Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-29
ECLI:NL:RBZWB:2026:613
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 11988662 \ AZ VERZ 25-83 Beschikking van 29 januari 2026 in de zaak van [werknemer] wonende te [plaats 1] verzoekende partij verwerende partij in het tegenverzoek hierna te noemen: [werknemer] gemachtigde: mr. D.F. Oberman tegen [werkgever] B.V. statutair gevestigd te [plaats 1] en kantoorhoudende te [plaats 2] verwerende partij verzoekende partij in het tegenverzoek hierna te noemen: [werkgever] gemachtigde: mr. M.A. Krieger De zaak in het kort In deze zaak verzoekt [werknemer] om vernietiging van het ontslag op staande voet dat [werkgever] aan hem heeft gegeven. De kantonrechter wijst het verzoekt af, omdat het ontslag (rechts)geldig is. Het tegenverzoek van [werkgever] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen. Haar vordering, op grond van een beding in een separate overeenkomst, om door haar gemaakte kosten te voldoen, wordt afgewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift; - het verweerschrift, met een tegenverzoek; - de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van 18 december 2025. 1.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt van hetgeen werd besproken. Mr. Oberman heeft spreekaantekeningen overgelegd. [werknemer] zelf heeft de door hem voorgedragen aantekeningen overgelegd. 2 De feiten 2.1. [werkgever] is een laboratorium en onderzoeksbureau dat zich specialiseert in detectie en analyse van chroom-6 verbindingen en andere gevaarlijke stoffen. 2.2. [werknemer] , die is geboren op [geboortedag] 1999, is op 1 augustus 2024 bij [werkgever] in dienst getreden. Vanaf 1 januari 2025 gold het dienstverband voor onbepaalde tijd. [werknemer] was gedurende 40 uur per week werkzaam in de functie van R&D Technician. Zijn loon bedroeg € 3.246,16 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag. 2.3. [werknemer] is arbeidsmigrant. Ten behoeve van zijn verblijf in Nederland heeft [werkgever] een verklaring als referent afgelegd . Partijen zijn schriftelijk overeengekomen onder welke voorwaarden [werknemer] de in verband hiermee door [werkgever] gemaakte kosten aan haar moet vergoeden. 2.4. Op 7 oktober 2025 is [werknemer] op staande voet ontslagen. De gemachtigde van [werkgever] heeft het ontslag schriftelijk bevestigd bij brief van 8 oktober 2025. Daarin is onder meer het volgende vermeld: “ Middels dit schrijven bevestig ik namens cliënte dat u op 7 oktober 2025 door cliënte op staande voet bent ontslagen. Dit vanwege het feit dat u in ernstige mate de bekwaamheid dan wel geschiktheid mist tot de arbeid waarvoor u zich heeft verbonden, u opzettelijk dan wel ondanks waarschuwing roekeloos uw collega’s aan ernstig gevaar heeft blootgesteld, u opzettelijk dan wel ondanks waarschuwing roekeloos eigendom van cliënte heeft beschadigd en aan ernstig gevaar heeft blootgesteld en u op grove wijze de op u rustende plichten heeft verontachtzaamt. ” En verder: “ Op 7 oktober 2025 heeft er een zeer ernstig incident plaatsgevonden in het labaratorium waar u werkte. Er is een erlenmeyerfles met daarin geconcentreerd zoutzuur en salpeterzuur in de ultrasoonreiniger ontploft. Uit de daarna direct door cliënte, u en het team uitgevoerde reconstructie bleek het volgende: U heeft in strijd met alle geldende (veiligheids)protocollen, op eigen initiatief, zonder voorafgaand overleg met collega’s en/of cliënte en zonder toestemming van cliënte bewust twee zeer gevaarlijke stoffen met elkaar gemengd in onbekende verhoudingen; U bent bewust afgeweken van het geldende schoonmaakprotocol m.b.t. de schoonmaakprocedure voor magneten; U heeft de fles met daarin de bovengenoemde substantie bewust luchtdicht afgesloten, waardoor een gasdrukopbouw plaatsvond en daarmee bewust het risico op een explosie aanvaard; U heeft uw collega’s niet ingelicht en/of gewaarschuwd, waardoor voorafgaand aan de explosie drie collega’s de betreffende fles nog in handen hebben gehad en daarmee b In de ochtend worden de magneten minstens 20 minuten in aceton gesoneerd voor gebruik. Deze werkwijze is bevestigd in de besluitenlijst bij het verslag van het overleg op 28 mei 2025. Notulist bij beide overleggen was [werknemer] . 