Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:6172
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummers: C/02/415937 / HA ZA 23-594 en C/02/423455 / HA ZA 24-314 Vonnis in hoofdzaak en de vrijwaring van 27 mei 2026 in de hoofdzaak met zaaknummer C/02/415937 / HA ZA 23-594 van : de rechtspersoon naar buitenlands recht CHUBB INSURANCE (SWITZERLAND) LIMITED , te 8001 Zürich (Zwitserland), eisende partij, hierna te noemen: Chubb , advocaat: mr. D.J. Wolf, tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht KDYNIUM AS , te CZ-345 06 Kdyne (Tsjechië), gedaagde partij, hierna te noemen: Kdynium , advocaat: mr. J.S. Mennema. en in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/02/423455 / HA ZA 24-314 van : de rechtspersoon naar buitenlands recht KDYNIUM AS , te CZ-345 06 Kdyne (Tsjechië), eisende partij, hierna te noemen: Kdynium , advocaat: mr. J.S. Mennema, tegen 1. de rechtspersoon naar buitenlands recht PROLIM ENGINEERING GMBH , te Zurich (Zwitserland), advocaat: mr. J. Streefkerk,2. FUNCHA ! B.V. , te Bunnik, advocaat: mr. D.J. van der Kolk, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: Prolim en Funcha , 1. De hoofdzaak en vrijwaringszaak in het kort 1.1. De heer [persoon] is bij een ongeval op een tokkelbaan in het klimpark Biesbosch gewond geraakt en uiteindelijk overleden. [persoon] ging aan een zipline (kabel) naar beneden. Het onderdeel waarmee de zipline aan de paal was bevestigd, de long zip clamp, is bij de arm afgebroken. Kanopeo GmbH (hierna: Kanopeo ) is de producent van de zipline, genaamd de saferoller. Het afgebroken onderdeel is geproduceerd door Kdynium . Prolim is betrokken geweest bij het verder ontwikkelen van de saferoller. Het klimpark is gebouwd door Funcha . Chubb is de verzekeraar van Kanopeo . Chubb eist in de hoofdzaak betaling van schadevergoeding van Kdynium . Chubb stelt dat zij de verhaalsvordering op Kdynium heeft gekocht van de nabestaanden van [persoon] . Chubb meent dat Kdynium als producent van het afgebroken onderdeel aansprakelijk is voor de schade. In de hoofdzaak gaat het om de vraag of Kdynium een gebrekkig product in het verkeer heeft gebracht en hiervoor aansprakelijk is. Kdynium voert meerdere bevrijdende verweren, bijvoorbeeld het verweer dat het gebrek is veroorzaakt door Kanopeo vanwege ongeschikt materiaal van de saferoller. In de vrijwaringszaak meent Kdynium dat Prolim en Funcha moeten betalen waartoe zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. Prolim heeft de ontwerpkeuze voor de saferoller mede bepaald. Funcha heeft een tweede klem, de pole clamp, niet juist gemonteerd waardoor er geen back-upbeveiliging voor de afgebroken long zipline clamp aanwezig was. 1.2. De rechtbank wijst de vordering van Chubb in de hoofdzaak toe. De vorderingen van Kdynium in de vrijwaringszaak worden afgewezen. De rechtbank legt onder het kopje ‘De beoordeling’ uit waarom. Eerst wordt ingegaan op het verloop van de procedures, de feiten en de vorderingen in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak. Onder het laatste kopje is de beslissing van de rechtbank te lezen. 2 De procedure in de hoofdzaak 2.1. Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit: - het tussenvonnis van 18 september 2024 en de daarin genoemde stukken, - de akte met producties 7 t/m 14 van Chubb van 13 februari 2025, - de akte met producties 15 t/m 17 en een vertaling van producties 7 t/m 10 van 29 september 2025 van Chubb , - de akte met productie 18 van 29 september 2025 van Chubb , - de akte met productie 19 van 30 september 2025 van Chubb , - de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, waarbij de spreekaantekeningen zijn gevoegd die tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgedragen. in de vrijwaringszaak 2.2. Het verloop van de procedure in de vrijwaringzaak blijkt uit: - het tussenvonnis van 26 maart 2025 en de daarin genoemde stukken, - de conclusie van antwoord met producties 3 t/m 6 van Funcha van 15 januari 2025, - de akte met de vertaling van producties 2 t/m 12 van Prolim van 6 oktober 2025,- de zittingsaantekeningen van de mondeling De long zipline was met paal T18 verbonden met twee om de paal gewikkelde bevestigingskabels. De twee kabels liepen elk door één van de twee sparingen in de arm van de long zipline clamp. De pole clamp was met twee bouten aan paal T18 bevestigd. 