Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:6377
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer / rekestnummer: 12098596 \ AZ VERZ 26-16 Beschikking van 9 juli 2026 in de zaak van DE STAAT DER NEDERLANDEN , Namens deze de Minister van Justitie, vertegenwoordigd door de algemeen directeur van de Dienst Justitiële Inrichtingen, Rijks Justitiële Jeugdinrichting [locatie 1] , te [plaats 1] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: DJI, gemachtigde: mr. M.E.L.U. Janssen, tegen [de werknemer] , te [plaats 2] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [de werknemer] , gemachtigde: mr. M.P.W. Steuten. 1 De zaak in het kort 1.1. DJI verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] . DJI voert aan dat er sprake is van verwijtbaar handelen van [de werknemer] of van een verstoorde arbeidsverhouding, die maken dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen. [de werknemer] heeft volgens DJI niet gepast geweld gebruikt tegen een jeugdige gedetineerde en niet de waarheid gesproken over zijn handelen. [de werknemer] voert verweer en stelt tegenverzoeken in. 1.2. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek af nu er geen redelijke grond voor ontbinding is. De tegenverzoeken tot wedertewerkstelling en het plaatsen van een rectificatie worden toegewezen. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van 12 februari 2026 met producties 1 tot en met 19, het verweerschrift met producties 1 tot en met 11, met tegenverzoeken, de op 11 juni 2026 nagezonden productie 12 van [de werknemer] , de op 12 juni 2026 door DJI nagezonden ‘handreiking bij onderbezetting’, de op 12 juni 2026 door DJI nagezonden contactmomenten tussen de inrichting en [de werknemer] , de mondelinge behandeling van 15 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, de spreekaantekeningen van de gemachtigden van beide partijen, zoals die tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgelezen. 2.2. Tijdens de mondelinge behandeling is ook het ontbindingsverzoek van DJI in de zaak tegen een collega van [de werknemer] behandeld, de heer [collega 1] (zaaknummer 12097483 AZ VERZ 26-15). 2.3. De kantonrechter heeft aan het einde van de mondelinge behandeling bepaald dat er een beschikking zal worden gegeven. 3 De feiten 3.1. DJI voert namens de minister van Justitie en Veiligheid straffen en vrijheidsbenemende maatregelen uit die door de rechter zijn opgelegd. De Rijks Justitiële Jeugdinrichting (‘RJJI’) draagt zorg voor een veilige orthopedagogische tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen. In de RJJI verblijven jongeren die om strafrechtelijke redenen zijn opgenomen in het kader van preventieve hechtenis, nachtdetentie, jeugddetentie of een PIJ- maatregel. De leeftijd van de jongeren ligt tussen de 12 en 23 jaar. De RJJI heeft drie locaties, waaronder [locatie 1] in [plaats 1] . 3.2. [de werknemer] , geboren op [geboortedag] 1964, is sinds 1 mei 1998 in dienst bij DJI. De functie van [de werknemer] is Inrichtingsbeveiliger met een loon van € 2.913,59 bruto per maand exclusief emolumenten op basis van een 30-urige werkweek. [de werknemer] is werkzaam bij [locatie 1] . 3.3. Op de arbeidsovereenkomst van [de werknemer] is de cao Rijk van toepassing. Daarnaast zijn de Ambtenarenwet, de Gedragscode Integriteit Rijk, het Personeelsreglement Justitie en Veiligheid, het Personeelsreglement DJI en de Gedragscode DJI van toepassing. 