvalt en genoodzaakt is om een afspraak af te zeggen. Daarbij heeft de moeder er veel moeite mee dat de GI moet gaan toetsen of zij de aanwijzing voldoende naleeft, voor zover dit al te toetsen is. Een GI waarmee de moeder een slechte verstandhouding kent. De GI verwijt de moeder dat zij de hulpverlening niet dichtbij laat komen. Dit concludeert zij op basis van de gesprekken die de moeder heeft met de systeemtherapeut, die erg diep is ingegaan op het verleden van de moeder. Hier worden dan vervolgens onterecht allerlei patronen en voorwaarden aan gekoppeld. De moeder is dan ook van mening dat de schriftelijke aanwijzing vervallen moet worden verklaard. Daarbij verzoekt zij de rechtbank om haar geen dwangsom op te leggen ter nakoming van die aanwijzing, nu zij net boven bijstandsniveau leeft en dus beperkte financiële middelen heeft. 4.3 Tot slot vraagt de moeder aandacht voor haar contact met [minderjarige 2] . Zij woont inmiddels al een tijdje bij haar vader en de GI heeft nog altijd geen plan opgesteld voor het opstarten van een gestructureerd contact. Standpunt van de GI 4.4. De GI erkent dat de samenwerking met de moeder stroef verloopt, ondanks de meerdere bemiddelingsgesprekken die in de afgelopen periode zijn ingezet. De GI verwacht niet dat het overdragen van de ondertoezichtstelling naar een andere GI helpend gaat zijn. De h Hij merkt dat zij steeds meer tot rust komt en positief verandert. De vader is inmiddels van baan veranderd om zodoende meer beschikbaar voor zijn kinderen te zijn en een betere invulling te kunnen geven aan zijn zorgtaken. Hoewel [minderjarige 2] school een hel vindt, probeert de vader haar hier toch voor te motiveren. Met school zijn inmiddels goede afspraken gemaakt voor als [minderjarige 2] het gevoel heeft gepest te worden. De vader heeft ook aandacht voor het zelfbeschadigende gedrag van [minderjarige 2] . Dit gebeurt bij oplopende spanningen, zoals met Moederdag toen zij een cadeautje voor moeder had gemaakt. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige 2] ook haar moeder ziet. Het contact met [minderjarige 1] laat hij aan [minderjarige 1] over. Hij wil namelijk niet nog meer druk op haar leggen. De vader is het niet eens met het verzoek van de moeder om de huidige GI te vervangen. Hij ervaart een goede samenwerking met deze GI. De vader deelt de visie van de Raad. Vervanging van de GI zal ertoe leiden dat alles weer van voor af aan begint en veel vertraging zal opleveren. Tevens dient de hulpverlening opnieuw te worden aangevraagd. Advies van de Raad 4.7. De Raad stelt vast dat het verzoek tot het opheffen van de ondertoezichtstelling is ingetrokken, waardoor een inhoudelijk advies op dit punt niet meer nodig is. Ten aanzien van het verzoek tot het vervangen van de GI concludeert de Raad dat de GI voornamelijk inzet op de systeemproblematiek, terwijl de moeder vindt dat de focus vooral moet liggen op de kindeigen problematiek. Dit verschil in visie zorgt voor de moeizame samenwerking. De Raad betwijfelt of een overdracht naar een andere GI de situatie voor de kinderen gaat verbeteren. Het risico bestaat dat het visieverschil tussen de GI en de moeder behouden blijft op het moment dat er een andere GI betrokken wordt. Daarbij komt dat er vanuit de huidige GI twee jeugdbeschermers inmiddels langdurig bij het gezin zijn betrokken. Op het moment dat de casus wordt overgedragen naar een andere GI gaat hiermee veel kennis verloren. De Raad vraagt zich daarom af of vervanging van de GI in het belang van de kinderen is, ook omdat niet bekend is of een andere GI direct kan starten. 4.8. Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing stelt de Raad vast dat er in deze aanwijzing meerdere zaken van de moeder verlangd worden die volgens de Raad moeilijk te toetsen zijn. De Raad begrijpt aan de hand van de ter zitting verkregen informatie dat in de voorgaande periode een aantal afspraken met de GI niet zijn doorgegaan, maar dat inmiddels deze afspraken wel beter verlopen. Ook heeft het lang geduurd voordat een volgend bemiddelingsgesprek heeft kunnen plaatsvinden. Om de voortgang zeker te stellen adviseert de Raad om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. De Raad betwijfelt of het opleggen van een dwangsom aan de moeder ter nakoming van de aanwijzing passend is, want dit kan ervoor zorgen dat de samenwerking tussen de GI en de moeder nog meer onder druk komt te staan. 