Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:6004
beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/447722 / FA RK 26-2244 Datum uitspraak: 4 juni 2026 Beschikking over klachtenprocedure en toekenning schadevergoeding Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) naar aanleiding van het ingediende verzoekschrift van: [betrokkene] , hierna te noemen: betrokkene, geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] , wonende in [plaats] , advocaat: mr. L.C. Baars te Schiedam. De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbende aan: ANTES ZORG B.V. te Rotterdam, hierna te noemen: de zorgaanbieder. 1 Het procesverloop 1.1. In het procesdossier zitten de volgende stukken: het verzoekschrift van 15 april 2026 met producties 1 t/m 12, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank Rotterdam op 16 april 2026; het verweerschrift van 29 april 2026, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank Rotterdam op 30 april 2026; de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2026, waarbij de zaak in de stand waarin deze zich op dat moment bevond, is verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant; het bericht van 18 mei 2026 van mr. Baars, met aanvullende productie; de tijdens de zitting namens de zorgaanbieder overgelegde aanvullende producties. 1.2. Na ontvangst van het verzoekschrift heeft de rechtbank partijen opgeroepen voor de zitting op 21 mei 2026. Op grond van artikel 10:9 lid 2 Wvggz dient de rechtbank binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift te beslissen. Bij het bepalen van voormelde zittingsdatum heeft de rechtbank abusievelijk de datum waarop zij het verzoekschrift heeft ontvangen als uitgangspunt genomen (30 april 2026) en niet de datum waarop het verzoekschrift in eerste instantie is ontvangen door de rechtbank Rotterdam (16 april 2026). Als gevolg hiervan is de zittingsdatum buiten voormelde beslistermijn bepaald. Toen de rechtbank in de aanloop naar de zitting hiervan op de hoogte raakte, heeft zij contact opgenomen met de advocaat om hem hierover te informeren en de mogelijkheden te bespreken. Op 8 mei 2026 heeft de advocaat namens betrokkene bevestigd dat de termijn voor hem niet van belang is en dat hij afstand doet van zijn recht om zich te beroepen op deze termijn. Gelet hierop heeft de rechtbank de reeds geplande zitting door laten gaan. 1.3. De rechtbank heeft dus op 21 mei 2026 het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting is betrokkene verschenen, bijgestaan door mr. Baars. Namens de zorgaanbieder zijn de heer [persoon 1] (psychiater en zorgverantwoordelijke), de heer mr. [persoon 2] (jurist), de heer [persoon 3] (psychiater), de heer [persoon 4] (arts) en mevrouw [persoon 5] (arts) verschenen. 1.4. De rechtbank heeft daarnaast, op verzoek van betrokkene en met instemming van de overige aanwezigen, bijzondere toestemming verleend aan de ouders van betrokkene om de zitting als toehoorder bij te wonen. 2 De feiten 2.1. Betrokkene is op 10 februari 2026 op eigen verzoek, dus op vrijwillige basis, opgenomen in de specialistische kliniek Niet Aangeboren Hersenletsel van de zorgaanbieder. 2.2. Op 26 februari 2026 heeft betrokkene in de loop van de dag aangegeven dat hij met ontslag wenst te gaan. 2.3. Bij beschikking van de burgemeester van de gemeente Rotterdam van 26 februari 2026 om 22.50 uur is ten aanzien van betrokkene een crisismaatregel genomen. 2.4. Op 27 februari 2026 is door de zorgverantwoordelijke een schriftelijke beslissing en mededeling tot het verlenen van verplichte zorg genomen (op grond van artikel 8:9 Wvggz). 