3.4. In het Personeelsreglement Justitie en Veiligheid is op pagina 98 beschreven wat plichtsverzuim inhoudt: “In het algemeen is zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen aan te merken als (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten. Het kan bestaan uit een handeling of nalaten, waarbij in strijd is gehandeld met wet- en regelgeving, beleidsinstructies, gedragscodes of met de verplichtingen en verantwoordelijkh [collega 1] komt aangelopen en gaat ook bij de jongere staan, naast [de werknemer] . Ondertussen sluit [collega 3] een andere jongere in zijn slaapkamer in. De jongere staat voor de drempel van zijn slaapkamer, met zijn rug naar zijn slaapkamer en zijn gezicht naar de gang gericht en met [de werknemer] en [collega 1] tegenover zich. [collega 3] komt schuin achter [de werknemer] staan, met zijn handen in zijn zij, kijkend naar [de werknemer] , [collega 1] en de jongere. De jongere beweegt zijn gebalde linkervuist richting zijn borst. [de werknemer] beweegt zijn rechterarm van langs zijn lichaam in een opwaartse strekkende beweging richting de jongere. De jongere verdwijnt in zijn slaapkamer, direct gevolgd door [de werknemer] , [collega 1] en [collega 3] . Ook [collega 2] komt aangerend en gaat de slaapkamer van de jongere binnen. Vervolgens valt de slaapkamerdeur dicht. Drie seconden later komt collega mevrouw [persoon] vanuit de deuropening van de gang aanrennen, waarna zij met een sleutel de slaapkamerdeur van de jongere opent. 3.10. De jongere is vervolgens geboeid vanuit zijn slaapkamer getransporteerd naar de isolatiecel. 3.11. [de werknemer] heeft op de dag van het incident een rapportage opgesteld en ingeleverd. Zijn collega’s hebben hetzelfde gedaan. [de werknemer] heeft in zijn rapportage vermeld: “(…) Na enig aandringen kwamen met de 3 jongere op de slaapgang 2 jongere werkten mee en werden ingesloten. Echte bovengenoemde jongere bleef in de deuropening staan en bleef provoceren en en dreigen richting collega [collega 1] en weigerde onze instructies op te volgen om naar zijn kamer te gaan. Op het moment dat de bovengenoemde jongere stap richting collega [collega 1] deed besloot ik in te grijpen. Heb de jongere bij zijn schouders gepakt en hem geprobeert naar de grond te brengen. Jongere ging in verzet daar tegen. Uiteindelijk toch gelukt om jongere op zijn buik te krijgen daarna Jongere gefixeerd volgens procedure en hem geboeid en geplaatst in de afzondering. Valt nog te vermelden dat ik zag dat de jongere een bloedneus had, wij hebben onmiddellijk verzocht om de medische dienst.” 3.12. Ook de jongere heeft een verklaring over het incident afgelegd. In zijn ongedateerde, handgeschreven verklaring staat te lezen: “(…) Eenmaal aangekomen op de groep loop ik meteen naar mijn kamer Voor mijn deur zeg ik tegen de begeleider dat hij me niet meer moet beschouwen vervolgens loopt hij naar mijn deur en zegt dat ik iets moet doen als ik dat wil (geweld gebruiken) ik zei tegen hem dat ik niks hoefde te doen toen zei ik dat hij niks was zonder pieper en vroeg hem of hij weer alarm voor mij ging drukken ze stonden met zijn 4’en in mijn deuropening toen [kantonrechter: onleesbaar] pakte mijn haar vast een ander gaf mij een elleboog op mijn linkerslaap ze pakte mijn armen vast en gaven mij een knie op mijn neus/lip allemaal zonder enkele weerstand! Ze haalde mij naar de grond en ik kreeg een elleboog op mijn rechterslaap (…)” 3.13. De jongere is op 9 april 2026 naar de spoedeisende hulp van het [ziekenhuis] gebracht. Uit röntgenonderzoek bleek een factuur aan de sinus maxillaris (kaakbijholte) links. Ook maakt de verslaglegging van het ziekenhuis melding van een klein scheurwondje in de onderlip en een minimale zwelling met mild hematoom aan de linkerzijde van het gezicht. De jongere is op 12 april 2025 overgebracht naar een andere locatie van RJJI, [locatie 2] in [plaats 3] . De penitentiaire arts van [locatie 2] beschrijft ‘letsel hoofd/kaak fractuur met hersenschudding’. 