Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:6324
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/443886 FA RK 26-171 Datum uitspraak: 12 juni 2026 beschikking over vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang in de zaak van [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats] , België, advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom tegen: [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda Als belanghebbende in onderhavige zaak ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt aangemerkt: de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna te noemen: [minderjarige] , vertegenwoordigd door mr. N.M. Lindhout-Schot in haar hoedanigheid van bijzondere curator. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het verdere procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: de in deze zaak gegeven beschikking tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] van 17 maart 2026 en alle daarin vermelde stukken; een afschrift van de geboorteakte van [minderjarige] ; het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] ; het op 23 april 2026 ontvangen verslag van de bijzondere curator. - het op 11 mei 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; - de op 22 mei 2026 ontvangen brief van de advocaat van de man met bijlagen; - het F9-formulier van de advocaat van de man van 26 mei 2026 met bijlagen; - het F9-formulier van de advocaat van de moeder van 27 mei 2026 met bijlagen. 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op 29 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man met zijn advocaat, de vrouw met haar advocaat, de bijzondere curator en een vertegenwoordigster van de Raad. 2 De nadere beoordeling 2.1 Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank mr. Lindhout-Schot benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen. 2.2 Aan de rechtbank liggen de volgende verzoeken voor: De man verzoekt: vervangende toestemming te verlenen tot erkenning door de man van [minderjarige] ; de man gezamenlijk met de vrouw te belasten met het gezag; een zorg- en contactregeling vast te stellen, waarbij de man uiteindelijk na een opbouwfase en/of hulpverlening contact zal hebben met [minderjarige] eenmaal per veertien dagen een volledig weekend, waarbij het halen en brengen in onderling overleg geregeld zal worden en voorts de helft van de komende schoolvakanties. De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek ten aanzien van het gezamenlijke gezag en de zorg- en contactregeling, althans deze verzoeken af te wijzen; bij wege van (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek: I. partijen via het Uniform Hulpaanbod (hierna UHA) te verwijzen naar de hulpverlening in het kader van begeleide omgang c.q. contact met daarnaast een ander vorm van hulpverlening waarbij te denken valt aan een BOR-traject, dan wel vergelijkbare hulpverlenende instantie, met als doelt te werken aan de samenwerking/onderlinge communicatie tussen partijen; en II. te bepalen dat de Raad op een zo kortst mogelijke termijn onderzoek zal verrichten ter beantwoording van de vragen als genoemd van sub 67 van het verzoek. 2.3 Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast: De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is [minderjarige] geboren De vrouw is op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] bevallen van [minderjarige] . Op de geboorteakte van [minderjarige] staat geen vader genoemd. De man heeft [minderjarige] niet erkend. De vrouw heeft het gezag over [minderjarige] . De De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning toe te wijzen. Met een erkenning wordt de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de biologische werkelijkheid. Voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] is het van groot belang dat zij weet van wie zij afstamt en dat zij in een juridische verhouding tot haar beide biologische ouders komt te staan. Zowel [minderjarige] als de man hebben er recht op dat hun relatie rechtens wordt erkend. Er is niet van omstandigheden gebleken die een erkenning in de weg staan. 2.7 De vertegenwoordigster van de Raad heeft geadviseerd het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen toe te wijzen. Het is in haar belang dat zij weet van wie zij afstamt. Ten aanzien van de andere verzoeken adviseert de Raad om partijen te verwijzen naar het UHA om in dat kader te gaan werken aan een opbouw van de omgangsregeling en om zicht te krijgen op de communicatie tussen partijen. In het kader van dit traject zal de omgangsregeling in beginsel begeleid moeten worden opgestart gezien het verleden van partijen, de taalbarrière en ook om [minderjarige] te ondersteunen in het geven van woorden aan haar emoties. Dit alles dient eerst te worden ingezet voordat een verdere beslissing wordt genomen over de verzoeken met betrekking tot het gezamenlijke gezag en de omgang. De Raad adviseert die verzoeken aan te houden. 2.8 De rechtbank overweegt als volgt. Internationaal privaatrecht (IPR) 2.9 Vanwege het feit dat de man de Marokkaanse nationaliteit en zijn gewone verblijfplaats heeft in België, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek. Internationale bevoegdheid 2.10 In artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) staat dat met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingediend de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. 2.11 Op grond van artikel 7 lid 1 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter), is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek van de man met betrekking tot het gezag en de omgang te beoordelen, nu [minderjarige] op het moment van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats had in Nederland. Toepasselijke recht ten aanzien van afstammingsverzoek 2.12 In artikel 10:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat, voor zover hier van belang, de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, wordt bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Bezit die persoon de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. 2.13 In artikel 10:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat, voor zover hier van belang, de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, wordt bepaald door het recht van de staat waarvan die per Ouderlijk gezag 2.21 In artikel 1:253c BW staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek slechts kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn of haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is. 2.22 De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt van de wetgever heeft te gelden dat ouders, na het verbreken van hun relatie, gezamenlijk het gezag over hun (kind)eren uitoefenen en dat er wat dat betreft sprake is van gelijkwaardig ouderschap, tenzij sprake is van een of meerdere in voormeld artikel genoemde contra-indicaties. Gebleken is dat de verhoudingen tussen partijen zijn verstoord en dat de man vrijwel niet betrokken is geweest in het leven van [minderjarige] . De rechtbank vindt het daarom belangrijk dat partijen gaan werken aan de onderlinge communicatie met behulp van hulpverlening, zodat kan worden onderzocht of er een basis aanwezig is voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag. Nu partijen hebben ingestemd om hierover met elkaar in gesprek zullen gaan onder professionele begeleiding in het kader van het UHA-traject, zal de rechtbank de beslissing over het gezag aanhouden in afwachting van het verloop en het resultaat van dat traject. 2.23 Een andere reden om de beslissing over het gezamenlijk ouderlijk gezag aan te houden is dat de man [minderjarige] eerst zal moeten erkennen alvorens hij mede met het ouderlijk gezag over haar kan worden belast. Enkel een juridisch ouder van een kind kan namelijk op basis van voormeld artikel mede worden belast met het ouderlijk gezag. Vaststelling omgangsregeling 2.24 In artikel 1:377a, eerste lid BW staat dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft bovendien het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van het tweede lid van voormeld artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast. 2.25 Partijen hebben ter zitting ingestemd met een traject in het kader van het UHA waarin gewerkt gaat worden aan een begeleide omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . Dit wordt ook geadviseerd door de Raad. De rechtbank deelt deze visie en zal hierna overgaan tot het verwijzen van partijen naar het UHA om onder meer te gaan toewerken naar een begeleide omgangsregeling. 2.26 De beslissing over de vaststelling van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] zal worden aangehouden in afwachting van het verloop en het resultaat van het UHA-traject. 2.27 De problematiek van de ouders omvat het volgende: De verhoudingen tussen de man en de vrouw zijn ernstig verstoord. De relatie van partijen is verbroken voor de geboorte van [minderjarige] . Het is partijen niet gelukt om uitvoering te geven aan afspraken over de erkenning van [minderjarige] door de man en een omgangsregeling. [minderjarige] kent de man niet en de man is niet op de hoogte van de ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast is er sprake van een taalbarrière enerzijds en een spraak- en taalachterstand bij [minderjarige] anderzijds. 2.28 Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarig kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio We