Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-06
ECLI:NL:RBZWB:2026:6065
Now, referentieloonsom juist vastgesteld. beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/9760 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. M.T.G. Derksen), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de definitieve tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (Now3). Eiseres is het niet eens met deze vaststelling. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vaststelling van de tegemoetkoming. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de tegemoetkoming op goede gronden op nihil heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat de totstandkoming van het bestreden besluit. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4, waarbij onder punt 4 een verwijzing is opgenomen naar het wettelijk kader, onder punten 5 en 6 staan de standpunten van de partijen en vanaf 7 volgen de overwegingen van de rechtbank. Daarbij gaat de rechtbank in op de referentieloonsom, de vaststelling van de tegemoetkoming en de belangenafweging. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Totstandkoming van het bestreden besluit 2. Eiseres heeft gevraagd om een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Now3, vierde tranche. Met het besluit van 23 februari 2021 is een tegemoetkoming in de loonkosten toegekend tot een bedrag van € 18.891. Hiervan is een bedrag van € 15.114 als voorschot betaald. 2.1 Eiseres heeft gevraagd om de definitieve tegemoetkoming vast te stellen. Met het besluit van 31 maart 2023 is de tegemoetkoming vastgesteld op € 0,00. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 2.2 Met het besluit van 7 augustus 2023 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij is meegedeeld dat de loonsom over juni 2020 gewijzigd wordt vastgesteld omdat er bijzondere betalingen zijn verricht in juni 2020. Ondanks deze aanpassing blijft de tegemoetkoming ongewijzigd nihil. Procesverloop 3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de minister heeft een verweerschrift ingediend. 3.1 De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiseres deelgenomen haar gemachtigde en [persoon 1] . Namens de minister heeft deelgenomen mr. [persoon 2] . Beoordeling door de rechtbank Wettelijk kader 4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit. Standpunt eiseres 5. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de referentiemaand niet representatief is. De daling van de loonsommen over de maanden januari 2021 tot en met maart 2021 is veroorzaakt door situaties die niet toerekenbaar zijn aan eiseres. De maand juni 2020 is daarom als referentiemaand voor de loonsom niet representatief. Eiseres heeft verzocht om bij de berekening van de subsidie uit te gaan van de loonsom van januari tot en met maart 2021 als referentieloonsom. 5.1 Verder heeft eiseres gesteld dat de minister geen belangenafweging heeft gedaan. Er is volgens eiseres onvoldoende rekening gehouden met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres heeft gesteld dat onvoldoende is meegenomen dat de omstandigheden die hebben geleid tot de lagere loonsom buiten haar invloedsfeer lagen. Zij heeft namelijk zelf geen werknemers ontslagen. Een verlaging in de loonsom buiten de schuld van de werkgever mag niet leiden tot een extra korting op het subsidiebedrag. Ook heeft eiseres nog opgemerkt dat er bij de berekening geen rekening wordt gehouden met het omzetverlies. Dat had wel moeten gebeuren volgens haar. 5.2 Voor de resterende vordering, heeft eiseres verzocht om een betalingsregeling te mogen treffen. Standpunt minister 6. De minister heeft gesteld dat de regelgever er bewust voor heeft gekozen om van de referentiemaand juni 2020 uit te gaan. Er is geen aanleiding om uit te gaan van een andere referentiemaand. 6.1 Voor wat betreft de dalende loonsom is de regelgever zich ervan bewust geweest dat de loonsom in de subsidieperiode lager kan uitvallen dan in de referentieperiode, omdat werknemers niet meer in dienst zijn of niet meer worden opgeroepen. Dat de werkgever daarop niet altijd invloed heeft gehad, was ook iets waar de regelgever zich bewust van was. Er is bewust gekozen voor de methode waarbij voor iedere euro dat de loonsom daalt, de werkgever € 0,90 minder subsidie ontvangt. Eiseres wordt daarom niet gevolgd in de door haar voorgestelde berekeningswijze. 6.2 De minister heeft gesteld dat er wel een belangenafweging heeft plaatsgevonden, maar dat zijn belang (behoud van werkgelegenheid) zwaarder weegt dan het belang van eiseres. Overwegingen rechtbank Is de referentieloonsom juist vastgesteld? 