5.5. Op 6 oktober 2025 heeft [werknemer] verontreinigde magneten gevoegd bij andere magneten die op dat moment al werden gereinigd in een erlenmeyer (laboratoriumfles) met daarin zoutzuur. Vervolgens heeft hij salpeterzuur toegevoegd, de dop van de erlenmeyer dichtgedraaid en de erlenmeyer geplaatst in de sonicator die in de afvalruimte stond. Door een chemische reactie van de twee zuren is in de erlenmeyer druk opgebouwd waardoor die uiteindelijk is geëxplodeerd. 5.6. De explosie heeft materiële schade veroorzaakt, zij het dat die relatief gering was. Geen van de aanwezigen heeft letsel opgelopen, met uitzondering van tijdelijke gehoor-schade bij een van hen. Dit incident had veel ernstiger kunnen aflopen, te meer omdat, zoals [werknemer] in zijn verzoekschrift vermeldt, enkele collega’s de erlenmeyer nog in handen hebben gehad, althans hebben beoordeeld omdat de inhoud daarvan van kleur veranderde en hen de oorzaak daarvan niet duidelijk was. 5.7. Diezelfde avond schreef een van de directieleden van [werkgever] in de groepsapp dat hij de volgende dag met het team het voorval wilde evalueren en dan ook graag ideeën vernam om zoiets in de toekomst te voorkomen. Daaraan voegde hij toe: “ There is no one to blame, and I’m very happy that nobody got hurt. ” [werknemer] wijst op dit WhatsAppbericht maar de mededeling dat niemand schuld heeft pleit hem niet vrij. Ter zitting verklaarde het andere directielid van [werkgever] namelijk dat op het moment van schrijven [werkgever] nog niet wist dat er protocollen waren geschonden. De handelwijze van [werknemer] was dan ook geen vergissing. De dag na het incident heeft een evaluatie met het personeel plaatsgevonden. In het verslag daarvan is opgetekend dat de technician (kantonrechter: [werknemer] ) aangaf dat hij dit eerder zonder problemen had gedaan en hij daarom aannam dat het veilig was. En ter zitting verklaarde [werknemer] desgevraagd dat hij van de procedure was afgeweken teneinde de magneten op een meer efficiëntere wijze schoon te maken. Ook nu zei hij dat hij dit al vaker had gedaan en hij niet dacht dat het onveilig was. Verder verklaarde [werknemer] dat hij zich niet kon herinneren of hij toestemming had gevraagd om van het protocol af te wijken. Daarentegen volgt uit een van de schriftelijke verklaringen van collega’s dat [werknemer] voorafgaande aan het incident nog heeft gevraagd of de procedure voor het reinigen van de magneten was veranderd, waarop de betreffende collega volgens haar verklaring ontkennend antwoordde. [werknemer] heeft deze verklaring niet weersproken. 5.8. [werkgever] verwijst naar de functieomschrijving van een R&D Technician waarin is opgenomen: “ The R&D Technician is crucial for ensuring that all laboratory operations comply with safety standards, particularly when working with hazardous and CMR chemicals. ” en dat een van zijn “ key responsibilities ” luidt: “ Follow all safety protocols when handling hazardous CMR chemicals .” en “ Ensure all work complies with relevant regulations en [werkgever] ’s quality management system (ISO17025). ” [werknemer] voert aan dat [werkgever] geen goedgekeurd of duidelijk gedefinieerd veiligheidsprotocol, noch een goedgekeurde SOP (standard operating procedure) kent maar de in de hierboven vermelde overleggen vastgestelde uniforme werkwijze voor het reinigen van magneten is voldoende duidelijk. Bovendien heeft [werknemer] als notulist bij die overleggen de werkwijze zelf opgetekend en in een e-mail van 15 mei 2025 onder het personeel verspreid. Hij wist dus op welke wijze hij volgens [werkgever] magneten moest reinigen en diende overeenkomstig zijn functieomschrijving daarnaar te handelen. Hij is echter bewust van dat protocol afgeweken en heeft dusdoende roekeloos gehandeld. 