3.16. Bij brief van 24 oktober 2016 heeft de toenmalige advocaat van de nabestaanden van [persoon] (zijn vrouw en twee kinderen) Kdynium aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijden als gevolg van het ongeval van [persoon] . 3.17. [echtgenote persoon] heeft (mede namens haar twee kinderen) drie aktes van cessie met Chubb gesloten. In deze aktes is bepaald dat de nabestaanden van [persoon] hun vordering om de schade te verhalen op derden hebben gecedeerd aan Chubb . In totaal gaat het om een koopsom van € 418.125,18. Dit is het bedrag dat Chubb aan de nabestaanden van [persoon] heeft betaald. De eerste akte van cessie met een koopsom van € 57.470,51 is op 28 november 2017 door Chubb ondertekend en op 1 december 2017 door [echtgenote persoon] . Het bedrag is betaald op 7 december 2017. De tweede akte met een koopsom van € 8.154,67 is op 2 augustus 2018 door Chubb ondertekend en op 4 september 2018 door [echtgenote persoon] . Het bedrag is betaald op 22 februari 2019. De derde akte van cessie met een koopsom van € 352.500,00 is op 23 april 2020 door Chubb ondertekend en op 29 april 2020 door [echtgenote persoon] . Dit bedrag is betaald op 26 mei 2020. 3.18. Bij brief van 13 september 2018 aan Kdynium heeft de toenmalige advocaat van de nabestaanden van [persoon] bericht dat de verjaring van de schadevordering met deze brief wordt gestuit. 3.19. Bij brief van 19 november 2018 heeft Chubb Kdynium bericht dat zij de verjaring van de vordering tot betaling van schadevergoeding stuit. 3.20. TNO heeft voor het strafrechtelijk onderzoek tegen Kanepeo een deskundigenonderzoek uitgevoerd naar de oorzaak van het ongeval van [persoon] . Op 20 september 2019 heeft TNO een eindrapport hiervan opgesteld. TNO concludeert het volgende: ‘10.1 Vraag 1 Wat is of zijn de feitelijke, technische oorzaken van de breuk(en)? Is dit mogelijk een gevolg van: a) een productie- of ontwerpfout; b) (over)belasting; c) vermoeidheid: d) enig ander aspect (bijvoorbeeld SCC verschijnsel) e) of een combinatie van het bovenstaande? t) of een volledige andere oorzaak? Antwoord vraag 1: Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat het ongeval is ontstaan doordat de Long Zip Clamp, waarmee Zip Line H5 was verbonden aan mast T18, was bezweken. Uit het metaalkundig en metallurgisch onderzoek is naar voren gekomen dat in de arm van de Long Zip Clamp vrijwel zeker sprake was van scheurvormende spanningscorrosie (Stress Corrosion Cracking). Als gevolg van deze scheurvormende spanningscorrosie (SSC) was de werkende doorsnede van de arm in de tijd afgenomen. Het is vrijwel zeker dat deze afname dusdanig groot was dat de Long Zip Clamp, ten tijde van het ongeval, niet meer in staat was om de gebruiksbelasting op te nemen. Het scenario van initieel onvoldoende sterkte van de Long Zip Clamp kan niet verworpen worden. Echter, dit scenario is niet waarschijnlijk, want de Long Zip Clamp was al ruim een jaar in gebruik geweest, alvorens deze is bezweken. Ten aanzien van de genoemde factoren geldt het volgende: a) Ontwerpfout : Uit de constructieve analyse van de Long Zip Clamp is gebleken dat de maximaal optredende kabelkrachten en materiaalspanningen voldoende laag zijn gebleven, waardoor het scenario van een onjuist ontwerp komt te vervallen. Productiefout : Ten aanzien van de scheurvormende spanningscorrosie (Stress Corrosion Cracking (SCC)) geldt dat de aanwezigheid van carbide precipitatie, de relatief hoge hardheid en de relatief grote korrels er op duiden dat er zeer waarschijnlijk bij de productie van