Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-15
ECLI:NL:RBZWB:2026:5035
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 11646144 \ CV EXPL 25-1697 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid REGELZORG B.V. , gevestigd en kantoorhoudende te Heemskerk, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: Regelzorg, gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders [gerechtsdeurwaarder 1] , [gerechtsdeurwaarder 2] en [gerechtsdeurwaarder 3] , tegen [keuringsarts] , handelend onder de naam [eenmanszaak] , wonende te [plaats] , (België), gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [keuringsarts] , gemachtigde: mr. M. Simons. 1 De zaak in het kort In deze zaak gaat het om een samenwerkingsovereenkomst tussen partijen op grond waarvan [keuringsarts] rijbewijskeuringen verricht voor Regelzorg en [keuringsarts] een fee verschuldigd is aan Regelzorg. Regelzorg vordert in conventie betaling van [keuringsarts] van nog door hem verschuldigde fee. [keuringsarts] beroept zich op opschorting ter verrekening met schade omdat Regelzorg bij opzegging van de overeenkomst in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou hebben gehandeld dan wel onrechtmatig zou hebben gehandeld. In reconventie vordert [keuringsarts] schadevergoeding wegens de volgens hem onterechte wijze van opzegging van de overeenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [keuringsarts] in conventie op opschorting ter verrekening met schade niet slaagt. De vordering in conventie zal daarom worden toegewezen en de in reconventie gevorderde schade zal worden afgewezen. Hierna zal worden uitgelegd waarom. 2 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 21 februari 2025 met producties en betekeningsstukken;- de conclusie van antwoord in conventie met producties, tevens conclusie van eis in reconventie; - de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie;- de conclusie van dupliek in conventie met producties, tevens conclusie van repliek in reconventie;- de conclusie van dupliek in reconventie. 3 De feiten 3.1. Regelzorg is een onderneming die medische keuringen regelt, inplant en laat uitvoeren. Voor het uitvoeren van rijbewijskeuringen werkt Regelzorg samen met zelfstandige keuringsartsen. 3.2. [keuringsarts] is een zelfstandig werkend arts en heeft zich via een interesseformulier aangemeld bij Regelzorg als keuringsarts. [keuringsarts] is vanaf 24 april 2019 gaan samenwerken met Regelzorg en [keuringsarts] zette daarvoor tijdsblokken in de agenda van Regelzorg open waarop afspraken konden worden ingepland. 3.3. [keuringsarts] diende per uitgevoerde keuring in naam van Regelzorg aan Regelzorg een vergoeding (fee) te betalen. Regelzorg stuurde voor door [keuringsarts] verrichte keuringen een zogenaamde self-billing factuur aan [keuringsarts] die Regelzorg voldeed. Daarnaast stuurde Regelzorg een factuur aan [keuringsarts] voor de door hem verschuldigde fee voor die keuringen. 3.4. [keuringsarts] verrichtte naast werkzaamheden voor Regelzorg ook keuringen via de eigen ontwikkelde website [website] (hierna: [website] ) waarop klanten een afspraak konden maken. 3.5. Bij e-mail van 30 oktober 2023 heeft Regelzorg aan [keuringsarts] medegedeeld de samenwerking met een opzegtermijn van twee maanden, per 1 januari 2024, te beëindigen wegens ontevredenheid over de wijze waarop [keuringsarts] de agenda van Regelzorg zou gebruiken. 3.6. [keuringsarts] heeft Regelzorg na de opzegging verzocht om een langere termijn van beëindiging. Regelzorg heeft daar niet aan mee willen werken omdat zij geen vertrouwen meer had in de samenwerking. 3.7. Regelzorg heeft in de periode van 1 september 2023 tot en met 1 februari 2024 facturen aan [keuringsarts] gestuurd aan fee voor keuringen verricht in de periode juli 2023 tot en met december 2023 van totaal € 4.049,17. 3.8. [keuringsarts] heeft de facturen ondanks aanmaningen van Regelzorg en haar gemachtigde on De Hoge Raad heeft in het arrest van 2 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ) als volgt overwogen bij opzegging van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd met een wettelijke bepaling over opzegging: 3.6.3. . Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. 3.6.4. Een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan op grond van art. 6:248 lid 2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (vgl. HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, NJ 2016/450, rov. 4.4.2.). Aanvullende werking redelijkheid en billijkheid 6.7. [keuringsarts] voert aan dat de overeenkomst zonder deugdelijke grond is geëindigd en er geen redelijke opzegtermijn in acht is genomen. [keuringsarts] beroept zich daarmee op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. 6.8. De kantonrechter volgt [keuringsarts] niet in zijn standpunt dat de overeenkomst op grond van de redelijkheidstoets moet worden aangevuld. Daartoe wordt overwogen als volgt. 6.9. Het eisen van een zwaarwegende grond bij opzegging is in beginsel in strijd met het wettelijke uitgangspunt dat een overeenkomst van opdracht steeds kan worden opgezegd. [keuringsarts] heeft geen omstandigheden gesteld en onderbouwd die maken dat ondanks dat wettelijke uitgangspunt hier toch een zwaarwegende grond voor opzegging door Regelzorg kan worden verlangd. 6.10. Ten aanzien van de opzegtermijn geldt dat Regelzorg een opzegtermijn van twee maanden heeft gehanteerd, wat naar het oordeel van de kantonrechter een redelijke termijn is waardoor de overeenkomst op dat punt geen aanvulling behoeft. Het stond [keuringsarts] namelijk vrij om keuringen buiten Regelzorg om te doen, wat hij ook deed, waardoor er geen sprake is van een exclusieve relatie. [keuringsarts] voert aan dat hij voor Regelzorg 300 tot 350 keuringen per maand verrichtte tegenover 0 tot 15 keuringen voor [website] . Indien [keuringsarts] daarmee in een afhankelijke positie ten opzichte van Regelzorg verkeerde, dan geldt dat hij die afhankelijk zelf heeft gecreëerd. Partijen hebben namelijk geen afspraken gemaakt over een minimum aantal keuringen of over minimale beschikbaarheid. De door partijen gehanteerde werkwijze bestond eruit dat [keuringsarts] zijn beschikbaarheid aangaf aan Regelzorg en dat Regelzorg daarop afspraken plande voor keuringen. Verder is relevant dat [keuringsarts] de werkzaamheden voor Regelzorg als eigen ondernemer verrichte en daarom zelf de verantwoordelijkheid draagt ten aanzien van de wijze waarop hij zijn bedrijfsvoering inricht. Het enkele feit dat partijen vanaf 2019 samenwerken maakt verder niet dat [keuringsarts] mocht vertrouwen op continuïteit van die samenwerking. [keuringsarts] verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2018 en voert aan dat daaruit volgt dat er per gewerkt jaar een opzegtermijn van één a twee maanden redelijk wordt geacht, maar dit is niet juist en kan niet uit het arrest worden afgeleid. Beperkende werking redelijkheid en billijkheid 6.11. [keuringsarts] beroept zich daarnaast op discriminatie en ongelijke behandeling omdat de heer [persoon] (hierna: [persoon] ), die destijds ook bij Regelzorg werkte, voor Regelzorg zijn werkzaamheden ondanks concurrerende werkzaamheden mocht voortzetten terwijl de overeenkomst met [keuringsarts] om die reden werd beëindigd. De kantonrechter begrijpt dat [keuringsarts] zich daarmee erop beroept dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid). Regelzorg betwist echter dat bij [persoon] sprake w