3.14. De jongere heeft op 10 april 2025 aangifte gedaan bij de politie van zware mishandeling c.q. eenvoudige mishandeling. In het proces-verbaal van aangifte is onder meer opgenomen: “Het contact tussen mij en alle medewerkers van [locatie 1] is normaal gesproken goed. Ik heb alleen een probleem met beveiliger 1 [kantonrechter: [collega 1] ] (…). Beveiliger nummer 2 [ kantonrechter: [de werknemer] ] deed de deur van mijn kamer open. Ik stond in de deuropening. Hierover zei hij: "Ik heb dat niet gezien gedurende de situatie maar ik zie het nu pas op de beelden. " Hij zich, na het zien van de camerabeelden, voelt als een 'onbetrouwbare zak hooi'. Hierover zei hij: "Ik voel mij nu echt als een onbetrouwbaar zak hooi. Ik schrik hiervan. Ik dacht echt dat ik het goed had, serieus. Ik heb de slag niet ervaren als slag maar als het beetpakken bij het gezicht. Misschien heb ik het niet opgeslagen.” (…) 7.1 Vraag 1: Wat zijn de feiten en omstandigheden met betrekking tot het incident op woensdag 9 april 2025? Tijdens het onderzoek is gebleken dat de verschillende verklaringen op meerdere punten van elkaar afwijken, waardoor geen eenduidige lijn kan worden vastgesteld. (…) 7.1.1 ( Betrouwbaarheid van) de verklaringen (…) Hoewel de verklaringen m.b.t. het inleveren van de verklaringen op bepaalde punten uiteenlopen, is wel gebleken dat de heer [collega 1] en de heer [de werknemer] op de hoogte waren van de inhoud van de afgelegde verklaringen. Deze omstandigheid is relevant voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring die ze bij de onderzoekers hebben afgelegd d.d. 16 juni 2025. De heer [collega 1] en de heer [de werknemer] hebben allebei verklaard dat ze de verklaring niet met elkaar hebben afgestemd. Het feit dat ze kennis hadden van wat anderen reeds hadden verklaard, kan echter invloed hebben gehad op de wijze waarop zij hun eigen verklaring hebben geformuleerd, door (bewust of onbewust) aansluiting te zoeken bij reeds bekende informatie. Daarnaast is tevens gebleken dat de heer [collega 1] en de heer [de werknemer] , ondanks het advies om dit niet te doen, onderling contact met elkaar hebben onderhouden. (…) 7.1.3 Incident in en rondom de kamer van [de jongere] De verklaringen van de getuigen en de betrokkene(n) geven geen eenduidig beeld van het incident in (en buiten) de kamer van [de jongere] op 9 april 2025. Daarnaast bestaan er discrepanties tussen de verklaringen, de camerabeelden en de uitkomsten van het toedrachtsonderzoek. (…) Mevrouw [persoon] (…) Mevrouw [persoon] verklaarde in eerste instantie dat de jeugdige met een vuist op zijn hoofd werd geraakt en dat ze naar haar idee zicht had op het hele lichaam van de jeugdige. Na het tonen van de camerabeelden vroegen de onderzoeker in hoeverre mevrouw [persoon] zag dat de AID'er (de heer [de werknemer] ) met zijn armbeweging het lichaam van de jeugdige raakte. Hierop reageerde mevrouw [persoon] : "Op de camerabeelden zie je het niet, hij lijkt naar achteren te deinzen. Als ik het nu zo zie, moet ik mijn verklaring wellicht aanpassen op dit punt. Ik heb niet letterlijk gezien dat de vuist het lichaam van de jeugdige raakt, maar ik zag de slaande beweging en wist dat het foute boel was. Ik merkte dat er een soort impact was na die slaande beweging; een reactie van [de jongere] , maar ik kan mij geen precieze woorden herinneren. Ik schrok er ook van, omdat ik het niet had verwacht. " (…) [de jongere] verklaarde bij de onderzoekers, d.d. 18 juni 2025, het volgende: (…) Kennelijk was mijn reactie 'Zonder pieper zijn jullie helemaal niks' de trigger voor beveiliger 2 [kantonrechter: [de werknemer] ] om in te grijpen. Hij pakte mij met één hand bij mijn haren vast. Ik weet niet meer welke hand het was. Ik had op dat moment langer haar (afro kapsel). Hij pakte mij midden op het hoofd. Op dat moment zag en voelde ik dat beveiliger 1 (kantonrechter: [collega 1] ) met zijn elleboog een rare beweging maakte tegen de linkerkant van mijn gezicht. Ik voelde een bonkend en prikken gevoel aan de linker kant van mijn gezicht. Het voelde als een steek. Ik heb nog nooit eerder een klap tegen mijn hoofd gehad. Ik stond op dat moment met mijn zicht in de richting van de gang. Ik deed mijn hoofd naar beneden en werd duizelig. Ik voelde vervolgens dat ik een knietje tegen mijn neus/lip kreeg. Ik zag wel dat ik dat knietje kreeg maar ik weet niet wie dat knietje gaf. (…) De