2.5. Op 2 maart 2026 heeft betrokkene per brief bij de Klachtencommissie Patiënten Parnassia Groep regio Rijnmond, hierna te noemen: de klachtencommissie, een klacht ingediend tegen de toepassing van verplichte zorg. Betrokkene klaagde, samengevat, over de verplichte opname in de accommodatie (klacht 1), de beperking van de bewegingsvrijheid (klacht 2), het toedienen van medicatie (klacht 3), insluiting in de separatieruimte (klach Betrokkene heeft een schriftelijke verklaring van zijn partner overgelegd, waarin zij verklaart dat er thuis geen sprake was van agressiviteit. Hoewel betrokkene erkent dat zijn partner kort voor het ontstaan van de escalatie op 26 februari 2026 in de middag tegen de behandelaren heeft gezegd dat betrokkene op dat moment niet kon terugkeren naar huis, komt dit doordat zijn partner door de behandelaren onder druk werd gezet. Betrokkene was tot op dat moment ook niet bekend in het kader van de Wvggz. 4.3. Over de insluiting stelt betrokkene aanvullend dat hij op 27 februari 2026 om 11.15 uur de separeerruimte mocht verlaten en dat hij vervolgens de rest van de dag op de afdeling heeft verbleven. Van 27 februari 2026 in de avond tot 28 februari 2026 in de ochtend is hij opnieuw ingesloten. De enige reden dat hij in de tweede nacht is ingesloten, is volgens betrokkene dat er die nacht sprake was van een onderbezetting van het zorgpersoneel. Betrokkene stelt daarnaast dat hij tijdens de insluiting slechts eenmaal fysiek is gezien door het zorgpersoneel. 4.4. Over het toedienen van de (nood)medicatie heeft betrokkene aanvullend aangegeven dat betrokkene op advies van zijn internist is gestopt met het innemen van medicatie in de vorm van Depakine vanwege zorgen over zijn leverfuncties. Betrokkene is het er dan ook niet mee eens dat hem Depakine is toegediend zonder dat hij eerst is gezien door een crisispsychiater en er overleg is gevoerd met zijn internist. Ook was het niet nodig om hem rustgevende medicatie te geven. 4.5. Betrokkene is tot slot van mening dat de schriftelijke beslissing en de mededeling van de zorgverantwoordelijke tot het verlenen van verplichte zorg niet voldoet aan de procedurele eisen zoals gesteld in artikel 8:9 Wvggz. Betrokkene vindt deze op schrift gestelde beslissing te algemeen gemotiveerd. 4.6. Gelet op het voorgaande verzoekt betrokkene om zijn klachten gegrond te verklaren en hem op grond van artikel 10:11 Wvggz een billijke schadevergoeding toe te kennen, waarbij de hoogte van het bedrag dient te worden vastgesteld op basis van de Landelijke Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Familierecht (LOVF). Hierbij is aangevoerd dat het betrokkene vooral gaat om de vaststelling dat er onrechtmatig is gehandeld. De hoogte van het op te leggen bedrag aan schadevergoeding is voor betrokkene minder van belang. 5 Het standpunt van de zorgaanbieder 5.1. De zorgaanbieder voert verweer tegen voormelde verzoeken en stelt daartoe, samengevat, onder meer het volgende. Op 26 februari 2026 om 11.00 uur is tegen betrokkene gezegd dat de (behandelend) arts met hem zal spreken over zijn ontslagwens. Vanuit de zorgplicht die de zorgaanbieder heeft richting zowel gedwongen als vrijwillig opgenomen patiënten, dient er namelijk eerst een ontslaggesprek plaats te vinden tussen de (behandelend) arts en de patiënt voordat de patiënt de accommodatie daadwerkelijk mag verlaten. De (behandelend) arts was op dat moment echter niet aanwezig. Daarom is tegen betrokkene gezegd dat hij even zal moeten wachten. Vervolgens is er informatie opgehaald, waarbij er onder meer telefonisch contact is opgenomen met de partner van betrokkene. Zij heeft op dat moment gezegd dat zij van mening is dat het beter zou zijn als betrokkene nog wat langer in de accommodatie blijft. Ook was er op dat moment nog geen nazorg of medicatie geregeld. In die omstandigheden was het, naar de mening van de op dat moment betrokken behandelaren met het oog op de belangen van betrokkene en de veiligheid van de partner en de dochter van betrokkene, onverantwoord om betrokkene naar huis te laten gaan. Om en nabij 15.00 uur hebben de psychiater en de coassistente geprobeerd om opnieuw met betrokkene in gesprek te gaan. Toen zij bij de deur van de kamer van betrokkene aankwamen, constateerden zij dat betrokkene aan het schreeuwen was terwijl hij met zijn partner aan het (video)bellen was. Vervolgens kwam hij woeden Over de beslissing tot het inzetten van verplichte zorg op grond van artikel 8:9 Wvggz stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat uit voormelde brief in combinatie met de mondelinge toelichting die daarbij is gegeven, voldoende blijkt welke vormen van verplichte zorg er zijn ingezet en waarom. 