4.9. Tot slot vraagt de Raad aandacht voor het contact tussen [minderjarige 1] en de vader, alsook het negatieve beeld wat zij van hem heeft. Het contact kan op dit moment niet bij [minderjarige 1] worden afgedwongen, maar er kan wel gezocht worden naar mogelijkheden waardoor [minderjarige 1] dit beeld kan gaan bijstellen. Mening [minderjarige 1] 4.10. Omdat [minderjarige 1] in april jl. al een gesprek met de rechter heeft gevoerd in het kader van de informele rechtsingang heeft zij dit keer ervoor gekozen om niet naar de rechtbank te komen maar om haar mening in een brief aan de rechter te schrijven. In het eerdere gesprek met de rechter heeft [minderjarige 1] verteld dat zij zich niet gehoord en gezien voelt door haar vader. Zij voelt geen oprechte interesse vanuit hem, want volgens haar volgt de vader alleen de instructies van de GI op. [minderjarige 1] wil niet gepusht worden in het contact met vader. Zij wil alleen contact wanneer zij daar aan toe is. [minde De GI heeft de moeder op 11 februari 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven en het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing is op 24 februari 2026 door de rechtbank ontvangen. Dit betekent dat het verzoek binnen de hiervoor gestelde termijn van twee weken is ingediend. De rechtbank zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek. Ook de GI zal worden ontvangen in haar verzoek. 5.7. In de schriftelijke aanwijzing wordt van de moeder verlangd dat zij zal meewerken aan de in de daarin opgesomde specifieke onderdelen, te weten: de inzet van [zorginstelling 1] en de systeemtherapie, het contact tussen [minderjarige 1] en de vader, de schoolgang van [minderjarige 1] en de afspraken met de GI. De GI merkt dat de moeder voor vertraging zorgt als het gaat om de afspraken met de hulpverlening en waardoor niet voldoende gewerkt kan worden aan de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn gesteld. De GI verwacht van de moeder intrinsieke motivatie en emotionele betrokkenheid. In de onderbouwing van de schriftelijke aanwijzing staat vermeld dat de moeder zich negatief uitlaat over de vader en dat het voor de GI niet mogelijk is om de ontwikkeling en het perspectief van [minderjarige 1] zelfstandig te toetsen, aangezien het zeer lastig is gebleken om [minderjarige 1] in persoon te spreken. Door de GI wordt het onderzoek bij [zorginstelling 1] als ook de systeemtherapie essentieel geacht om de ontwikkelingsbedreigingen voor de kinderen weg te nemen en om uitvoering te geven aan de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling. Begin van dit jaar is door de GI getracht om het contact tussen [minderjarige 1] en de vader opnieuw vorm te geven. De vader heeft een laagdrempelig plan met [minderjarige 1] gedeeld, deze afspraken zijn echter niet nagekomen. [minderjarige 1] heeft een zeer negatief beeld van haar vader en staat op dit moment niet open voor contact, hetgeen een zeer zorgelijke ontwikkeling is. Tevens heeft [persoon] , de broer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zijn zorgen gedeeld met de GI over de (negatieve) invloed van de moeder op de kinderen. Deze zorgen bevestigen volgens de GI de eerdere waarnemingen en onderstrepen de noodzaak tot verandering. 5.8. De rechtbank concludeert uit de onderbouwing van de schriftelijke aanwijzing dat de GI met het geven van een schriftelijke aanwijzing vooral een andere grondhouding c.q. opstelling van de moeder tracht te bewerkstelligen. Gezien het zeer moeizame verloop van de ondertoezichtstelling in het afgelopen jaar waarbij de GI onvoldoende stappen heeft kunnen zetten in het belang van de ontwikkeling van de kinderen, kan de rechtbank dit uitgangspunt van de GI wel volgen, maar acht daarentegen de schriftelijke aanwijzing niet op alle daarin genoemde onderdelen het geëigende middel om dit doel te bereiken. Naar het oordeel van de rechtbank is de schriftelijke aanwijzing op diverse punten namelijk onvoldoende doelmatig en niet toetsbaar. Hoewel de GI vindt dat de moeder meer intrinsieke motivatie moet laten zien, zich meer moet openstellen naar de hulpverlening en de kinderen meer moet stimuleren, zegt de moeder binnen haar mogelijkheden er alles eraan te doen om de situatie van de kinderen te verbeteren en daarbij de kinderen wel degelijk te stimuleren in de stappen die in hun belang worden geacht. De inspanningsverplichting die de moeder wordt opgelegd en de mate waarin de moeder aan deze verplichting voldoet, kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd en is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet feitelijk verifieerbaar en toetsbaar. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit de volgende punten van de schriftelijke aanwijzing: U bent bereid om deel te nemen aan de therapie(sessies); U stelt zich open en constructief op tijdens het traject; U stimuleert [minderjarige 1] neutraal tot positief om contact aan te gaan met haar vader; U zet zich in om stap voor stap toe te werken naar onderwijsdeelname. De rech 5.12 [minderjarige 1] heeft op 24 maart 2026 een brief aan de kinderrechter geschreven, waarin zij kort samengevat aangeeft dat zij zich niet begrepen voelt door haar vader en dat zij niet langer gedwongen wil worden om naar haar vader te gaan. Zij wil dit zelf kunnen beslissen wanneer zij daar aan toe is. Daarnaast wil zij dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd. [minderjarige 1] voelt zich ook door de jeugdbeschermer niet begrepen en heeft het gevoel dat de ondertoezichtstelling voor haar niet helpend is. De kinderrechter heeft hierover op 14 april 2026 met [minderjarige 1] gesproken en naar aanleiding hiervan haar op 26 mei 2026 een brief geschreven, waarin de kinderrechter uitlegt dat zij geen beslissing kan nemen ten aanzien van de vraag van [minderjarige 1] om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Zo’n verzoek mag een kind volgens de wet namelijk niet doen. De kinderrechter heeft in haar brief wel aangekondigd dat zij met de ouders en de jeugdbeschermer zal gaan praten over het contact van [minderjarige 1] met haar vader. Voorafgaand aan dit gesprek heeft de kinderrechter opnieuw een brief van [minderjarige 1] ontvangen. 5.13 De rechtbank stelt vast dat bij beschikking van 3 december 2024 ten aanzien van [minderjarige 1] de zorgregeling in handen van de GI is gelegd. Op basis van deze zorgregeling is het aan de jeugdbeschermer om het contact tussen [minderjarige 1] en de vader vorm te geven. De ouders zijn het erover eens - net als ten tijde van de beslissing in 2024 - dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is om het contact met de vader af te dwingen. De vader heeft dit ook expliciet bevestigd tijdens de zitting van 1 juni 2026 en daarbij aangegeven het (al dan niet aangaan van) contact aan [minderjarige 1] over te laten. De zorgregeling uit 2024, die nog steeds van kracht is, sluit dus aan bij de wens van [minderjarige 1] en behoeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen wijziging. De rechtbank neemt daarom geen ambtshalve beslissing op de (aan)vraag van [minderjarige 1] , waarmee deze procedure zal eindigen. De rechtbank merkt daarbij nog het navolgende op. Het is belangrijk voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige 1] dat zij op termijn enige vorm van een betekenisvol contact met haar vader kan hebben en dat zij een eigen (positief) vaderbeeld kan ontwikkelen. De rechtbank gunt [minderjarige 1] daarom een positief contact met haar vader. Van de GI wordt dan ook verwacht dat zij oog houdt voor de ruimte die [minderjarige 1] hiervoor ervaart en wellicht verder gaat ervaren in de toekomst en hiernaar zal handelen. 5.14 Omdat deze beslissing bij uitstek [minderjarige 1] zelf raakt, en omdat zij daarover middels een brief een verzoek bij de kinderrechter heeft gedaan, vindt de rechtbank het belangrijk dat [minderjarige 1] zelf ook een terugkoppeling krijgt van de beslissing van de rechtbank. Daarom zal in een aparte brief aan [minderjarige 1] worden uitgelegd wat de beslissing is. De rechtbank vindt het belangrijk dat beide ouders op de hoogte zijn van de inhoud van de brief. Daarom wordt hieronder de tekst van de brief weergegeven: “Beste [minderjarige 1] , Op 26 maart 2026 heb je de rechter een brief gestuurd. In die brief vraag jij of de rechter de ondertoezichtstelling wil beëindigen en leg je uit dat je niet gedwongen wil worden in het contact met je vader. Op 14 april 2026 heb jij gepraat met de rechter over die brief. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de rechter jou een brief gestuurd waarin uitgelegd wordt dat zij niet kan beslissen op jouw verzoek om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Een kind mag dit namelijk volgens de wet niet vragen. De rechter heeft toen ook aangegeven dat zij met jouw ouders en de jeugdbeschermer zou gaan praten over jouw vraag over het contact met je vader. Dit gesprek is inmiddels geweest. De rechter heeft ook jouw nieuwe brief nog gelezen, waarin jij vertelt hoe het met je gaat. Je ouders hebben mij allebei verteld dat het contact van jou met je vade