verklaring van de jeugdige sluit aan bij het toedrachtsonderzoek van Het gebrek aan audio bij de camerabeelden, maakt het niet mogelijk om vast te stellen of er gewaarschuwd is voor de toepassing van geweld, waarmee de jeugdige - in lijn met de instructie - regie kon houden over zijn situatie. Echter is zowel aan getuigen als aan de betrokkene(n) gevraagd wat zij hebben waargenomen (gezien en gehoord). Niemand heeft verklaard dat een dergelijke waarschuwing gegeven zou zijn waardoor de onderzoekers het aannemelijker achten dat er niet is gewaarschuwd voor de toepassing van het geweld in plaats van dat er wel voor is gewaarschuwd. (…) Uit het onderzoek blijkt dat de betreffende de handelingen die zijn verricht bij het op kamer plaatsen van [de jongere] (onvoldoende) in beeld zijn gebracht. De camerabeelden bieden daardoor geen duidelijkheid over het daadwerkelijk handelen van de betrokkene. Er is daarnaast gesproken met getuigen en met de betrokkene. Deze verklaringen geven echter geen consistent beeld van de feitelijke gang van zaken. Er is geen eenduidig beeld ontstaan van de handelingen die door de betrokkene verricht zijn. Aangezien het beschikbare bewijsmateriaal, bestaande uit de camerabeelden en verklaringen, onvoldoende basis biedt om met voldoende zekerheid vast te stellen wie welke handelingen heeft verricht, kan niet worden vastgesteld in hoeverre is gehandeld in overeenstemming met de geldende dienstinstructies. De onderzoekers hebben wel de handelingen waarover de betrokkene heeft verklaard, afgezet tegen de camerabeelden en het toedrachtsonderzoek dat door de forensisch arts is uitgevoerd. Op grond van deze vergelijking kan geconcludeerd worden dat dat de verklaring van de betrokkene niet consistent is met de camerabeelden en tevens niet consistent is met het door de forensisch arts geconstateerde letselbeeld. De door de betrokkene beschreven handelingen bieden geen plausibele verklaring voor de geconstateerde letsels bij de jeugdige. 7.3 Vraag 3: Wat is het aandeel van de heer [de werknemer] bij dit incident? Zie tevens paragraaf 7.1 en paragraaf 7.2. Er is geen eenduidig beeld ontstaan m.b.t. de handelingen die door de betrokkene verricht zijn richting [de jongere] bij het incident op 9 april 2025. De volgende conclusies kunnen echter wel getrokken worden: De verklaring van de betrokkene is niet consistent met de camerabeelden en is tevens niet consistent met het door de forensisch arts geconstateerde letselbeeld. De door de betrokkene beschreven handelingen bieden geen plausibele verklaring voor de geconstateerde letsels bij de jeugdige. Het is aannemelijk dat de verklaring van de betrokkene niet (volledig) op waarheid berust. Hieruit voortvloeiende is het tevens aannemelijk dat de opgestelde rapportage, d.d. 9 april 2025 van het incident, niet (volledig) op waarheid berust. (…)” 3.18. BI heeft in het kader van het onderzoek een forensisch arts ingeschakeld. De forensisch arts heeft aan de hand van het letsel van de jongere vijf toedrachtscenario’s uitgewerkt. BI schrijft in het rapport (pagina 74): “Scenario 4, waarin er voorafgaande aan het naar de grond brengen van [de jongere] al geweld is toegepast middels het toepassen van stomp botsend geweld op het gezicht van [de jongere] , waarna hij bij het op de grond terecht komen aanvullend letsel heeft opgelopen door hardhandig met zijn hoofd in aanraking te zijn gekomen met de vloer, is het meest aannemelijk . Binnen dit scenario zijn alle letsels en de op het gelaat van [de jongere] aanwezige bloedsporen goed verklaarbaar. Bovendien wordt dit scenario niet uitgesloten door de verklaringen van de getuigen en de camerabeelden.” 3.19. [de werknemer] is bij brief van 6 november 2025 uitgenodigd om het rapport op 25 november 2026 te bespreken. De uitnodigingsbrief vermeldt dat het gesprek plaatsvindt op een termijn van 14 dagen om [de werknemer] de gelegenheid te geven om het rapport door te lezen en juridische bijstand in te schakelen. 