Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:4863
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg zaak/rolnr.: 11779410 / CV EXPL 25-2345 vonnis d.d. 13 mei 2026 in de zaak van [eisende partij] , wonende te [woonplaats 1] , eisende partij in verzet, tevens eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: AdvoPro, tegen [gedaagde partij] , gevestigd te [plaats] , gedaagde partij in verzet, tevens verweerder in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde partij] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verstekvonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 8 januari 2025 met zaaknummer 11281058 CV EXPL 24-2938 (hierna: het verstekvonnis) en de daarin genoemde stukken; - de verzetdagvaarding bevattende eis in reconventie van 17 juni 2025 met producties; - de conclusie van antwoord in oppositie met producties; - de brieven aan partijen waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] rechtsbijstand verleend inzake een nalatenschap waarbij [eisende partij] betrokken was. 2.2. Bij e-mail van 18 maart 2021 heeft [gedaagde partij] de opdracht van [eisende partij] aanvaard. In die brief is opgenomen dat [gedaagde partij] de werkzaamheden zal uitvoeren op basis van een uurtarief van € 165,00 (exclusief btw) en 5 % kantoorkosten. 2.3. In de door [gedaagde partij] van toepassing verklaarde algemene voorwaarden is onder meer het volgende bepaald: “9. Indien opdrachtgever voorschotdeclaraties of tussentijdse opgaaf van verrichtingen wenst, zal daaraan steeds gevolg worden gegeven.” 2.4. Op 12 december 2023 heeft [gedaagde partij] een voorschotdeclaratie ten bedrage van € 1.452,00 aan [eisende partij] gestuurd. Hiervan heeft zij een bedrag van € 484,00 betaald. 2.5. Nadat [eisende partij] het overige onbetaald had gelaten, heeft [gedaagde partij] de opdrachtovereenkomst met [eisende partij] beëindigd. 2.6. [gedaagde partij] heeft daarop op 7 maart 2024 een einddeclaratie aan [eisende partij] gestuurd. [eisende partij] heeft deze niet betaald. 3 Het geschil Het verstekvonnis 3.1. In het verstekvonnis van 8 januari 2025 heeft de kantonrechter [eisende partij] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.615,59, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2024, en de proceskosten. In conventie 3.2. [eisende partij] vordert, samengevat, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [eisende partij] te verklaren tot een goed opposant en [eisende partij] geheel te ontheffen van de veroordeling; II. [gedaagde partij] te veroordelen in de nakosten. 3.3. [eisende partij] stelt primair dat [gedaagde partij] niet ontvankelijk had moeten worden verklaard althans dat de vorderingen niet toegewezen hadden moeten worden. De dagvaarding, die op 20 juni 2024 is betekend door de gerechtsdeurwaarder, is volgens [eisende partij] nietig aangezien deze niet de woonplaats van [eisende partij] vermeldt en deze op een foutief adres is betekend. Voorts stelt [eisende partij] dat het prijsbeding in de tussen partijen gesloten overeenkomst niet voldoet aan het in artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13 en artikel 6:230l BW neergelegde transparantievereiste en dat [gedaagde partij] onvoldoende informatie aan [eisende partij] heeft verstrekt waardoor het prijsbeding als een oneerlijk beding moet worden beschouwd. [eisende partij] stelt dan ook dat het prijsbeding dient te worden vernietigd en dat de vorderingen van [gedaagde partij] dienen te worden afgewezen. Subsidiair stelt [eisende partij] dat de BTW niet toewijsbaar is aangezien de opdrachtovereenkomst enkel een uurtarief exclusief BTW bevat en dat [gedaagde partij] volgens artikel 6:193E BW jo. Richtlijn 98/6/EG verplicht was de prijs inclusief BTW mede te delen omdat [eisende partij] een consument is. Voorts zijn, ook als er Uit de stukken blijkt dat betekening op de wijze die is voorgeschreven in artikel 56 lid 2 Rv niet is gelukt omdat de ontvangende instantie de dagvaarding om een onbekende reden niet heeft kunnen betekenen. Voorts bevindt zich een verzendbevestiging van de deurwaarder in het dossier waaruit blijkt dat de deurwaarder de dagvaarding rechtstreeks per post naar het adres waar [eisende partij] stond ingeschreven heeft verstuurd, maar een ontvangstbevestiging ontbreekt. Hierdoor kan de kantonrechter niet vaststellen of de inleidende dagvaarding correct is betekend, zowel niet op de wijze die is voorgeschreven in artikel 56 lid 2 Rv als op de wijze die is voorgeschreven in artikel 56 lid 3 Rv. Daardoor is de kantonrechter van oordeel dat de inleidende dagvaarding niet goed is betekend waardoor de kosten van de verzetdagvaarding en de betekening daarvan voor rekening van [gedaagde partij] komen. Ambtshalve toetsen consumentenrecht 4.4. Aangezien [eisende partij] als een consument moet worden aangemerkt, moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of de overeenkomst die betrekking heeft op de werkzaamheden van [gedaagde partij] voldoet aan de eisen van het consumentenrecht. 