de arm van de Long Zip Clamp, tijdens de warmtebehandeling, iets is misgegaan. b) (over)belasting : Het ongeval is niet ontstaan door een hogere belasting op de Long Zip Clamp dan was voorzien. c) Vermoeidheid : Uit het metaalkund Kdynium vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Prolim en Funcha hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan Kdynium al hetgeen waartoe Kdynium in de hoofdzaak tegenover Chubb mocht worden veroordeeld, waaronder de proceskosten van de hoofdzaak, met hoofdelijke veroordeling van Prolim en Funcha in de proceskosten van de vrijwaringszaak. 4.6. Kdynium stelt dat Prolim voor de schade aansprakelijk is, omdat Prolim mede de materiaalkeuze voor de saferoller onderdelen bepaalde. 4.7. Volgens Kdynium is Funcha aansprakelijk omdat Funcha de pole clamp verkeerd heeft geïnstalleerd. Hierdoor functioneerde de pole clamp als de back-upbeveiliging niet. Indien de beveiliging wel had gefunctioneerd, dan was de tokkelbaan ondanks het afbreken van de long zipline clamp niet naar beneden gestort. Ook verwijt Kdynium Funcha dat de houten palen houtrot en schimmel hadden. 4.8. Prolim en Funcha voeren gemotiveerd verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering van Kdynium . 4.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak 5.1. Omdat niet alle partijen in Nederland zijn gevestigd, heeft deze zaak een internationaal karakter. Dat betekent dat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de zaak (hoofdzaak en vrijwaringszaak) kennis te nemen en, zo ja, welk recht dan door deze rechter moet worden toegepast. 5.2. In de hoofdzaak is bij vonnis van 17 april 2024 geoordeeld dat de Nederlandse rechter, meer specifiek de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, bevoegd is om van de vorderingen van Chubb kennis te nemen op grond van artikel 7 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 1215/2012 (Brussel I bis-Verordening). Ook is geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op grond van artikel 4 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II-Verordening). De rechtbank voegt hieraan toe dat, voor zover sprake is van productaansprakelijkheid, Nederlands recht van toepassing is op grond van artikel 4 aanhef en sub a van het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op de aansprakelijkheid wegens produkten. 5.3. Omdat de rechtbank bevoegd is in de hoofdzaak, is deze ook bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in de vrijwaringszaak. Dat volgt uit artikel 8 lid 2 Brussel I bis-Verordening. Daarnaast is ook in de vrijwaringszaak Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 4 lid 1 Rome II-Verordening. 5.4. De rechtbank zal hieronder als eerste de vorderingen in de hoofdzaak inhoudelijk behandelen. Daarna volgt de beoordeling in de vrijwaringszaak. in de hoofdzaak De vordering van € 418.125,18 Cessie of subrogatie? 5.5. Chubb heeft aan de nabestaanden van [persoon] wegens het ongeval van [persoon] in totaal € 418.125,18 betaald. Chubb en Kdynium verschillen van mening over de vraag of deze betaling is verricht ten behoeve van de cessie of dat Chubb door de gedane betaling op grond van subrogatie in de rechten van haar verzekerde Kanopeo is getreden. 5.6. Chubb stelt zich op het standpunt dat de nabestaanden van [persoon] hun vordering om de schade te verhalen hebben verkocht en overgedragen aan Chubb voor een totaalbedrag van € 418.125,18. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst zij naar drie aktes van cessie waarbij steeds drie betalingen zijn gedaan en de vaststellingsovereenkomst van 29 april 2020. 5.7. Kdynium betwist dat sprake is van cessie. Kdynium voert in haar conclusie van antwoord aan dat Chubb door de gedane betaling in de rechten van haar verzekerde Kanopeo is getreden. Kdynium beroept zich op de toepasselijkheid van artikel 7:962 BW. Chubb heeft als verzekeraar van Kanopeo de schade afgewikkeld. Cessie van de vordering was hierdoor niet meer mogelijk. Kdynium stelt ook dat Chubb niet met betalingsbewijzen aantoont dat de cessie van de vordering eerder heeft plaatsgevonden dan de uitbetaling aan de nabestaanden. Alleen in dat geval kan sprake zijn van cessie. Chubb toont ook niet aan dat de schade is veroorzaakt door een gebrek aan de zijde van Kdynium . 