7. De regelgever heeft voor de Now3, vierde tranche de referentiemaand vastgesteld op juni 2020. In antwoord op kamervragen heeft de minister geantwoord dat wanneer uit objectief verifieerbare gegevens uit de loonadministratie blijkt dat loonkosten in de referentiemaand niet representatief waren, de niet representatieve gelden uit de loonsom gefilterd kunnen worden. Als voorbeelden daarbij werden genoemd; “ het uitbetalen van bonussen, overuren etc”. Uit deze opsomming blijkt dat het om een niet-limitatieve lijst van mogelijke uitzonderingen gaat. Uit het antwoord blijkt ook dat de grond voor het uitfilteren van genoemde loononderdelen is, dat zij niet-representatief zijn voor het loon in de referentieperiode. 7.1 De minister heeft bij het bestreden besluit toepassing gegeven aan de mogelijkheid de loonsom over de referentiemaand aan te passen. Op het loon over de maand juni 2020 is het overwerkloon en de overwerktoeslag in mindering gebracht. De rechtbank is van oordeel dat hiermee een representatief loon is vastgesteld voor de maand juni 2020. Zou eiseres gevolgd worden in haar stelling dat voor het referentieloon uitgegaan moet worden van het loon over de subsidiemaanden januari tot en met maart 2021, dan zou dit betekenen dat er feitelijk helemaal geen referentieloonsom zou zijn. Er zijn verder geen andere argumenten aangevoerd waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat het door de minister berekende referentieloon niet representatief is. De minister is bij de berekening van de subsidie daarom terecht uitgegaan van een referentieloon van € 23.984,75. Vaststelling van de tegemoetkoming 8. In artikel 19 van de Now3 is bepaald hoe de tegemoetkoming moet worden vastgesteld. Het eerste lid geeft een formule voor de berekening van de hoogte van de tegemoetkoming. Is de loonsom over de maanden januari tot en met maart 2021 lager dan driemaal de referentieloonsom (in dit geval juni 2020), dan wordt de tegemoetkoming verlaagd overeenkomstig de formule van het vijfde lid. Niet in geschil is dat de minister de tegemoetkoming heeft vastgesteld overeenkomstig de hiervoor genoemde artikelen. 8.1 De minister is bevoegd om de tegemoetkoming lager vast te stellen op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De subsidieverlening was immers anderszins onjuist en de subsidieontvanger wist dit of behoorde dit te weten, omdat de definitieve tegemoetkoming afhankelijk was van ten tijde van het toegekende voorschot nog onzekere factoren. Daarom moet de aanvrager zich realiseren dat het uiteindelijke subsidiebedrag lager kan worden vastgesteld als bijvoorbeeld de loonsom lager wordt en/of het geschatte omzetverlies lager uitvalt. Belangenafweging 9. De minister moet bij het gebruik maken van zijn bevoegdheid tot lagere vaststelling van de tegemoetkoming een belangenafweging maken. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat in haar geval de uitkomst van die berekening niet te rechtvaardigen is. Zij heeft daarbij gewezen op bijzondere omstandigheden. Ter zitting heeft zij gesteld dat die bijzondere omstandigheden bestaan uit het gegeven dat zij geen invloed heeft gehad op de dalende loonsom, dat zij voor een deel van de werknemers wel kosten heeft gemaakt (door ze leefgeld te geven en de huur van het appartement door te betalen) en dat zij in een bijzondere branche (de uitzendbranche) werkzaam is. Mede gelet op wat ter zitting naar voren is gebracht, begrijpt de rechtbank deze beroepsgrond zo dat eiseres van mening is dat in het kader van de belangenafweging de subsidie niet op nihil had mogen worden vastgesteld. 9.1 Bij de belangenafweging moet de minister een afweging maken tussen het belang van een juiste vaststelling van de Now-subsidie enerzijds en de gevolgen van een lagere vaststelling voor eiseres anderzijds. Op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel mogen de voor eiseres nadelige gevolgen van de lagere vaststelling niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet zozeer het in het algemeen tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. Bij deze directe toetsing van een (bestreden) besluit aan het evenredigheidsbeginsel kunnen de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het (bestreden) besluit een rol spelen. 9.2 De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit geen (kenbare) belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het bestreden besluit lijdt daarmee aan een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dit gebrek op grond van artikel 6:22 van de Awb passeren omdat eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad. In het verweerschrift heeft immers alsnog een belangenafweging plaatsgevonden en eiseres heeft hier ook nog op kunnen reageren. 9.3 De regelgever heeft voor de situatie dat de loonsom in de subsidiemaanden lager is dan driemaal de referentieloonsom uitdrukkelijk gekozen voor de berekeningswijze van artikel 19, vijfde lid, van de Now3 waarbij geen rekening is gehouden met het omzetverlies. Het gevolg hiervan is dat voor elke euro dat de loonsom daalt, de werkgever € 0,90 minder Now-subsidie ontvangt. Voor deze methode is gekozen vanuit het doel van de Now-regeling; het behoud van werkgelegenheid. Dat is een legitiem doel waaraan zwaarwegende betekenis toekomt. Door bij de subsidievaststelling ten aanzien van de gedaalde loonsom geen rekening te houden met het omzetverlies, worden werkgevers gestimuleerd de loonsom zo veel mogelijk gelijk te houden. Het doel van behoud van werkgelegenheid kan omwille van het noodzakelijk grofmazig karakter van de Now3 en een praktische uitvoerbaarheid daarvan worden bereikt, indien de berekeningswijze van artikel 19, vijfde lid, van de Now3 consequent wordt toegepast. In zoverre is het bestreden besluit dan ook geschikt en noodzakelijk te achten. 9.4 Tegenover het op zichzelf geschikt en noodzakelijk geachte bestreden besluit staat dat toepassing van artikel 19, vijfde lid, van de Now3 voor eiseres nadelige gevolgen heeft. Deze gevolgen maken echter niet dat het bestreden besluit in dit geval voor eiseres als onredelijk bezwarend moet worden beoordeeld. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. 9.5 Zoals in 9.3 is vermeld, heeft de regelgever uitdrukkelijk gekozen voor de berekeningswijze van artikel 19, vijfde lid, van de Now3. De regelgever was zich er daarbij van bewust dat de loonsom in de subsidieperiode lager kan uitvallen dan in de referentieperiode, omdat werknemers intussen niet meer in dienst zijn of niet meer zijn opgeroepen en daarom geen loondoorbetaling hebben. Ook was de regelgever zich ervan bewust dat het dalen van de loonsom verschillende oorzaken kan hebben waarop de werkgever niet altijd invloed heeft gehad, zoals natuurlijk verloop, pensionering, overlijden of het zelf ontslag nemen door een werknemer. Dat eiseres geen invloed heeft gehad op de dalende loonsom is daarom geen argument dat kan leiden tot het aannemen van onevenredigheid. Eiseres wordt ook niet gevolgd in haar standpunt dat in het kader van de belangenafweging waarde toekomt aan het feit dat zij een uitzendonderneming is. Niet valt in te zien dat de positie van eiseres op dit punt significant anders is dan die van andere werkgevers die te maken hebben met een gedaalde loonsom als gevolg van verschillende omstandigheden waarop zij geen invloed hebben. 9.6 Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij wel kosten heeft gemaakt voor (ex-)werknemers merkt de rechtbank op dat de subsidie bedoeld is om loonkosten te betalen. Niet in geschil is dat de betalingen die eiseres heeft gedaan aan of ten behoeve van ex-werknemers niet te definiëren zijn als loon zoals bedoeld in artikel 1 van de Now3. Hoewel het te prijzen is dat eiseres tijdens de coronaperiode (onverplicht) betalingen heeft verricht aan of ten behoeve van een aantal (ex)werknemers, betekent dit niet dat geoordeeld moet worden dat de gevolgen van het bestreden besluit voor eiseres onevenredig zijn. 9.7 Uit wat eiseres heeft aangevoerd is niet gebleken dat zij door de nihilstelling van de tegemoetkoming in de (financiële) problemen is gekomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het belang van de minister zwaarder moet wegen dan het belang van eiseres. Betalingsregeling 10. Uit de stukken blijkt dat eiseres en de minister inmiddels een betalingsregeling zijn overeengekomen. Met de brief van 11 maart 2024 is aan eiseres bevestigd dat zij iedere maand een bedrag van € 314,87 moet aflossen. Ter zitting is gebleken dat eiseres ook maandelijks dit bedrag betaald heeft en ook kan blijven betalen. De opmerking in haar beroepschrift over het treffen van een betalingsregeling hoeft daarom verder geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 11. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de minister op goede gronden de tegemoetkoming op nihil heeft vastgesteld. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat er voor eiseres niets verandert. 11.1 Omdat er sprake was van een motiveringsgebrek en artikel 6:22 van de Awb is toegepast, bestaat er aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Ook moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden. 11.2 De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling vergoed. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,00 Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; bepaalt dat de minister het griffierecht van € 365,00 aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 6 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.