4.5. De kantonrechter moet ambtshalve toetsen of een beding in de tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] gesloten overeenkomst valt onder de richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn oneerlijke bedingen). De overeenkomst is vastgelegd in de opdrachtbevestiging van 18 maart 2021. Daarin is onder meer opgenomen dat de werkzaamheden in rekening worden gebracht tegen een tarief van € 165,00 per uur exclusief btw. De kantonrechter is van oordeel dat dit kostenbeding kwalificeert als een kernbeding. Volgens artikel art. 6:231 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 4 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen hoeven kernbedingen alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als deze niet transparant zijn. 4.6. Bij de beoordeling van de transparantie van het kostenbeding is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) van 12 januari 2023 (C-395/21) relevant. In deze uitspraak speelde de vraag of een beding in een overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten, waarin over de kosten alleen een uurtarief is afgesproken zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen. Het HvJEU heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder is overwogen dat de advocaat, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stelt om bij benadering de totale kosten van de diensten te schatten, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een afspraak om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld. Wat er van een advocaat verwacht kan worden aan informatieverstrekking hangt af van de aard van de werkzaamheden. Hoe concreter de opdracht is, hoe preciezer de totale kosten door de advocaat kunnen worden geschat. Naast de richtlijn oneerlijke bedingen, vloeien deze verplichtingen ook voort uit regel 17 lid 2 van de gedragsregels voor de advocatuur. Het kostenbeding is niet transparant 4.7. De kantonrechter is van oordeel dat het kostenbeding niet voldoet aan het transparantievereiste van artikel 6:231 sub a BW en artikel 4 lid Hij heeft [eisende partij] ook niet duidelijk gemaakt wat de financiële gevolgen van de overeenkomst zouden zijn of andere maatregelen genomen om een overschrijding van kosten te voorkomen die het evenwicht tussen partijen zouden kunnen herstellen. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] ook niet periodiek van een urenspecificatie voorzien, terwijl hij dat op grond van regel 17 lid 4 van de gedragsregels advocatuur wel verplicht was te doen. 4.13. Daarbij komt dat [gedaagde partij] niet werkt op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand. Het klopt dat [gedaagde partij] daartoe niet verplicht is, maar op basis van de gedragsregels advocatuur is [gedaagde partij] wel verplicht om zijn cliënten te informeren dat zij mogelijk in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand en, indien een cliënt daarvan afziet, na te gaan of de cliënt dat daadwerkelijk wil en dat de cliënt de consequenties daarvan overziet en kan dragen. Niet alleen is niet gebleken dat [eisende partij] geïnformeerd is over de financiële consequenties en de werkwijze van gesubsidieerde rechtsbijstand, maar er staat ook in de opdrachtbevestiging dat [eisende partij] nadrukkelijk afstand doet van elke eventuele aanspraak op gesubsidieerde rechtsbijstand en dat [gedaagde partij] de opdracht zou beëindigen als [eisende partij] , bijvoorbeeld door gewijzigde omstandigheden, hier toch aanspraak op zou willen maken. 4.14. Tegen deze achtergrond lag het des te meer op de weg van [gedaagde partij] om voorafgaand aan de start van de werkzaamheden zo veel mogelijk inzicht te geven in de kosten en het ook op voorhand aan te geven dat het feit dat hij niet op basis van toevoeging werkt betekent dat de kosten volledig voor rekening van [eisende partij] zouden komen terwijl zij mogelijk wel in aanmerking zou zijn gekomen voor gesubsidieerde rechtsbijstand bij een andere advocaat. Alleen onder die omstandigheden zou [eisende partij] de mogelijkheid hebben gehad om een reële afweging te maken of en op welke voorwaarden zij de overeenkomst met [gedaagde partij] zou willen aangaan. [gedaagde partij] mocht er naar het oordeel van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden daarom redelijkerwijs niet vanuit gaan dat [eisende partij] ook zou hebben ingestemd met het kostenbeding als er afzonderlijk over was onderhandeld. 4.15. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat door [gedaagde partij] het vereiste van goede trouw niet is nageleefd en er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van [eisende partij] . De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het in de opdrachtbevestiging opgenomen kostenbeding als oneerlijk moet worden beschouwd ook al is het gehanteerde uurtarief van € 165,00 exclusief btw marktconform. Conclusie 4.16. Aangezien het kostenbeding in de overeenkomst van opdracht als oneerlijk in de zin van artikel 6:233 sub a BW wordt beoordeeld, is het beding nietig en dient het buiten toepassing te blijven. Voorts volgt uit de [naam] -arresten van het HvJEU (ECLI:EU:C:2021:68) dat wanneer de rechter vaststelt dat een beding in een overeenkomst oneerlijk en nietig is, de rechter die overeenkomst niet mag aanvullen door de inhoud van het beding te herzien en dat ook niet kan worden teruggevallen op bepalingen van aanvullend nationaal recht. Dit betekent dat in dit geval een beroep op betaling van een redelijk verschuldigd loon ex artikel 7:405 lid BW niet kan slagen. Ook het beroep van [gedaagde partij] op onrechtvaardigde verrijking slaagt niet omdat [gedaagde partij] niet heeft gesteld in welke mate en voor welk bedrag [eisende partij] zou zijn verrijkt. De vordering van [gedaagde partij] zal daarom in zijn geheel worden afgewezen. 4.17. Nu op grond van het voorgaande de vordering geheel zal worden afgewezen, is het niet nodig om de andere door [eisende partij] aangevoerde verweren te bespreken. 4.18. [gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moe