Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:6792
afwijzing van de aanvraag voor een vervoersvoorziening RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2120 WIA uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. B. Çiçek), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de aanvraag heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Eiser heeft op 3 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een vervoersvoorziening. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 29 oktober 2024 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Het UWV heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. Hierin stelt het UWV met een gewijzigde motivering dat de aanvraag terecht is geweigerd. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het UWV via een digitale beeldverbinding [gemachtigde] . 2.4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, zodat partijen met elkaar in overleg konden treden over de stukken die eiser dient aan te leveren om zijn standpunt te onderbouwen dat hij – als een vervoersvoorziening wordt toegekend – ten minste eenmaal per week, althans veertig dagen of meer per kalenderjaar pleegt te reizen tussen zijn woning en de plaatsen waar hij als tolk op locatie werkzaamheden verricht. De gemachtigde van eiser heeft op 27 mei 2026 de rechtbank bericht dat partijen er onderling niet uitgekomen zijn, onder bijvoeging van de per e-mail tussen partijen gevoerde correspondentie en de stukken die eiser daarbij aan het UWV heeft toegezonden, met het verzoek om alsnog uitspraak te doen. Op 24 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank De totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser ontving in het verleden een vervoersvoorziening in de vorm van een vergoeding voor taxikosten van en naar zijn opleiding en vervolgens van en naar zijn werk. Met een besluit van 23 april 2024 is deze laatste vergoeding per 1 juni 2024 beëindigd, omdat het dienstverband vanaf die datum is beëindigd. 4. Op 3 oktober 2024 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend om een vervoersvoorziening te ontvangen, ditmaal als zelfstandig ondernemer. Hij werkt als tolk via een bemiddelingsbureau, [bemiddelingsbureau] , op ZZP-basis. Het UWV heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen, omdat het niet bevoegd zou zijn om een vervoersvoorziening te verstrekken voor het maken van dienstreizen. In de beslissing op bezwaar heeft het UWV dat standpunt herhaald. 5. In het verweerschrift (in beroep) heeft het UWV de motivering gewijzigd. Ter zitting heeft het UWV desgevraagd bevestigd dat daarmee het eerder ingenomen standpunt is verlaten. Niettemin blijft het UWV bij de afwijzing en voert daartoe aan dat eiser een vervoersvoorziening aanvraagt om eventuele toekomstige opdrachten te kunnen accepteren en dat daaruit volgt dat (nog) geen sprake is van ten minste eenmaal per week reizen tussen de woning en de plaats van werkzaamheden. Eiser voldoet daarom volgens het UWV niet aan de voorwaarden voor woon-werkwerkverkeer van zelfstandigen. Het standpunt van eiser 6. Eiser stelt dat hij zijn capaciteiten wil inzetten, ondanks dat hij blind is, zodat hij een vorm van dagbesteding heeft. Hij doet dit als tolk in de Arabische taal, onder andere bij rechtbanken. 7. Verder voert eiser onder verwijzing naar jurisprudentie aan dat het niet uit zou hoeven te maken of hij zijn werkzaamheden als tolk in loondienst uitoefent of als zelfstandige.. 8. Daarnaast stelt eiser dat hij door de afwijzing zijn werkzaamheden niet op gelijke voet met niet-gehandicapten kan uitoefenen, waardoor de afwijzing in strijd is met artikel 27 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. 9. Tot slot voert eiser aan dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule. Het UWV heeft onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden van eiser. Het UWV zou juist blij moeten zijn dat eiser een zinvolle invulling aan zijn leven probeert te geven door als tolk te werken en daardoor minder aanspraak hoeft te maken op een uitkering. Het beleid van het UWV is er immers op gericht om mensen met een handicap actief te laten participeren in de maatschappij. Gelet op het algemeen bekende tekort aan tolken in Nederland kan zelfs gesteld worden dat het in het algemeen belang is dat eiser zijn werkzaamheden ongehinderd kan uitvoeren. Artikel 6:22 van de Awb 10. Het UWV heeft ter zitting erkend dat de motivering in het bestreden besluit niet juist is. Dit gebrek kan met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd. Eiser is namelijk niet door het motiveringsgebrek benadeeld, omdat ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Bovendien is het verweerschrift – met de gewijzigde motivering – al op 13 oktober 2025 doorgestuurd aan eisers gemachtigde en heeft eiser ook na de behandeling op zitting nog(maals) de gelegenheid gehad om stukken aan te leveren waaruit volgt dat hij wel voldoet aan de daarin genoemde voorwaarden. Heeft het UWV de vervoersvoorziening terecht afgewezen? 