3.20. DJI heeft tijdens het gesprek van 25 november 2025 aangegeven de arbeidsovereenkomst met [de Voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, verzoekt [de werknemer] subsidiair toekenning van de transitievergoeding (inclusief de aanvullende vergoeding in geval van ontbinding op de i-grond) en een billijke vergoeding van € 304.384,16 bruto (waarvan € 15.000,00 netto). In geval van toekenning van de billijke vergoeding verzoekt [de werknemer] DJI te veroordelen om een voorziening te treffen om de fiscale schade als gevolg van inkomen ineens passend te compenseren. [de werknemer] verzoekt om bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst de proceduretijd niet in mindering te brengen op de opzegtermijn. 4.5. Voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt op grond van ernstig verwijtbaar handelen van [de werknemer] , verzoekt [de werknemer] meer subsidiair toekenning van de transitievergoeding. 4.6. Uiterst subsidiair , voor het geval de kantonrechter ontbindt op de e-grond en oordeelt dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [de werknemer] , verzoekt [de werknemer] de kantonrechter te bepalen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat aan hem geen transitievergoeding toekomt en DJI te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding. 4.7. In alle gevallen verzoekt [de werknemer] veroordeling van DJI tot betaling van een schadevergoeding wegens handelen in strijd met goed werkgeverschap of wegens onrechtmatig handelen van € 15.000,00 netto. Ook dient DJI in de integrale kosten van rechtsbijstand te worden veroordeeld, althans in de kosten van de procedure, en dienen alle toegewezen bedragen te worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid. 4.8. De kantonrechter gaat hierna bij de beoordeling van het verzoek en de tegenverzoeken in op de relevante standpunten die partijen hebben aangevoerd. 5 De beoordeling van het verzoek 5.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. 5.2. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Tot slot geldt dat de kantonrechter een verzoek tot ontbinding alleen kan inwilligen als er geen opzegverbod geldt. Hierop geldt een uitzondering indien het ontbindingsverzoek geen verband houdt met dat opzegverbod of indien er sprake is van omstandigheden die maken dat het in het belang van de werknemer is dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Partijen zijn het er in deze zaak over eens dat er geen sprake is van een opzegverbod. 5.3. De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht. Geen verwijtbaar handelen van [de werknemer] 5.4. DJI verzoekt primair ontbinding op grond van verwijtbaar handelen van [de werknemer] , zodanig dat van DJI in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te laten voortduren (artikel 7:669 lid 1 en 3 sub e BW). 5.5. DJI maakt [de werknemer] twee verwijten, die samengevat als volgt luiden: [de werknemer] heeft niet gepast geweld gebruikt tegen de jongere; [de werknemer] heeft niet naar waarheid verklaard over zijn handelen, althans geen consistente verklaring gegeven. 5.6. Dit handelen levert volgens DJI plichtsverzuim op. [de werknemer] voert verweer. De kantonrechter beoordeelt hierna beide verwijten. Ad 1. Niet gepast geweld De standpunten van partijen 5.7. Partijen zijn het erover eens dat [de werknemer] op 9 april 2025 geweld zoals bedoeld in de Dienstinstructie geweld (zie 3.6) heeft gebruikt tegen de jongere. Partijen verschillen van mening of het toegepaste geweld binnen of buiten de geoorloofde grenzen valt. 5.8. DJI is van mening dat [de werknemer] in strijd heeft gehandeld met de Dienstinstructie geweld en de kernwaarden zoals beschre De kantonrechter oordeelt dat op geen enkele manier blijkt dat [de werknemer] de jongere een vuistslag of klap in het gezicht heeft gegeven. 