5.9. Niet [werknemer] verwijst naar twee bepalingen in zijn arbeidsovereenkomst die (voor zover hier van belang) luiden: “ 6.1 The Employee’s salary, at the time of employment commencement, is EUR 3246,16 gross per month, excluding vacation allowance. This salary is determined in accordance with salary scale 8 of the CAO Rijk, with the Employee starting at 0 years of experience. (...) 6.3 The Employer follows the CAO Rijk for salary scales and CAO increases, with the exception of special and one-time bonuses mentioned in the CAO. These will not apply to the Employee’s employment agreement. ” [werknemer] betoogt dat de Cao-schaal is gebaseerd op een 36-urige werkweek, terwijl hij steeds 40 uur per week werkzaam was. Gedurende zijn dienstverband heeft dus wekelijk 4 uur meer gewerkt. In totaal is dit 208 uur geweest. Bij een uurloon van € 18,73 is [werkgever] hem daarom nog € 3.895,84 aan loon verschuldigd, aldus [werknemer] . Daarin wordt hij echter niet gevolgd. In de geciteerde bepaling 6.1 is het (aanvangs)loon vermeld. Voor de hoogte van het bedrag is verwezen naar de salarissentabel in de Cao Rijk. In de arbeidsovereenkomst is niet vermeld dat het betreffende bedrag gerelateerd is aan een 36-urige werkweek en moet worden omgerekend naar 40 uur per week. Wel is vermeld dat de werkgever de Cao Rijk volgt waar het gaat om salarisschalen en loonsverhogingen volgens de Cao Rijk maar (ook) daarmee is niet gezegd dat het loon van [werknemer] gelijk is aan dat van een rijksambtenaar in dezelfde schaal. Eindafrekening 5.17 [werknemer] ’s vordering om een deugdelijke eindafrekening op te maken en daarvan aan hem een specificatie te verstrekken kan wel worden toegewezen. [werkgever] heeft daartegen geen verweer gevoerd. Nu niet is gesteld of gebleken dat [werkgever] niet aan deze verplichting zal voldoen bestaat geen grond om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden, zoals [werknemer] wil. Voorlopige voorziening 5.18. Omdat in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven op het verzoek van [werknemer] in de hoofdzaak is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv de door hem gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding. Het betreffende verzoek wordt daarom afgewezen. Overleggen bescheiden 5.19. Ook het verzoek om [werkgever] te bevelen e-mailcorrespondentie, interne documenten en persoonlijke notitieboeken van [werknemer] over te leggen wordt afgewezen. Volgens [werknemer] ’s verzoek van 10 december 2025 kunnen de betreffende documenten een bijdrage leveren aan het aantonen dat geen sprake was van een dringende reden. Daarvoor is het verzoek te laat ingediend - twee maanden na het ontslag en nota bene ruim een week nadat hij zijn verzoek tot vernietiging van het ontslag al had ingediend en dat een week later ter zitting zou worden behandeld. Bovendien is [werkgever] in haar verweerschrift ingegaan op de inhoud van enkele van de gevraagde stukken en kan van haar niet worden gevergd dat zij in het tijdsbestek van een week niet nauwkeurig, bijvoorbeeld door middel van data, aangewezen, maar in algemene bewoordingen aangeduide stukken in de procedure brengt. Tot slot wordt vastgesteld dat [werkgever] heeft gesteld dat zij de gevraagde notitieboeken per post naar [werknemer] ’s huisadres heeft gestuurd en zij die dus niet kan afgeven. Proceskosten 5.20. De kosten van deze procedure komen voor rekening van [werknemer] , omdat hij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden vastgesteld op € 949,00 (€ 814,00 wegens salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 6 De beoordeling van het tegenverzoek van [werkgever] Gefixeerde schadevergoeding 6.1. Het verzoek van [werkgever] om [werknemer] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde vergoeding ten bedrage van € 3.246,16 wordt toegewezen. Uit de wet volgt dat de partij bij een arbei