5.17. De rechtbank is van oordeel dat de (arm van de) long zipline clamp gebrekkig is. De long zipline clamp is afgebroken en heeft (overlijdens)schade veroorzaakt terwijl het tussen partijen vaststaat dat [persoon] tijdens het tokkelen op normale wijze gebruik heeft gemaakt van de saferoller. Deze eigenschap, het afbreken van de long zipline clamp en het veroorzaken van ernstige schade tijdens normaal gebruik ervan, hoefde men als gebruiker niet te verwachten. De long zipline clamp biedt daarom niet de veiligheid die men van een onderdeel van een zekeringssysteem van een tokkelbaan mag verwachten. Ook de saferoller biedt daarom niet de veiligheid die men van een zekeringssysteem mag verwachten. 5.18. Dat betekent dat Kanopeo als fabrikant van het eindproduct en Kdynium als fabrikant van het gebrekkige onderdeel in beginsel aansprakelijk zijn voor de schade die door het gebrek in de saferoller is veroorzaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat het gevorderde bedrag aan overlijdenschade het gevolg is van het breken van de long zipline clamp. De drie verweren van Kdynium 5.19. Kdynium is niet aansprakelijk op grond van artikel 6:185 BW wanneer het door haar gedane beroep op een verweermiddel uit de regeling van de productaansprakelijkheid slaagt. Kdynium voert drie verweren die de rechtbank hieronder zal beoordelen. Kdynium stelt dat: het gebrek is te wijten aan de instructies van Kanopeo , het recht op schadevergoeding is vervallen, de vordering is verjaard. 1. Het gebrek is te wijten aan de instructies van Kanopeo 5.20. Kdynium voert aan dat de afgebroken long zipline clamp het rechtstreekse gevolg is van de instructies van Kanopeo . Kdynium heeft op grond van de instructies van Kanopeo en Prolim de onderdelen van de saferoller gefabriceerd. Het ontwerp, de afmetingen, de materiaaleigenschappen en behandelingen van de saferoller zijn van Kanopeo en Prolim afkomstig. Kanopeo en Prolim kozen voor de productie van de saferoller met [legering 3] . Deze legering was ongeschikt. Het barsten van de long zipline clamp is volgens TNO het gevolg geweest van scheurvormende spanningscorrosie. In twee deskundigenrapporten van [bedrijf voor materiaaltesten] , die bijlagen zijn van het TNO-rapport, wordt hier verder op ingegaan. Zij hebben onderzoek gedaan naar de relatie tussen de intrinsieke hardheid van het materiaal, de brosheid en de daardoor optredende corrosie. Uit deze rapporten volgt dat de saferoller onderdelen uit [legering 3] door de intrinsieke hardheid van het gekozen materiaal vatbaar zijn voor zogeheten hydrogen embrittlement. Dat geldt zeker in vochtige omgevingen zoals de Biesbosch . Hydrogen embrittlement leidde tot de scheurvormende spanningscorrosie waardoor het onderdeel kan breken, samen met de “stress resulting from external loading”. Tot slot heeft Kdynium kritiek geuit op het rapport van TNO. 5.21. Chubb betwist dat het gebrek is veroorzaakt door het ontwerp of de instructies van Kanopeo . Volgens Chubb is het gebrek veroorzaakt door een productiefout. Zij verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de conclusies uit het rapport van TNO. Chubb stelt in dit verband dat TNO op pagina 32 van het rapport heeft geconcludeerd dat er waarschijnlijk bij de productie van de long zipline clamp iets is misgegaan tijdens de warmtebehandeling. Hierdoor is de sterkte van de long zipline clamp in de tijd afgenomen. Dit is volgens TNO het meest reële scenario voor het bezwijken van de long zipline clamp ten tijde van het ongeval. TNO concludeert dan ook op pagina 45 dat sprake is van een productiefout. Van een ontwerpfout is volgens TNO geen sprake. 