Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:5461
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummers: C/02/435435 / JE RK 25-886 en C/02/446741 / JE RK 26-584 Datum mondelinge uitspraak: 21 mei 2026 (Nadere) beschikking van de meervoudige kamer over verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van Stichting Jeugdbescherming Brabant , locatie Etten-Leur, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] , advocaat mr. D.J.D. Kentie te Breda, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats] , advocaat: mr. N. van Vliet te Breda. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd. 1 Het nadere verloop van de procedure 1.1 De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling. Inzake C/02/435435 / JE RK 25-886: de beschikking van deze rechtbank van 19 december 2025 en alle daarin vermelde stukken; de op 10 april 2026 ontvangen eindrapportage met bijlagen van de deskundige [deskundige] van 3 april 2026. de brief van mr. Kentie van 20 mei 2026 met bijlagen. Inzake C/02/446741 / JE RK 26-584: - het op 27 maart 2026 ontvangen verzoek van de GI met bijlagen. 1.2. Bij beschikking van 5 september 2025 (zaakkenmerk C/02/435435 / JE RK 25-886) heeft de kinderrechter een deskundigenonderzoek bevolen en mevrouw [deskundige] tot deskundige benoemd. De kinderrechter heeft de deskundige opgedragen om uiterlijk 3 maart 2026 haar deskundigenrapport in te dienen bij de rechtbank en daarvan een afschrift te verstrekken aan de vader en de moeder, de GI en de Raad voor de Kinderbescherming. 1.3. Bij beschikking van 19 december 2025 (zaakkenmerk C/02/435435 / JE RK 25-886) heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 mei 2026 en de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling aangehouden in afwachting van het rapport van het in de beschikking van 5 september 2025 bepaalde deskundigenonderzoek. 1.4 Op 10 maart 2026 heeft de GI verzocht om met spoed de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat het contact tussen de vader en [minderjarige] tijdelijk stopgezet wordt. Bij beschikking van 11 maart 2026 heeft de kinderrechter bepaald dat het contact tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zou worden stopgezet en bij beschikking van 3 april 2026 heeft kinderrechter de vader tijdelijk het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd en bepaald dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer van 21 mei 2026. 1.5 De moeder heeft op 5 mei 2026 verzoeken ingediend. Zij verzoekt om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en daarbij te bepalen dat de huidige zorgregeling vervalt, waarbij er een contact- c.q. omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man tot stand wordt gebracht onder terzake deskundige begeleiding. 1.6. Op 21 mei 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de onderhavige verzoeken van de GI met gesloten deuren mondeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - twee vertegenwoordigers van de GI; - een vertegenwoordiger van de Raad. Daarnaast was aanwezig de deskundige [deskundige] . De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld met het verzoek van de GI tot wijziging van de zorgregeling (onder zaakkenmerk C/02/445863 / JE RK 26-403) en het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling en het gezag (onder zaakkenmerk C/02/447978 / FA RK 26-2384). In die zaken zijn afzonderlijke beslissingen genomen. 1.7. [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft op 19 Wat maakt dat deze ouders doen wat ze doen en wat kunnen we van hun ouderschap vragen? 2.5 [deskundige] , jurist, orthopedagoog en criminoloog, is door de kinderrechter tot deskundige benoemd en verzocht om onderzoek te verrichten en in dat kader advies uit te brengen over de volgende vragen: 1) Hoe is de relatie tussen de ouders op ouderniveau? Is er een herkenbaar patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan? Welke belemmeringen worden hierbij geconstateerd en welke mogelijkheden zijn er om tot een verbetering daarvan te komen? 2) Hoe is het opvoedersgedrag van iedere ouder te beschrijven? 3) Zijn er bij de man en/of de vrouw aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis die een onderzoek door een psychiater noodzakelijk maakt om de verdere vraagstelling te kunnen beantwoorden? 4) Is er hulpverlening aangewezen? Zo ja; voor wie, in welke vorm, waar dient deze op gericht te zijn? Wat hebben (ieder van) de ouders nodig om de hulpverlening te laten beklijven? 5) Welke mogelijkheden en belemmeringen worden er geconstateerd in het functioneren van iedere ouder ten aanzien van het invullen van gezamenlijk gezag? Is er aanleiding een wijziging van het gezag te adviseren? Wat is hiervoor de motivatie/ argumentatie? 6) Is er aanleiding om een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te adviseren? In hoeverre kunnen de man en de vrouw een zorgregeling met [minderjarige] vormgeven en hanteren? Zijn er in dat verband contra-indicaties voor een co-ouderschapsregeling (al dan niet met parallel ouderschap)? In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen: hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? 