11. De door eiser aangevraagde vervoersvoorziening strekt ertoe dat hij als zelfstandige zijn werkplek kan bereiken. De grondslag hiervoor staat in artikel 34a van de WIA en artikel 13, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit. Bij de uitleg van het begrip werkplek wordt aansluiting gezocht bij het beoordelingskader van artikel 3.87 Wet IB 2001 dat de Belastingdienst hanteert voor reisaftrek woon-werkverkeer van zelfstandigen. Hiervoor moet sprake zijn van ten minste eenmaal per week, althans veertig dagen of meer per kalenderjaar plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden, waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd. 12. Het is dus aan eiser om aan te tonen dat hij ten minste eenmaal per week, althans veertig dagen per kalenderjaar pleegt te reizen tussen zijn woning en de plaatsen waar hij als tolk op locatie werkzaamheden verricht. Eiser is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om dit, na de zitting, alsnog nader te onderbouwen. Eiser heeft in dat kader een dertigtal e-mails overgelegd van [bemiddelingsbureau] , waarin hij wordt geattendeerd op een tolkdienst. Gelet op de verklaring van eiser ter zitting worden dergelijke e-mails verzonden aan alle aangesloten zzp’ers onder het principe: Wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Het gaat dus niet om opdrachten die specifiek aan eiser zijn of hadden kunnen worden toegewezen. De e-mails bevatten bovendien zeer summiere informatie. Zo staat er geen informatie in over het type en de aard van de opdracht, met name ook niet of sprake is van een telefonische tolkopdracht of een opdracht op locatie en, in dat laatste geval, waar er dan getolkt zou moeten worden. De e-mails bevatten weliswaar een link waar waarschijnlijk meer informatie te vinden is, maar eiser heeft nagelaten om die (nadere) informatie te overleggen. Op basis van de stukken waarover de rechtbank beschikt kan dus niet worden vastgesteld dat eiser voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening. Is de afwijzing van de aanvraag in strijd met het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap? 13. Op grond van artikel 27 van het verdrag dient de staat te waarborgen dat een gehandicapte op voet van gelijkheid met anderen zijn arbeids- en vakbondsrechten kan uitoefenen. Deze verplichting gaat echter niet zover dat de staat alle kosten die gepaard gaan met het kunnen uitoefenen van deze rechten onbeperkt dient te vergoeden. 14. In dit geval bestaat er wel een mogelijkheid voor vergoeding. Zoals besproken in de overwegingen 12 en 13 heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij aan de voorwaarden daarvoor voldoet. Daarnaast heeft eiser zijn stelling niet nader gemotiveerd dan wel onderbouwd. De afwijzing is naar het oordeel van de rechtbank dus niet in strijd met het verdrag. Hardheidsclausule en evenredigheidsbeginsel 15. Het beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin, aangezien artikel 34a van de WIA en artikel 13, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit geen hardheidsclausule bevatten en eiser niet heeft onderbouwd dat hij onevenredig hard wordt getroffen door de bestreden besluitvorming. Conclusie en gevolgen 16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast moet het UWV het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, voorzitter, en mr. I.M. Josten en mr. R.J.H. van der Linden, leden, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier op 23 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Artikel 34a van de wet WIA Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan het UWV op aanvraag van de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, in het kader van de bevordering van de inschakeling in en ondersteuning bij de arbeid als zelfstandige, voorzieningen kan verstrekken. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstrekt in verband met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking die het gevolg is van een ziekte of handicap die: bij de aanvang van de arbeid als zelfstandige aanwezig was, of binnen drie jaar na de aanvang van de arbeid als zelfstandige is ontstaan, indien bij de aanvang van de arbeid als zelfstandige reeds een ziekte of handicap aanwezig was. 3. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden niet verstrekt of worden beëindigd indien het inkomen van de persoon die arbeid als zelfstandige verricht, na een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal kalenderjaren na de aanvang van de arbeid als zelfstandige, meer bedraagt dan een bij die maatregel vast te stellen bedrag. Bij of krachtens die maatregel wordt tevens bepaald wat onder inkomen als bedoeld in de eerste zin wordt verstaan. 4. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt, in afwijking van artikel 1, verstaan onder zelfstandige: de persoon die, anders dan in dienstbetrekking, arbeid in eigen bedrijf verricht of een beroep uitoefent, teneinde daarmee inkomen te verwerven. 5. Dit artikel is niet van toepassing op de persoon: die recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten; voor zover voor diens ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet het college van burgemeester en wethouders zorg draagt of onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de arbeid als zelfstandige zorg droeg tot het moment dat het inkomen uit die arbeid gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt. Artikel 13, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit 1. Het UWV kan op aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, van de Wet WIA, en artikel 2:23, eerste lid, van de Wajong vervoersvoorzieningen verlenen die ertoe strekken dat die persoon zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken. Artikel 3:87 Wet inkomstenbelasting 2001 1. De reisaftrek geldt bij ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd en wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand , voor zover dat vervoer niet vanwege de inhoudingsplichtige plaatsvindt. 8. Voor de toepassing van het eerste lid pleegt de belastingplichtige in ieder geval ten minste eenmaal per week te reizen indien hij in het kalenderjaar op 40 dagen of meer van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3355.