Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-06
ECLI:NL:RBZWB:2026:6063
wns schadeverzoek afgewezen. Niet aannemelijk gemaakt dat er schade is geleden ten gevolge van de onrechtmatige besluiten RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3889 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. K. Kromhout), en de korpschef van de politie Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het schadeverzoek van verzoeker. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de korpschef de door hem geclaimde schade moet vergoeden. Aan de hand van de argumenten van verzoeker beoordeelt de rechtbank of de korpschef de geclaimde schade moet betalen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten en omstandigheden 2. Verzoeker heeft in 2024 aan de korpschef gevraagd om de registratie van zijn ‘zware’ dienstjaren in het kader van de tijdelijke regeling vervroeg uittreden sector politie (RVU) te wijzigen. Bij dit verzoek heeft hij aangegeven dat hij in aanmerking wil komen voor de RVU. De korpschef heeft met een besluit van 6 maart 2024 geweigerd het aantal dienstjaren te wijzigen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 2.1 Met de beslissing op bezwaar van 26 augustus 2024 is het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. De korpschef is onveranderd van mening dat het aantal ‘zware’ dienstjaren niet kan worden aangepast. Dit betekent dat verzoeker geen gebruik kan maken van de RVU omdat hij niet voldoet aan de eis van 25 ‘zware’ dienstjaren. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. 2.2 Met ingang van 1 februari 2025 is verzoeker uit dienst gegaan en heeft hij (vroeg)pensioen opgenomen. 2.3 Op 12 mei 2025 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan op het beroep van verzoeker. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoeker wel voldoet aan de eis dat hij tenminste 25 jaar moet zijn aangesteld als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak. Verzoeker komt hierdoor in aanmerking voor deelname aan de RVU. Het beroep is gegrond verklaard, waarbij de beslissing op bezwaar is vernietigd en de korpschef de opdracht heeft gekregen om een nieuw besluit te nemen. 2.4 Met het besluit van 24 juni 2025 heeft de korpschef besloten dat verzoeker per 1 februari 2025 kan deelnemen aan de RVU. Procesverloop 3. Verzoeker heeft op 23 september 2025 aan de korpschef gevraagd zijn schade te vergoeden. Door het onrechtmatige besluit van 6 maart 2024 heeft hij 12 maanden langer moeten doorwerken. Hij verzoekt om een schadevergoeding bestaande uit gemis aan vrije tijd. De korpschef heeft op dit verzoek niet gereageerd. 3.1 Verzoeker heeft aan de rechtbank gevraagd om de korpschef te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding. De korpschef heeft betwist schadeplichtig te zijn. 3.2 De rechtbank heeft dit verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoeker en zijn gemachtigde deelgenomen. Namens de korpschef hebben [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Standpunt verzoeker 4. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat door het onrechtmatige besluit van 26 augustus 2024 hij 12 maanden later dan mogelijk zou zijn geweest gebruik heeft gemaakt van de RVU. Hij heeft daardoor moeten doorwerken van 1 februari 2024 tot 1 februari 2025. Zijn schade bestaat uit verlies aan vrije tijd. Voor de hoogte van zijn schade heeft verzoeker verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Eiser verzoekt om het schadebedrag van € 500,-- per maand te indexeren volgens de consumentenprijsindex. Standpunt korpschef 5. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van schade omdat verzoeker niet later met de RVU is gegaan dan hij van plan was. Verzoeker heeft steeds de wens geuit om vanaf februari 2025 deel te nemen aan de RVU. Voor zover er sprake is van vergoedbare schade heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat verzoeker heeft nagelaten zijn schade te beperken. Overwegingen rechtbank 6. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid (onder a en onder b), van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. 6.1 Niet in geschil is dat de besluiten van 6 maart 2024 en 26 augustus 2024 onrechtmatig zijn. Dat betekent dat de korpschef in beginsel de schade die hierdoor is ontstaan zal moeten vergoeden. 6.2 Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding aansluiting zoekt bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit. Alleen die schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij de korpschef, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. De bewijslast dat er sprake is van schade en van een causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade ligt bij verzoeker. Hij zal aannemelijk moeten maken dat hij door het onrechtmatige besluit van 6 maart 2024 later gebruik heeft gemaakt van de RVU. Dit betekent dat verzoeker aannemelijk moet maken dat, als meteen bij het besluit van 6 maart 2024 de ‘zware’ politiejaren zouden zijn aangepast, hij ook meteen gebruik zou hebben gemaakt van de RVU. 6.3 De rechtbank stelt vast dat verzoeker bij zijn verzoek tot aanpassing van de ‘zware’ dienstjaren, heeft gesteld dat zijn pensioendatum is gepland op 15 februari 2025 (66 jaar) en dat hij dan nog 1 jaar gebruik zou kunnen maken van de RVU-regeling. Uit deze stelling kan niet anders worden opgemaakt dan dat verzoeker de wens heeft per 15 februari 2025 gebruik te maken van de RVU. 6.4 Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat hij zonder toezegging dat de ‘zware’ dienstjaren aangepast zouden worden (en hij dus recht op RVU zou hebben), niet eerder dan 1 februari 2025 met (vroeg)pensioen zou kunnen gaan. De rechtbank begrijpt dat de afweging wanneer iemand (vervroegd) met pensioen kan gaan mede wordt ingegeven door financiële overwegingen. Niet kan worden uitgesloten dat als meteen een toewijzend besluit zou zijn afgegeven verzoeker uiteindelijk toch had besloten eerder dan 15 februari 2025 met (vroeg) pensioen te gaan. Dit is echter onvoldoende om aan te nemen dat verzoeker door het onrechtmatige besluit schade heeft geleden. Daarvoor zal er in ieder geval een begin van bewijs moeten zijn dat verzoeker daadwerkelijk eerder zou zijn gestopt als meteen met het besluit van 6 maart 2024 de dienstjaren zouden zijn gewijzigd. Verzoeker heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. 6.5 De ter zitting naar voren gebrachte stelling dat verzoeker ook eerder dan in 2024 heeft aangedrongen op RVU en dat hij daarom niet kan worden afgerekend op wat in zijn aanvraag van 2024 staat, volgt de rechtbank niet. Hoewel uit het dossier blijkt dat verzoeker in 2020 ook al een verzoek heeft gedaan om het aantal (zware) dienstjaren aan te passen, kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat verzoeker de wens had per 1 februari 2024 met (vroeg)pensioen te gaan. In het eerste verzoek is immers geen datum opgenomen waarop verzoeker, bij een toewijzend besluit, gebruik zou willen maken van de RVU. In september 2020 was verzoeker ook nog geen 64 jaar zodat hij, als in 2020 zijn verzoek zou zijn toegewezen, minimaal nog 4 jaar had moeten werken. Uit het enkele eerdere verzoek, kan dan ook niet opgemaakt worden dat verzoeker per 1 februari 2024 zou willen stoppen met werken.