5.7. De zorgaanbieder stelt zich, gelet op al het voorgaande, primair op het standpunt dat de klachten ongegrond dienen te worden verklaard, waardoor er geen grond voor toekenning van een door de zorgaanbieder aan betrokkene te betalen bedrag aan schadevergoeding bestaat. Subsidiair stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat de grond voor het toekennen van een bedrag aan schadevergoeding en de hoogte daarvan namens betrokkene onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair verzoekt de zorgaanbieder om bij de vaststelling van het bedrag aan schadevergoeding aan te sluiten bij de Landelijke Oriëntatiepunten. 5.8. De zorgaanbieder benoemt tot slot dat zij kan begrijpen dat betrokkene de gang van zaken als ingrijpend en vervelend heeft ervaren, hetgeen zij betreurt. Inmiddels heeft er een goed gesprek met betrokkene plaatsgevonden. De zorgaanbieder benadrukt dat betrokkene welkom blijft bij Antes voor het krijgen van zorg. 6 De beoordeling Wettelijk kader 6.1. Uit artikel 7:3 lid 1 Wvggz volgt, voor zover hier nu van belang, dat voorafgaand aan de beslissing over een crisismaatregel, indien redelijkerwijs mag worden verondersteld dat een crisismaatregel zal worden genomen, gedurende korte tijd verplichte zorg aan een persoon kan worden verleend. Uit lid 2 volgt dat de verplichte zorg, bedoeld in het eerste lid, alleen als uiterste middel wordt verleend indien dit noodzakelijk is in verband met de voorbereiding van de crisismaatregel en uitsluitend gedurende de periode die nodig is om de procedure voor de crisismaatregel af te ronden. 6.2. Als tijdelijke verplichte zorg zoals bedoeld in artikel 7:3 lid 1 Wvggz kan onder meer worden ingezet: het toedienen van medicatie, het beperken van de bewegingsvrijheid, insluiten en opnemen in een accommodatie (artikelen artikel 1:1 lid 1 onder t jo. 3:1 onder d jo. 3:2 lid 2). 6.3. Uit artikel 8:9 lid 1 Wvggz volgt dat de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van onder meer de crisismaatregel een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg niet neemt dan nadat hij: zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene, met betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd, en voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur. Uit lid 2 van voormeld artikel volgt dat de zorgverantwoordelijke een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging op schrift stelt en deze beslissing van een schriftelijke motivering voorziet. 6.4. Uit artikel 10:3 lid 1, sub f Wvggz volgt dat betrokkene een schriftelijke en gemotiveerde klacht kan indienen bij de klachtencommissie over (onder meer) de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van de artikelen 7:3 en 8:9 Wvggz. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om te klagen over onder meer de beginselen van van proportionaliteit, subsidiariteit en veiligheid, zoals neergelegd in artikel 2:1 lid 3 Wvggz (zie onder meer de beschikking van de Hoge Raad van 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2096). 6.5. Artikel 10:7 Wvggz bepaalt dat betrokkene, nadat de klachtencommissie een beslissing heeft genomen, een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift kan indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht. 6.6. Artikel 10:11 lid 1 Wvggz bepaalt dat verzoeker bij een verzoek als bedoeld in artikel 10:3 bij de klachtencommissie tevens om schadevergoeding door de zorgaanbieder kan verzoeken. Uit lid 2 van voormeld artikel volgt dat verzoeker bij een verzoek als bedoeld in artikel 10:7 lid 1 Wvggz bij de rechter tevens om schadevergoeding door de zorgaanbieder verzoeken. Ontvankelijkheid 6.7. De rechtbank stelt vast dat h Daarnaast is de