5.22. De rechtbank leidt uit de stellingen van Kdynium af dat zij zich beroept op het verweermiddel van artikel 6:185 lid 1 sub f BW. Artikel 6:185 lid 1 sub f BW bepaalt dat een fabrikant van een onderdeel van het product niet aansprakelijk is indien het gebrek is te wijten aan het Geldt het eerste tijdstip, dan is het recht op schadevergoeding vervallen. Geldt het tweede tijdstip, dan is het recht niet vervallen. 5.29. Chubb betwist gemotiveerd dat de betreffende long zipline al op 27 maart 2013 is geleverd aan Kanopeo . Zij wijst er terecht op dat uit de door haar overgelegde facebookberichten blijkt dat de tokkelbaan over het water nog niet af was toen het klimpark voor het publiek openging. Kdynium voert in reactie op deze betwisting van Chubb geen nieuwe feiten of omstandigheden aan waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat de long zipline clamp die is afgebroken al op 27 maart 2013 is geleverd en is gemonteerd op de tokkelbaan die over het water gaat. Kdynium is bijvoorbeeld niet ingegaan op de hoeveelheid clamps die Funcha heeft gebruikt voor de bouw van de tokkelbaan of wanneer Funcha dit specifieke onderdeel van het klimpark heeft gebouwd en heeft opgeleverd. De rechtbank is daarom van oordeel dat Kdynium haar stelling dat de afgebroken long zipline clamp in het verkeer is gebracht op 27 maart 2013 onvoldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen en dit bevrijdende verweer van Kdynium wordt dus gepasseerd. 4) Het verweer dat de vordering is verjaard 5.30. Kdynium stelt zich daarnaast op het standpunt dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden omdat de vordering van Chubb tot betaling van schadevergoeding is verjaard. Volgens Kdynium is de verjaring van de vordering aangevangen op 21 november 2014 omdat de gestelde schade en aansprakelijkheid van Kdynium als producent van de long zipline clamp al op 20 november 2014 bij Kanopeo bekend waren. Kdynium is al 1 dag na het ongeval hierover door Kanopeo geïnformeerd. De termijn van vijf jaar is daarom verstreken. 5.31. Chubb betwist dit en stelt dat door middel van de brieven in 2016, 2018 en 2021 aan Kdynium de verjaring van de vordering tot schadevergoeding is gestuit. Hierdoor kan Kdynium geen geslaagd beroep doen op artikel 6:191 lid 1 BW of artikel 3:310 lid 1 BW. 5.32. Kdynium beroept zich op verjaring op grond van artikel 3:310 BW maar voor de regeling van de productaansprakelijkheid geldt een ander artikel voor verjaring, namelijk artikel 6:191 BW. Hierin staat dat de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer tegen de producent op grond van artikel 6:185 BW verjaart door verloop van drie jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde met de schade, het gebrek en de identiteit van de producent bekend is geworden of had moeten worden. 5.33. Het beroep van Kdynium op verjaring (op grond van beide artikelen) gaat niet op. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt. 5.33.1. Het staat tussen partijen niet ter discussie wanneer precies de verjaring is gaan lopen. Wel is tussen partijen in geschil of de vordering tijdig is gestuit waardoor de verjaringstermijn weer opnieuw is gaan lopen. Chubb stelt dat de verjaring is gestuit bij brieven van 24 oktober 2016 en 13 september 2018 van de nabestaanden van [persoon] aan Kdynium en bij brieven van 19 november 2018 en 25 augustus 2021 van Chubb aan Kdynium . Zoals Kdynium ter zitting heeft aangevoerd, heeft de stuitingsverklaring in een brief pas haar werking wanneer die brief die persoon heeft bereikt (artikel 3:37 BW). Kdynium heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij niet weet of ze de hierboven genoemde brieven heeft ontvangen. Uit deze verklaring blijkt niet (duidelijk) dat Kdynium stelt dat ze de brieven niet heeft ontvangen. Chubb heeft de brieven en de ontvangstbewijzen hiervan overgelegd. De brieven van 24 oktober 2016 en 13 september 2018 zijn aangetekend