5.13. De jongere zelf heeft op verschillende momenten verklaard over het incident: nadat het gebeurd was, bij het doen van aangifte bij de politie en in het kader van het onderzoek door BI. Bij geen van die gelegenheden heeft de jongere verklaard dat [de werknemer] hem zou hebben geslagen. Hij geeft consistent aan dat [de werknemer] hem bij zijn haar heeft gegrepen. Ook de andere betrokkenen, waaronder collega’s [collega 3] en [collega 1] , ontkennen dat er door [de werknemer] is geslagen. Tot slot verklaart ook [de werknemer] zelf consistent dat hij de jongere niet geslagen heeft. 5.14. Ook BI heeft na uitvoerig en langdurig onderzoek niet kunnen vaststellen dat [de werknemer] de jongere heeft geslagen: “ Op basis van de vergelijking tussen de verklaringen van de getuigen, de betrokkene(n), de camerabeelden en de bevindingen uit het toedrachtsonderzoek door de forensisch arts, ontstaat geen volledig eenduidig beeld van het incident op 9 april 2025 in en rondom de kamer van [de jongere] ” En: “ Uit het onderzoek blijkt dat de betreffende de handelingen die zijn verricht bij het op kamer plaatsen van [de jongere] (onvoldoende) in beeld zijn gebracht. De camerabeelden bieden daardoor geen duidelijkheid over het daadwerkelijk handelen van de betrokkene. Er is daarnaast gesproken met getuigen en met de betrokkene. Deze verklaringen geven echter geen consistent beeld van de feitelijke gang van zaken. Er is geen eenduidig beeld ontstaan van de handelingen die door de betrokkene verricht zijn. Aangezien het beschikbare bewijsmateriaal, bestaande uit de camerabeelden en verklaringen, onvoldoende basis biedt om met voldoende zekerheid vast te stellen wie welke handelingen heeft verricht, kan niet worden vastgesteld in hoeverre is gehandeld in overeenstemming met de geldende dienstinstructies. ” 5.15. Alleen [persoon] , die op het moment van het incident bij de deur van de gang stond, heeft in eerste instantie verklaard dat [de werknemer] geslagen had. Zij heeft deze verklaring in het kader van het onderzoek door BI echter bijgesteld na het zien van de camerabeelden: “Ik heb niet letterlijk gezien dat de vuist het lichaam van de jeugdige raakt, maar ik zag de slaande beweging en wist dat het foute boel was.” Hieruit blijkt dat [persoon] niet heeft gezien dat [de werknemer] de jongere heeft geslagen, maar dat zij ervan uitging dat dit was gebeurd door de beweging die zij [de werknemer] zag maken met zijn arm. 5.16. De kantonrechter acht ook van groot belang dat de politierechter [de werknemer] heeft vrijgesproken van eenvoudige mishandeling. Hoewel deze vrijspraak niet automatisch betekent dat er geen sprake kan zijn van verwijtbaar handelen door [de werknemer] (waarbij ook relevant is dat DJI meerdere gedragingen van [de werknemer] aan haar verzoek ten grondslag legt), is de vrijspraak door de politierechter uiteraard wel degelijk relevant. [de werknemer] heeft als productie 8 bij het verweerschrift het uitgebreide strafdossier overgelegd. Ook de politierechter heeft kennis kunnen nemen van onder andere alle verklaringen en camerabeelden, en is tot de conclusie gekomen dat volledige vrijspraak op zijn plaats was. 5.17. DJI lijkt te redeneren vanuit het letsel dat de jongere heeft opgelopen, en het meest aannemelijke scenario dat de forensisch arts als toedracht heeft benoemd. In dat scenario (zie 3.18) is er sprake van het toepassen van stomp botsend geweld op het gezicht van de jongere, waarna hij bij het op de grond terecht komen aanvullend letsel heeft opgelopen. DJI telt daar de armbeweging van [de werknemer] bij op die op de camerabeelden te zien is, en concludeert daaruit dat [de werknemer] wel geslagen moet hebben. DJI verliest daarbij uit het oog dat geen van de betrokkenen noch de camerabeelden dit ondersteunen, en ook BI na uitvoerig onderzoek niet tot die conclusie komt. 5.18. Wat betref Er zijn vele beperkingen van het menselijk geheugen die maken dat ook een eerlijke en oprechte getuige onjuiste herinneringen ophaalt. 