7) Welke vorm van ouderschap tussen de ouders is het meest passend/ in het belang van [minderjarige] ? 8) In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige] en/of bij eventueel te nemen beslissingen? 2.6 Op 10 maart 2026 ontvangt de GI de conceptrapportage van het deskundigenonderzoek. Nog diezelfde dag verzoekt zij met spoed om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in die zin dat het contact tussen [minderjarige] en zijn vader tijdelijk wordt stopgezet. In de zitting die volgt geeft de Raad aan dat de conclusie vanuit het (uitgebreide) conceptrapport van mevrouw [deskundige] verstrekkend is. De Raad vraagt zich af de zeer uitgebreide rapportage, die vooral uitgewerkte gesprekken bevat, de stevige conclusies kunnen dragen, met name nu de uitwerkingen van de gesprekken van de deskundige met de kinderen ontbreken. 2.7 Op 3 april 2026 brengt de deskundige haar eindrapportage uit. Zij concludeert dat sprake is van de uitoefening van dwang en controle door de vader over de moeder en [minderjarige] (en zijn meerderjarige zus [persoon 1] ). Het beëindigen van het gezamenlijke gezag tussen de ouders en de toekenning van het eenhoofdig gezag aan de moeder is de enige mogelijkheid om een einde te maken aan de problemen in de communicatie en de samenwerking tussen de ouders. Het dwingende en controlerende gedrag van de vader richting de moeder en [minderjarige] is een contra-indicatie voor de co-ouderschapsregeling. Volgens de deskundige toont de vader als opvoeder onvoorspelbaar en onbetrouwbaar gedrag en is zijn gedrag schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De huidige opvoedsituatie bij de man wordt door haar als onveilig beoordeeld. Zij vindt dat het contact tussen de vader en [minderjarige] niet kan worden opgestart voordat er door de GI deskundige experts zijn ingezet om de moeder en [minderjarige] te begeleiden en er een veiligheidsplan is gemaakt. Voor de moeder en [minderjarige] adviseert de deskundige de inzet van GGZ-zorg met specialistische kennis (een psychotherapeut of klinisch psycholoog). De deskundige adviseert daarnaast hooggespecialiseerde GGZ-zorg door een BIG geregistreerde psychotherapeut voor de vader. Echter, o Daarnaast is door de deskundige geen verslaglegging overgelegd van haar gesprekken met de GI en met de leerkracht van [minderjarige] en ook niet van het gesprek met de meerderjarige zus van [minderjarige] en van de observaties door de deskundige van [minderjarige] . De deskundige heeft op de zitting daarover aangegeven dat haar basis ligt in de dossiers die zij heeft ontvangen en aantekeningen daarin. Zij ziet geen toegevoegde waarde van uitgewerkte gesprekken als die informatie ook uit de professionele dossiers gehaald kan worden. Aan de hand van die bronnen heeft zij een uitgebreide tijdlijn opgesteld. Dat maakt dat zij het niet nodig vindt om de gesprekken die zij heeft gevoerd apart uit te werken, omdat zij de door haar in die gesprekken verkregen informatie alleen heeft gebruikt als deze ook terug te vinden was in de – voor iedereen kenbare – professionele bronnen. Echter, de rechtbank stelt vast dat noch dat de rechtbank, noch partijen, noch de GI, noch de Raad over alle bronnen beschikt waar de deskundige naar verwijst. Dit maakt het deskundigenrapport zowel voor partijen als voor de rechtbank onvoldoende controleerbaar. Bijkomend gevolg is dat partijen onvoldoende in staat zijn geweest om effectief te reageren op hetgeen door anderen over hen is gezegd. Hiermee is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. 2.14 De rechtbank constateert daarnaast dat uit de conclusies van de deskundige onvoldoende blijkt op welke concrete, objectieve informatie uit de door haar gebezigde bronnen deze conclusies zijn gestoeld. De deskundige baseert zich in de conclusies, alsmede in haar toelichting op de zitting, vaak op algemeenheden, losse bronvermeldingen of bepaalde gedachtestromen. Zij verwijst daarbij regelmatig naar de gedeeltes in het rapport ‘informatie over [minderjarige] ’ en ‘informatie over het gezinssysteem’, maar in deze delen is enkel sprake van een algemene opsomming van informatie uit vermelde bronnen. Concrete omschrijvingen van de onderliggende objectieve feiten ter onderbouwing van een specifieke conclusie ontbreken. In het geval dat de deskundige een concrete omstandigheid heeft benoemd (zoals de beschrijving van het gedrag van de vader tijdens de observatie van [minderjarige] ), blijft de onderbouwing beperkt tot deze enkele vermelding en worden er geen andere objectieve feiten toegevoegd, terwijl de conclusie van de deskundige fors is (zoals over het gedrag van de vader: “ Tijdens het onderzoek wordt zichtbaar dat angst voor de consequenties van het overtreden van de regels van vader bij moeder, [persoon 1] en [minderjarige] actueel en groot is” ). 2.15 In dit verband merkt de rechtbank voorts op dat niet inzichtelijk is geworden welke onderzoeksmethodes, gericht op het inzichtelijk maken van geweldspatronen in een gezin, door de deskundige zijn gebruikt. De deskundige heeft ter zitting daarover aangegeven dat zij naar elementen van de MASIC heeft gekeken, maar dit blijkt niet uit haar rapportage. Ook is niet inzichtelijk gemaakt welke informatie zij daaruit heeft verkregen en hoe zij deze informatie heeft afgewogen. Daarnaast blijkt niet uit objectieve informatie uit de rapportage hoe de deskundige de mogelijkheid van andersoortige persoonlijkheids-problematiek bij (één van) de partijen heeft uitgesloten, zoals ook de Raad ter zitting heeft geconstateerd. 2.16 Naast het ontbreken van een deugdelijke en navolgbare motivering constateert de rechtbank dat de deskundige niet alle vragen van de rechtbank heeft beantwoord, waardoor er niet volledig is voldaan aan de onderzoeksopdracht. Met name het antwoord op de vraag of er bij (één van) de partijen sprake is van psychiatrische problematiek wordt door de rechtbank gemist. De deskundige heeft ter zitting aangegeven hierin geen toegevoegde waarde te zien, omdat er in de meeste gevallen waarbij sprake is van dwingende controle/psychisch geweld geen sprake is van een dergelijke problematiek en de mogelijkheden tot behandeling klein zijn, terwijl het wel tot dezelfde p In het verleden heeft een strikte schottenaanpak gewerkt. De rechtbank acht het daarom van belang dat de GI met de ouders tracht dit zoveel als mogelijk te bereiken. 2.24 [minderjarige] heeft in zijn gesprek met de kinderrechter verteld dat zijn vader soms boos wordt en dat hij zich dan onveilig voelt. Daarom vindt hij het fijn dat de zorgregeling veranderd is. Ten aanzien van [minderjarige] heeft de GI tijdens de zitting aangegeven dat gekeken zal worden naar een vorm van traumatherapie voor hem. De rechtbank acht dit in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. 2.25 Bij beschikking van deze rechtbank van 3 april 2026 (zaakkenmerk C/02/445863 / JE RK 26-403) heeft de kinderrechter op verzoek van de GI, gebaseerd op het concept-rapport van de deskundige, de vader tijdelijk het recht om omgang met [minderjarige] ontzegd. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juni 2026 (zaakkenmerk C/02/447978 / FA RK 26-2384) heeft de meervoudige kamer van de rechtbank deze beslissing gewijzigd en bepaald dat [minderjarige] en de vader gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar onder professionele begeleiding, minimaal eenmaal per maand. Daarnaast is bij die beschikking de regie over de contactregeling tussen [minderjarige] en de vader bepaald bij de GI, zodat de GI gerechtigd is te beslissen tot verdere uitbreiding van dit contact in frequentie, duur en mate van begeleiding, dan wel, als het belang van [minderjarige] dat vergt, tot vermindering van het contact tussen de vader en [minderjarige] tot de hiervoor genoemde minimumfrequentie van eenmaal per maand één uur. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat voormelde minimumregeling pas uitvoerbaar is als er een professionele zorgaanbieder beschikbaar is voor begeleiding van de contactmomenten en heeft de GI verzocht de nodige stappen hiervoor voortvarend te zetten. Dit biedt de GI de mogelijkheid om het komende jaar zicht te krijgen op de verstandhouding tussen [minderjarige] en de vader. 2.26 Het is de rechtbank volstrekt duidelijk dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De zorg, die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is, wordt onvoldoende door de ouders geaccepteerd in die zin dat, ondanks inzet van allerlei soorten van hulpverlening, nog steeds niet tot de kern van het probleem is doorgedrongen en de ouderstrijd alsmaar voortduurt. Beide ouders stemmen in met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Gezien het voormelde zal de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] in de zaak met kenmerk C/02/446741 / JE RK 26-584 verlengen voor de duur van een jaar. De rechtbank zal het resterende verzoek in de zaak met kenmerk C/02/435435 / JE RK 25-886 afwijzen. 2.27 De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit omdat zij het voor [minderjarige] belangrijk vindt dat er onverwijld hulpverlening kan worden ingezet en dat deze zonder onderbreking zal doorlopen. 2.28 De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven bezwaar te hebben tegen de (teruggekeerde) jeugdbeschermer, mevrouw [persoon 2] . De GI heeft aangegeven dat er twee jeugdbeschermers aangesteld zullen blijven. Deze ene jeugdbeschermer zal het contact met de vader onderhouden en de andere jeugdbeschermer het contact met de moeder. De rechtbank heeft niet de bevoegdheid te beslissen welke jeugdbeschermer wordt aangesteld. Dit is aan de GI om te bepalen. 2.29 [psychologenpraktijk] heeft vorig jaar aangegeven dat het hoogst haalbare voor deze ouders is bereikt. Ondanks de inzet van allerlei vormen van hulpverlening is de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] niet verminderd. Zoals de GI ook aangeeft, is het aan de ouders om tot gedragsverandering te komen, om in staat te gaan zijn op een voor [minderjarige] zo onbelast mogelijke wijze uitvoering te geven aan het gezamenlijk ouderschap. Het deskundigenond