verstuurd naar Kdynium met handtekeningbevestiging. De brief van 19 november 2018 is per e-mail en per post verstuurd. Chubb heeft het e-mailbericht overgelegd waarin staat dat het bericht is bezorgd bij het door Chubb gebruikte e-mailadres van Kdynium . Ook de brief van 25 augustus 2021 is per e-mail en per post verstuurd. Volgens het bericht van Post.nl is de brief Kdynium stelt dat Chubb in de dagvaarding niet ingaat op het standpunt van Kdynium . Zij is volgens haar rauwelijks in rechte betrokken. Ook is Kdynium van mening dat Chubb niet aan haar stelplicht heeft voldaan omdat zij in de dagvaarding niet inzichtelijk maakt hoe door haar overgelegde producties zich tot haar standpunt verhouden. Hierdoor was het voor Kdynium veelal niet duidelijk waartegen zij zich moest verweren. 5.46. Hoewel Kdynium terecht aanvoert dat de dagvaarding kort is, blijkt hieruit wel welk verwijt Chubb jegens Kdynium maakt. Het is de rechtbank niet gebleken dat Kdynium niet wist waartegen ze zich moest verweren of dat relevante feiten achterwege zijn gehouden. Kdynium stelt verder dat zij rauwelijks is gedagvaard. Chubb heeft deze stelling niet betwist. Chubb geeft zelf in de dagvaarding aan dat haar geen verweer van Kdynium bekend was. Dit suggereert dat zij zoals Kdynium stelt inderdaad zonder eerst minnelijk overleg te voeren direct een dagvaarding heeft uitgebracht. Een dergelijke proceshouding vindt de rechtbank niet gepast. Chubb had eerst moeten onderzoeken of het geschil zonder tussenkomst van de rechtbank kon worden opgelost voordat zij tot dagvaarding overging. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. 5.47. Verder heeft Kdynium tijdens de mondelinge behandeling schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de akte van Chubb met producties 15 t/m 17 en de akte met producties 18 en 19. De voorzitter heeft beslist dat de producties deel uitmaken van het procesdossier. Wat betreft productie 15, zijnde het deskundigenverslag van 11 december 2020, heeft de voorzitter aangegeven dat Kdynium hierop nog schriftelijk mag reageren wanneer de rechtbank hier behoefte aan heeft. Gelet op het oordeel van de rechtbank in de hoofdzaak is een akte van Kdynium hierover niet nodig. De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad 5.48. Chubb verzoekt de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Kdynium maakt hiertegen bezwaar. Chubb heeft volgens haar geen belang hierbij en wijst op de hoge jaaromzet van Chubb . Volgens Kdynium heeft zij wel belang bij schorsing bij hoger beroep, omdat haar bedrijfsvoering hierdoor niet onnodig wordt gefrustreerd en omdat zij het belangrijk vindt dat een mogelijke veroordeling aan haar zijde gelijk loopt met een definitieve regresvordering. Anders blijft zij met een regresvordering achter. Chubb voert aan dat zij wel belang bij deze vordering heeft gelet op de jaarcijfers van Kdynium . Er is sprake van een debiteurenrisico. 5.49. Om te bepalen of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, moet de rechtbank de belangen van partijen afwegen en beslissen wiens belang zwaarder weegt. Het uitgangspunt is dat Chubb bij de veroordeling tot betaling van een geldsom belang heeft om de uitspraak meteen uit te kunnen laten voeren. Daartegenover staat het belang van Kdynium bij behoud van de bestaande toestand totdat onherroepelijk is beslist. 5.50. De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt toegewezen. Het belang van Chubb om gelijk betaling te kunnen krijgen weegt zwaarder dan het belang van Kdynium . De hoge omzet van Chubb is geen reden om deze vordering af te wijzen. Het vonnis zal daarom voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De proceskostenveroordeling 5.51. Zoals hiervoor onder 5.46 is overwogen, heeft Chubb Kdynium rauwelijks gedagvaard en ziet de rechtbank in die omstandigheid aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5.52. Tot slot merkt de rechtbank op dat Chubb tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht zij in haar eis per ongeluk ook een proceskostenveroordeling tegen Funcha heeft opgenomen. De rechtbank heeft deze vordering daarom niet opgenomen als vordering onder het kopje ‘Het geschil’ en op die vordering ook niet beslist. in de vrijwaringsza De rechtbank volgt daarom Funcha in haar standpunt dat de handleiding van Kanopeo van 1 mei 2013 van toepassing was tijdens de bouw van het klimpark door Funcha . Ook TNO gaat in haar rapport van deze handleiding uit. Funcha verwijst naar pagina 31 van de handleiding van 1 mei 2013. Daar staat voorgeschreven dat een long zipline clamp als enige back-up twee om de mast gewikkelde bevestigingskabels moest hebben. Er staat niets vermeld over de pole clamp als back-upbeveiliging. 5.62.2. Verder verwijst Funcha naar pagina 43 van het TNO-rapport. Hierin staat dat de wijze van bevestigen door Funcha in overeenstemming is met hetgeen is weergegeven in de handleidingen van 1 mei 2013 en 18 november 2014, met de tweede bevestigingskabel als voorgeschreven back-up. Op pagina 46 concludeert TNO vervolgens dat het ongeval niet is ontstaan door een onjuiste installatie van de verschillende onderdelen van de constructie. Vanwege de gemotiveerde betwisting van Funcha lag het op de weg van Kdynium om in reactie hierop nader te onderbouwen waarom deze conclusie van TNO volgens haar onjuist is. Hierin is Kdynium niet geslaagd. Aansprakelijkheid van Funcha op basis van dit verwijt wordt daarom verworpen. Het verwijt dat de houten palen verrot waren 5.63. Als tweede verwijt voert Kdynium aan dat de houten palen waaraan de long zipline vast zat te kampen hadden met houtrot en schimmel. Het hout van het klimpark is vrij snel na oplevering van het klimpark gaan rotten. 5.64. Funcha betwist dat en stelt dat er geen tekenen van houtrot waren ten tijde van het ongeval. De gebrekkige long zipline clamp heeft het ongeval veroorzaakt. 5.65. De rechtbank oordeelt dat dit verwijt tegenover Funcha ook niet slaagt. Zoals blijkt uit het arrest van het hof van 20 september 2022 zijn de eerste tekenen van houtrot eind 2016 door St. Hubertushoeve geconstateerd. Dat is twee jaar na het ongeval van [persoon] op 20 november 2014. De stelling van Kdynium dat de schade is veroorzaakt door houtrot van de houten palen en schimmel wordt daarom wegens onvoldoende onderbouwing verworpen. Conclusie 5.66. De conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen van Kdynium tegen Prolim en Funcha in deze vrijwaringszaak worden afgewezen. Proceskostenveroordeling 5.67. Kdynium is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Prolim en Funcha zijn beide verschenen bij afzonderlijke advocaten. Dat betekent dat Kdynium wordt veroordeeld in de proceskosten van Prolim en Funcha en dat die kosten apart worden begroot. 5.68. De proceskosten van Prolim worden begroot op: - griffierecht € 6.617,00 - salaris advocaat € 7.446,00 (2 punten × € 3.723,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 14.252,00 5.69. De proceskosten van Funcha worden ook op dezelfde wijze op dit bedrag begroot. 5.70. De door Funcha gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals is vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De rechtbank in de hoofdzaak 6.1. verklaart Chubb niet-ontvankelijk in haar vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht, 6.2. veroordeelt Kdynium tot betaling aan Chubb van een schadevergoeding van € 418.125,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 november 2014 tot de dag van volledige betaling, 6.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de beslissing onder 6.2, 6.5. wijst het meer of anders gevorderde af, in de vrijwaringszaak 6.6. wijst het gevorderde af, 6.7. veroordeelt Kdynium in de proceskosten van Prolim van € 14.252,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Kdynium niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.8. veroordeelt Kdynium in de proc