Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-02
ECLI:NL:RBZWB:2026:566
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: BRE 26/8 en 26/137 uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 februari 2026 in de zaak tussen [verzoeker], uit [plaats], verzoeker (gemachtigde: mr. M.P.M. de Rooij), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, het college. Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker tegen twee omgevingsvergunningen voor het bouwen van een woning op de locatie [adres] (gemeente Hulst). Het verzoek is gericht tegen de omgevingsvergunning van 16 september 2025 (voor een omgevingsplanactiviteit) en de omgevingsvergunning van 19 september 2025 (voor een technische bouwactiviteit). 1.1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. 2.2. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift toegelicht dat het spoedeisend belang evident is omdat de bouwactiviteiten zijn aangevangen en onverminderd doorgaan waardoor een onomkeerbare situatie ontstaat. De situatie is juridisch en feitelijk onzeker omdat een vergunning van het waterschap ontbreekt, omdat een nulmeting conform het peil ontbreekt, omdat geen archeologisch onderzoek is verricht en omdat geen voorafgaande risicobeoordeling bij het heiwerk is uitgevoerd. 2.3. Vergunninghouder heeft telefonisch toegelicht dat de bouw van de woning in een vergevorderd stadium bevindt omdat de casco woning inmiddels is gerealiseerd. Volgens de planning zouden alleen nog de bekleding en de gevels moeten worden geplaatst. Gelet op deze toelichting, heeft de rechtbank verzoeker in de gelegenheid gesteld om zijn spoedeisend belang verder toe te lichten. 2.4. Verzoeker heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. In zijn reactie beaamt verzoeker dat de cascowoning inmiddels is gerealiseerd en dat in de huidige fase de woning verder af wordt gebouwd voor ingebruikname met achtereenvolgens het realiseren van het metselwerk en de gevelbekleding, het plaatsen van de kozijnen en ramen, het wind- en waterdicht maken van het gebouw en de aanleg van installaties (waaronder elektra, water en ventilatie). Verzoeker stelt in de reactie dat ingrijpen na deze werkzaamheden in de huidige fase niet meer reëel is zodat bezwaar of beroep niet kan worden afgewacht. Het aanbrengen van de gevels en bekleding van de kozijnen is in de eerste plaats bepalend voor de finale verschijningsvorm en de ruimtelijke impact van het bouwwerk. Het gaat namelijk om niet ondergeschikte afwerkingsdetails die moeilijk herstelbaar zijn. Ten tweede is na het aanbrengen van de gevels en kozijnen het aanpassen van brandwerende voorzieningen of het wijzigen van gevelopeningen nauwelijks nog mogelijk. Gezien de geringe afstand tot de naastgelegen woning zijn de gevelopbouw, materiaalkeuze en de positie en omvang van ramen en deuren van direct belang voor de beoordeling van het risico op brandoverslag. Ten derde leidt de ophoging van het maaiveld en de verhoogde fundering tot blijvende gevolgen voor het straatbeeld, de waterafvoer en de relatie met omliggende percelen. Zodra het terrein verder wordt ingericht en afgewerkt, is herstel of aanpassing van het maaiveld feitelijk uitgesloten. Ten slotte vindt verzoeker dat hem niet kan worden tegengeworpen dat h