Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:6204
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/446980 / FA RK 26-1835 Datum uitspraak: 9 juni 2026 beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. S. van Reeven-Özer te Waalwijk, en [de vrouw] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen de vrouw. Advocaat mr. S. Seker te ‘s-Gravenhage. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 10 april 2026 ontvangen verzoekschrift met producties;- het op 22 mei 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken met producties; - de brief met bijlage van mr. Seker van 26 mei 2026; - de brief met bijlage van mr. Seker van 27 mei 2026; - de brief met bijlage van mr. Van Reeven-Özer van 27 mei 2026. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 28 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaat, verschenen. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (hierna: de Raad). 2 De verzoeken 2.1 De man verzoekt, samengevat, vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. 2.2 De vrouw verzoekt zelfstandig: de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen; primair: een raadsonderzoek te gelasten naar de vraag of het in het belang van de minderjarigen is een zorgregeling vast te stellen en zo ja een regeling te bepalen waarin dit wordt opgebouwd en de minderjarige (voorlopig) onder begeleiding contact met de man hebben; subsidiair: te bepalen dat de contacten tussen de minderjarigen en de man begeleid zullen plaatsvinden, waarbij de professionele hulpverlener (Gezinsmanager) de contacten begeleid en verder vormgeeft. 3 De beoordeling Bevel artikel 22 Rv – weigering 3.1 Op grond van artikel 22 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter partijen, of één van hen, bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde bescheiden over te leggen. De rechtbank heeft op 26 mei 2026 mr. Seker schriftelijk bevolen een bijlage over te leggen waarnaar in haar productie 8 (een brief van Sterk Huis) wordt verwezen. De bijlage betreft een rapportage van het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (hierna: (het) LEC EGG). 3.2 Op grond van lid 2 van het artikel vernoemd kan een partij weigeren stukken over te leggen als daarvoor gewichtige redenen zijn. Op 27 mei 2026 en ter zitting heeft mr. Seker aangegeven dat deze rapportage niet wordt overgelegd, omdat de ambulant begeleider van de vrouw heeft aangegeven dat deze niet gedeeld mag worden. Dit heeft de ambulant begeleider eerst overlegd met haar manager en met het LEC EGG. 3.3 Als een partij weigert gehoor te geven aan het bevel van de rechter om bepaalde stukken over te leggen, dan beslist de rechter of die weigering gerechtvaardigd is (artikel 22 lid 3 Rv). Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. De enkele omstandigheid dat de ambulant begeleider van de vrouw te kennen heeft gegeven dat de rapportage niet met de rechtbank gedeeld mag worden, vormt wat de rechtbank betreft onvoldoende grond voor de weigering de rapportage over te leggen. Onduidelijk is gebleven wat nu precies de bezwaren zijn tegen het overleggen van de rapportage. Mr. Seker, die met de inhoud van de rapportage bekend is, heeft dit desgevraagd niet toegelicht en volstaan met verwijzing naar het bericht van de ambulant begeleider van de vrouw. Gelet hierop is de rechtbank niet in staat om vast te stellen dat sprake is van een gewichtige reden op grond waarvan weigering om de rapportage over te leggen, gerechtvaardigd is. Dit leidt tot het oordeel dat de weigering niet gerechtvaardigd is. Gelet op de aard van de procedure en omdat de rechtbank zich ondanks het ontbreken van de rapportage op basis van de overige stukken en het besprokene op zitting in staat acht om de nodige beslissingen te nemen, zal de rechtbank in dit geval echter geen gevolgen aa De kinderen hebben de spanningen en gebeurtenissen bewust meegemaakt. Op 12 april 2026 zijn de