5.24. De kantonrechter constateert dat geen van de betrokkenen geheel in lijn met de camerabeelden heeft verklaard. [collega 3] (zie 3.17 eerste alinea) voelt zich ‘ een onbetrouwbare zak hooi ’ na het zien van de camerabeelden. Ook de jongere zelf verklaart niet in lijn met de camerabeelden. De verklaring van [de werknemer] bevat inderdaad ook inconsistenties in verhouding tot de camerabeelden. 5.25. Indachtig het voorgaande, kan niet geconcludeerd worden dat [de werknemer] bewust de waarheid niet heeft verteld. DJI heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daar sprake van is, door feitelijk enkel te verwijzen naar hetgeen BI als aannemelijke conclusie presenteert in haar rapport. DJI maakt die conclusie zonder nadere motivering tot de hare. 5.26. Ook dit verwijt van DJI aan [de werknemer] houdt dan ook geen stand. Tussenconclusie 5.27. Het ontbindingsverzoek is niet toewijsbaar op de primaire grondslag van verwijtbaar handelen van [de werknemer] , nu daar geen sprake van is. Geen verstoorde arbeidsverhouding De standpunten van partijen 5.28. Subsidiair voert DJI aan dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding waarop de arbeidsovereenkomst zou moeten worden ontbonden. Van DJI kan in redelijkheid niet worden gevergd het dienstverband voort te laten bestaan vanwege de ernst van het handelen van [de werknemer] jegens de jongere, alsook de ernst van het handelen jegens DJI. [de werknemer] is, gelet op het letsel van de jongere, zijn tegenstrijdige verklaring(en), het door [de werknemer] en [collega 1] afstemmen van hun verklaringen op elkaar, niet open en eerlijk geweest over dat wat zich op 9 april 2025 op de drempel en in de kamer van de jongere heeft afgespeeld, noch over zijn eigen rol daarin. DJI heeft geen vertrouwen meer in het functioneren van [de werknemer] . Daarbij komt dat [de werknemer] geen enkele reflectie laat zien over zijn rol in hetgeen is gebeurd. [de werknemer] volhardt in ontkenning. Dat betekent ook dat herplaatsing van [de werknemer] niet in de rede ligt. 5.29. [de werknemer] betwist dat de arbeidsrelatie zodanig en duurzaam is verstoord dat de arbeidsovereenkomst niet langer kan voortduren. DJI baseert de verstoorde arbeidsverhouding op het gestelde buitensporige geweld en de leugenachtige verklaring door [de werknemer] , feiten die zich niet hebben voorgedaan, zodat het verzoek een feitelijke basis mist. [de werknemer] heeft altijd goed samengewerkt met zijn collega’s en er is geen enkele aanwijzing dat het in de toekomst niet voortgezet kan worden. Voor zover er spanningen zijn, lijken die het gevolg van de koers van DJI om ondanks de vrijspraak te volharden in haar ontbindingsverzoek, en zijn die wat [de werknemer] betreft herstelbaar (waar dan wel een taak ligt voor DJI als goed werkgever). Het verzoek van DJI moet ook worden afgewezen omdat DJI ten onrechte geen herplaatsingsonderzoek heeft gedaan. Het oordeel van de kantonrechter 5.30. Uit de motivering van de ontslaggrond door DJI volgt dat zij dezelfde feiten en omstandigheden aan de gestelde verstoorde arbeidsverhouding ten grondslag legt als aan het gestelde verwijtbaar handelen van [de werknemer] . Hiervoor is bij de beoordeling van de primaire ontslaggrond geconcludeerd dat de verwijten die DJI [de werknemer] maakt geen stand houden. Het gestelde verlies van vertrouwen in het functioneren van [de werknemer] is dan ook onterecht, en de stelling dat [de werknemer] volhardt in ontkenning gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat [de werknemer] bewust verzwijgt dat hij ongepast geweld heeft gebruikt. 5.31. Desalniettemin kunnen deze onjuiste verwijten hebben geleid tot een verstoorde arbeidsverhouding. DJI stelt in ieder geval dat daar sprake van is. [de werknemer] betwist dat er sprake is van een verstoring, maar gelet op al hetgeen zich sinds het incident van 9 april 2025 heeft voorgedaan is het aan Omdat de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, liggen alleen de tegenverzoeken ten aanzien van de wedertewerkstelling, de rectificatie, de schadevergoeding en de integrale proceskostenvergoeding ter beoordeling voor. Wedertewerkstelling 6.2. De kantonrechter wijst de gevorderde wedertewerkstelling toe. Nu de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden, heeft [de werknemer] er recht op dat hij zijn werk weer kan uitvoeren. 6.3. [de werknemer] verzoekt om binnen vijf werkdagen na de betekening van de beschikking weer toegelaten te worden tot zijn eigen werkzaamheden. DJI heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat deze termijn te kort is. In de spreekaantekeningen van de gemachtigde van DJI is verwoord: “ Aan [de werknemer] wordt het volledig uurloon en overige emolumenten betaald, zodat daarin geen belang schuilt om binnen vijf werkdagen na de beschikking van uw Kantonrechter tot werk te worden toegelaten. Naar overtuiging van DJI zal, mocht u Kantonrechter onverhoopt het verzoek tot ontbinding afwijzen, eerst mediation moeten plaatsvinden om te bezien of [de werknemer] in zijn eigen functie bij DJI aan het werk kan gaan. Daarbij heeft DJI de mogelijkheid een hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van uw Kantonrechter als het verzoek tot ontbinding wordt afgewezen, afhankelijk van de inhoud van de overwegingen van uw Kantonrechter om tot afwijzing te komen. Toewijzing van de vordering tewerkstelling, terwijl DJI anderzijds hoger beroep instelt, leidt dan tot een onwenselijke situatie. Daarbij heeft DJI de mogelijkheid om het verzoek tot ontbinding in te trekken en dat recht zou met een vordering tewerkstelling wordt doorkruist.” 6.4. De kantonrechter ziet in de argumenten van DJI geen aanleiding om een andere termijn voor wedertewerkstelling toe te wijzen dan gevorderd. [de werknemer] zit al zo’n 15 maanden thuis. De opmerking dat [de werknemer] al die tijd zijn volledige loon heeft ontvangen, miskent de impact die de situatie op [de werknemer] heeft en dat er meer belangen spelen bij aan het werk gaan dan alleen geld. Het doorlopen van een mediationtraject kan niet als voorwaarde gesteld worden. De gesprekken die moeten plaatsvinden tussen de directie/leidinggevenden van DJI en [de werknemer] in het kader van herstel van de arbeidsrelatie hoeven geen vertraging te vormen voor wedertewerkstelling, omdat collega’s op de werkvloer [de werknemer] graag weer zien komen. Ook een eventueel hoger beroep is geen reden om [de werknemer] af te houden van zijn recht om arbeid te verrichten. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 6.5. Hoewel DJI haar argumenten in de loop van de mondelinge behandeling heeft genuanceerd, in die zin dat de argumenten niet bedoeld waren om werkhervatting tegen te houden maar juist om werkhervatting zo soepel mogelijk te laten verlopen, ziet de kantonrechter in de aangedragen argumenten aanleiding om de gevorderde dwangsom zoals gevorderd toe te wijzen. Rectificatie 6.6. [de werknemer] verzoekt veroordeling van DJI om zorg te dragen voor rehabilitatie van [de werknemer] , door middel van het publiceren op het intranet van de mededeling zoals verwoord in randnummer 148 van het verweerschrift. 6.7. DJI meent dat het verzoek moet worden afgewezen omdat daartoe geen grondslag bestaat. De tekst van het rectificatiebericht gaat te ver en is onjuist gelet op het feit dat de kantonrechter geen uitspraak heeft gedaan, en pas na de uitspraak kan worden bepaald dat de uitkomst van de beschikking is. Het gaat niet aan om DJI op voorhand aan een onjuist rectificatiebericht te binden, aldus DJI. 6.8. De kantonrechter zal DJI veroordelen tot het op intranet plaatsen van een rectificatiebericht zoals verzocht. Met deze beschikking is duidelijk hoe de kantonrechter het ontbindingsverzoek en de daarvoor aangedragen gronden beoordeeld, zodat er geen sprake is van een onjuiste rectificatie. DJI heeft met haar mededeling van 13 februari 2026 op het intranet aan het pers