rechtbank van oordeel, gezien al het voorgaande, dat het op dat moment noodzakelijk was om een crisismaatregel voor betrokkene aan te vragen en, in afwachting van deze aanvraag, tijdelijke verplichte zorg toe te passen op grond van artikel 7:3 Wvggz in de vorm van een gedwongen opname in de accommodatie, het beperken van de bewegingsvrijheid en uiteindelijk ook een insluiting in de separeerruimte en het toedienen van noodmedicatie. Naar het oordeel van de rechtbank was het op dat moment, gezien de diagnose die bij betrokkene is gesteld en zijn actuele ziektebeeld, namelijk redelijkerwijs te voorzien dat er een crisismaatregel voor betrokkene zal worden genomen. De crisismaatregel is later op de dag ook verleend. De rechtbank ziet niet in welke andere, mindere ingrijpende maatregelen er op dat moment toegepast hadden kunnen worden om het (dreigend) ernstig nadeel bij betrokkene en bij anderen weg te nemen dan wel (verergering daarvan) te voorkomen. De rechtbank ziet bovendien in hetgeen namens en door betrokkene naar voren is gebracht onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de inzet van voormelde vormen van verplichte zorg op dat moment heeft plaatsgevonden in strijd met de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en de veiligheid. Dat betrokkene een dag later op 27 februari 2026 kennelijk wat tot rust was gekomen en dat de rechtbank Rotterdam enkele dagen later het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel heeft afgewezen, doet hier niets aan af. Het is wat dat betreft een momentopname waarover de beoordeling gaat. 6.12. Hoewel betrokkene op 27 februari 2026 kennelijk wat tot rust was gekomen, is de rechtbank gezien de ontstane escalatie een dag eerder waarbij de betrokkenheid van meerdere zorgmedewerkers nodig is geweest om betrokkene in bedwang te houden, van oordeel dat het noodzakelijk en niet in strijd met voormelde beginselen was om betrokkene gedurende de tweede nacht in te sluiten. Dat er tijdens de nachtelijke uren een mindere bezetting van zorgpersoneel was op de afdeling is dan ook niet de enige reden geweest voor de tweede insluiting. De rechtbank kan de zorgaanbieder bovendien volgen in haar standpunt dat zij de mindere bezetting in de nacht heeft meegenomen in haar afweging of het veilig en verantwoord genoeg is om betrokkene die tweede nacht op zijn kamer te laten verblijven of niet, en in de beslissing om betrokkene naar aanleiding daarvan die nacht in te sluiten in de separeerruimte. 6.13. De rechtbank is verder van oordeel dat de zorgaanbieder voldoende heeft onderbouwd waarom zij medicatie in de vorm van Depakine heeft toegediend bij betrokkene, nu dit conform de daarvoor geldende medische richtlijnen is gebeurd en daarvoor bij betrokkene op dat moment geen contra-indicaties bestonden. De apotheek van betrokkene heeft bevestigd dat het toedienen van deze vorm van medicatie op dat moment verantwoord was. Dit standpunt is nadien bevestigd door de medisch specialist van betrokkene. Dat betrokkene als gevolg van het gebruik van deze medicatie nadien kennelijk last heeft gehad van bijwerkingen, doet niet af aan de vaststelling dat de toediening van de medicatie op dat moment medisch voldoende verantwoord was. Schriftelijke beslissing en mededeling tot het verlenen van verplichte zorg genomen op grond van artikel 8:9 Wvggz 6.14. De rechtbank stelt voorop dat alle vormen van verplichte zorg als tijdelijke verplichte zorg op grond van artikel 7:3 Wvggz zijn toegepast. Nadat de crisismaatregel was uitgesproken, zijn de vormen van verplichte zorg die zien op de opname in de accommodatie, het beperken van de bewegingsvrijheid en de insluiting op grond van die maatregel voortgezet. De noodmedicatie is voor zover de rechtbank kan vaststellen enkel als tijdelijke verplichte zorg toegepast op basis van artikel 7:3 Wvggz. De noodmedicatie is dus niet voortgezet of nogmaals toegepast op grond van de crisismaatregel. De schriftelijke beslissing en mededeling tot het verlenen van verplich