vrouw en de kinderen, met ondersteuning van een AWARE-systeem en veiligheidsplan, teruggekeerd naar de woning. De voorlopige hechtenis van de man is geschorst onder voorwaarden, inhoudende een locatie- en contactverbod. De man dient in verband met het voorval op 15 maart 2026 voor de politierechter te verschijnen, maar het is nog onbekend wanneer. De Gezinsmanager heeft recent geadviseerd het contact tussen de man en de kinderen gefaseerd te hervatten, waarbij wordt gestart met het uitwisselen van een kaartje, foto en/of tekening. Daarna zou een telefonisch contactmoment kunnen plaatsvinden. Vervolgens zou een begeleid contactmoment worden gepland, onder begeleiding van de Gezinsmanager. De man werkt hier echter niet aan mee. De door hem verzochte zorgregeling is niet in het belang van de kinderen en is feitelijk niet uitvoerbaar door het contactverbod. De vraag is of de kinderen de ruimte hebben om vrij en onbelast contact met beide ouders te onderhouden. Ook is de veiligheid van de vrouw en de kinderen van wezenlijk belang. 3.8 De raadsvertegenwoordiger heeft aangegeven dat informatie van het LEC EGG zwaarwegend is, maar die informatie is vanwege het niet overleggen van de rapportage niet bekend. De Raad adviseert daarom een raadsonderzoek, zodat alle informatie – ook die van het LEC EGG - kan worden gebundeld. De huidige situatie, waarin partijen verschillende verhalen hebben, is zorgelijk. De Raad acht contactherstel wel in het belang van de kinderen, omdat een raadsonderzoek nog enige tijd zal duren. Dit contact dient wel onder begeleiding plaats te vinden, omdat er op dit moment te weinig informatie is om de veiligheid te kunnen beoordelen. De vrouw heeft namelijk forse beschuldigingen gedaan, terwijl het voor de Raad nog onduidelijk is wat er is gebeurd. Mogelijk zijn er veiligheidsrisico’s. Totdat daarover meer duidelijkheid bestaat, adviseert de Raad daarom begeleide contacten tussen vader en de kinderen, waarbij ook rekening gehouden moet worden met het aan de man opgelegde locatieverbod en het verbod tot het hebben van contact met de vrouw. Het eerder door de hulpverlening geopperde idee dat de man start met kaartjes sturen aan de kinderen, is een goed idee volgens de Raad. 3.9 De rechtbank overweegt als volgt. De visies van partijen over hun huwelijkse periode en wat er in de periode na aankomst van het gezin in Nederland tussen hen is voorgevallen, staan op heel veel onderdelen lijnrecht tegenover elkaar. In het dossier ziet de rechtbank aanwijzingen dat sprake is van veiligheidsrisico’s aan de zijde van de vrouw en mogelijk ook de kinderen, maar het dossier geeft op dit moment geen volledig en bovendien een in de tijd wisselend beeld. Zo volgt uit een evaluatie van de Gezinsmanager van 27 januari 2026 dat de man in september 2025 nog contact had met de vrouw en de kinderen, terwijl de vrouw stelt dat dit onjuist is. Ook volgt uit deze evaluatie dat het contact tussen de man en de kinderen goed verloopt en aansluit bij de behoefte van de kinderen, zodat het contact werd uitgebreid. Het contact werd veilig ingeschat en er waren geen spanningen tussen ouders voelbaar. Uit het verslag van Sterk Huis van 21 mei 2026, dus nog geen drie maanden later, volgt dat de man het moeilijk vindt de vrouw los te laten en dat hij over de grenzen van de vrouw heen blijft gaan. De spanning in het contact tussen partijen is eind januari 2026 opgelopen. Vanwege signalen van eergerelateerd geweld is vanuit Sterk Huis geadviseerd het onderzoek van de politie en het LEC EGG af te wachten. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank contra-indicaties voor onbegeleid contact tussen de man en de kinderen op de korte termijn. De rechtbank stelt ook vast dat het bij deze stand van zaken moeilijk te beoordelen is welke vorm/frequentie en wijze van contact tussen de man en de kinderen op de langere termijn in het belang van de kinderen is. De rechtbank