Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-06-01
ECLI:NL:RBZWB:2026:4841
Herziening en terugvordering AIO-aanvulling vanwege nabetaald buitenlands pensioen. Nabetaling terecht als inkomsten aangemerkt. Geen dringende redenen om te matigen. Beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/6510 PW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en De Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht, de SVB (gemachtigde: mr. A. Marijnissen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over eisers recht op een AIO -aanvulling op grond van de Participatiewet. Eiser is het niet eens met de herziening en terugvordering hiervan. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de herziening en terugvordering in stand kunnen blijven conform de beslissing op bezwaar van 28 oktober 2025 (bestreden besluit). 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven . Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak, met de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop Primaire fase 2.1. Eiser heeft op 18 januari 2020 een AOW -pensioen aangevraagd bij de SVB. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de SVB aan eiser vanaf 10 maart 2020 een voorlopige AOW-uitkering toegekend, in afwachting van (opgevraagde) gegevens van eiser uit Polen over zijn werkzaamheden en zijn opgebouwde Poolse pensioen. Voor die tijd ontvingen eiser en zijn partner een bijstandsuitkering van de gemeente [plaats] . 2.2. Op 19 juni 2020 heeft eiser een AIO-aanvulling aangevraagd bij de SVB. Deze AIO-aanvulling heeft de SVB met een besluit van 28 september 2020 aan eiser en zijn partner toegekend vanaf 8 juni 2020. Hierbij is rekening gehouden met een Pools pensioen van eiser en de netto AOW-uitkering met vakantiegeld. 2.3. De SVB heeft met een besluit van 22 februari 2021 geoordeeld dat eiser en zijn partner vanaf 26 maart 2020 recht hebben op een AIO-aanvulling. Hierbij is rekening gehouden met een Pools pensioen van eiser en de netto AOW-uitkering met vakantiegeld. 2.4. De SVB heeft jaarlijks rond mei en november eiser en zijn partner verzocht om informatie te overleggen om te bekijken of zij nog het juiste bedrag aan AIO-aanvulling ontvingen, waarna telkens indien nodig de hoogte van de AIO-aanvulling is aangepast. 2.5. Op 15 januari 2025 heeft de SVB telefonisch contact gehad met eiser over een grote nabetaling die hij heeft ontvangen. Eiser heeft desgevraagd aangegeven de brief over de verhoging van zijn Poolse pensioen toe te sturen. 2.6. De informatie over het Poolse pensioen van eiser is voor de SVB aanleiding geweest om met een besluit van 31 maart 2025 (primair besluit) de hoogte van de AIO-aanvulling van eiser en zijn partner vast te stellen op € 1.022,14 vanaf april 2025. Ook heeft de SVB in dit besluit over de periode maart 2020 tot en met november 2024 een bedrag van € 19.430,12 aan AIO-aanvulling teruggevorderd wegens het gewijzigde inkomen uit eisers Poolse pensioen. Bezwaarfase 2.7. Eiser heeft op 6 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen onder meer het besluit primaire besluit van 31 maart 2025. 2.8. Op 8 mei 2025 en 23 juni 2025 heeft de SVB telefonisch contact met eiser. Hierna heeft eiser desgevraagd aanvullende bezwaargronden ingediend. Ook heeft er op 29 juli 2025 nog telefonisch contact plaatsgevonden tussen de SVB en eiser. 2.9. Vervolgens heeft de SVB met een besluit van 28 oktober 2025 (bestreden besluit) het bezwaar van eiser en zijn partner tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Dit betekent dat de SVB bij de herziening en bijbehorende terugvordering van € 19.430,12 is gebleven. Beroepsfase 2.10. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daartegen op 6 december 2025 bij deze rechtbank beroep ingesteld. 2.11. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.12. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 7 mei 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de SVB mr. A. Marijnissen. Standpunten van partijen 3.1. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de door hem ontvangen nabetaling een schadevergoeding is. Eiser heeft moeten procederen in Polen over deze nabetaling. Hij wist niet of hij gelijk zou krijgen in de rechtszaak in Polen en heeft lang moeten wachten op duidelijkheid. Dat was niet goed voor zijn gezondheid. Ook heeft eiser kosten moeten maken vanwege de rechtszaak in Polen en bezoeken aan Poolse medisch specialisten. 3.2. De SVB heeft in het verweerschrift verwezen naar het bestreden besluit en heeft verder aangegeven dat de nabetaling ziet op de periode van oktober 2017 tot en met september 2024, wat de nabetaling ook relevant maakt voor eisers recht op een AIO-aanvulling. Uit de Poolse uitspraak blijkt dat het gaat om nabetaling van pensioen over een periode in het verleden en niet om een schadevergoeding. Er bestaan geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De SVB kan namelijk geen verwijt worden gemaakt, eiser kon weten dat de nabetaling van belang was voor zijn recht op een AIO-aanvulling en er is geen sprake van een bijzondere situatie. Beoordeling door de rechtbank Kern van het geschil 4. Wat eiser in beroep aanvoert, is in essentie een herhaling van wat hij in de bezwaarprocedure bij de SVB ook heeft aangevoerd. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de SVB de AIO-aanvulling van eiser heeft mogen herzien en terugvorderen vanwege een nabetaling die eiser in verband met zijn Poolse pensioenrechten heeft ontvangen. Eiser stelt dat het in september 2024 ontvangen geld van Pools pensioen een schadevergoeding is die niet moet worden meegenomen voor de berekening van zijn AIO-aanvulling. De SVB bestrijdt dit door te stellen deze nabetaling inkomsten (uit pensioen) zijn die moeten worden meegenomen bij de berekening van de AIO-aanvulling. 4.1. Het besluit tot herziening en terugvordering van een AIO-aanvulling is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit brengt in dit geval mee dat de SVB aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting in de periode van maart 2020 tot en met november 2024 (te beoordelen periode) heeft geschonden en dat hij als gevolg daarvan in die periode minder recht op een AIO-aanvulling had. Herziening 4.2. De rechtbank overweegt dat in deze procedure het volgende is komen vast te staan. Eiser heeft bij een Poolse rechtbank een rechtszaak gevoerd over zijn recht op een Pools politie- en invaliditeitspensioen. De regionale Poolse rechtbank heeft op 26 september 2023 beslist dat de Poolse pensioeninstelling (ZER-MSWiA) aan eiser vanaf 1 oktober 2017 zijn politiepensioen dient na te betalen, met wettelijke rente. Na hoger beroep door de Poolse pensioeninstelling heeft de directeur van deze instantie op 18 september 2024 – naar aanleiding van een eindarrest – besloten om eisers politie- en invaliditeitspensioen opnieuw vast te stellen. Daarom is als compensatie voor de periode van 1 oktober 2017 tot en met 30 september 2024 een bedrag van 127.519,59 (netto) Poolse zloty – omgerekend € 29.684,71 – aan eiser overgemaakt op 26 september 2024 (zonder wettelijke rente). Ook is met dit besluit eisers maandelijkse Poolse pensioen verhoogd. Dat maandelijkse pensioeninkomen heeft de SVB in overleg met eiser voorlopig op € 715,- per maand gezet voor de berekening van de AIO-aanvulling. 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de nabetaling die eiser in verband met zijn Poolse pensioenrechten heeft ontvangen door de SVB terecht aangemerkt als inkomsten die op grond van artikel 32, tweede lid, van de Participatiewet in aanmerking moeten worden genomen voor de AIO-aanvulling in de maanden waarin deze inkomsten zijn ontvangen. Gelet op het Poolse vonnis had de nabetaling immers betrekking op pensioen over een periode waarin eiser ook een AIO-aanvulling ontving. Dringende redenen 4.4. De SVB kan, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening en/of terugvordering af te zien. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij vindt dat hij niets hoeft terug te betalen, omdat de ontvangen gelden een schadevergoeding betreffen en daarom niet relevant zijn voor zijn AIO-aanvulling. Als hij wel AIO-aanvulling zou moeten terugbetalen, zal dit gezien zijn inkomenssituatie voor problemen zorgen. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij procedeerkosten heeft gemaakt in Polen, bestaande uit advocaatkosten (totaal 40.000 zl, +/- € 10.666,-), reiskosten naar Polen (10.000 zl, +/- € 2.666,-), vertaalkosten vonnis (1.500 zl, +/- € 400,-) en kosten voor bezoeken aan privéklinieken in Polen in verband met zijn verslechterde gezondheid. Dat geld heeft hij geleend van familie en moet hij terugbetalen. Ook heeft hij geen bonnetjes van de gemaakte kosten, omdat dat in Polen anders werkt. Eiser heef ter zitting verder aangegeven dat, als hij had geweten dat dit de gevolgen zouden zijn, hij nooit de zaak in Polen aanhangig zou hebben gemaakt. 4.5. De SVB heeft in haar beleid overwogen dat een wijziging die gevolgen heeft voor betalingen die in het verleden zijn gedaan in beginsel met volledig terugwerkende kracht wordt hersteld. De SVB ziet geheel of gedeeltelijk af van verlaging of intrekking van de uitkering over het verleden, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Als de betrokkene teveel of ten onrechte AIO-aanvulling heeft ontvangen omdat hij de mededelingsplicht heeft geschonden, dan is de SVB verplicht om terug te vorderen. De SVB maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheid om terug te vorderen, ook als geen sprake is van schending van de mededelingsplicht. In vaste rechtspraak is het bovenstaande beleid van de SVB goedgekeurd. 4.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de SVB zich hier terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van dringende redenen om de herziening en/of terugvordering geheel of gedeeltelijk te matigen. Nog afgezien van het feit dat niet met bewijsstukken is getoond wat de exacte omvang is van de kosten die eiser vergoed wenst te zien, heeft eiser dit verzoek ook onvoldoende onderbouwd. De kosten zullen dus niet worden meegenomen in het kader van dringende redenen. Eiser kon ook redelijkerwijs weten dat inkomsten in verband met zijn Poolse pensioen van invloed zouden kunnen zijn op zijn AIO-aanvulling. De SVB heeft immers meerdere besluiten genomen over de AIO-aanvulling waarbij rekening is gehouden met de Poolse pensioen van eiser. Eiser heeft de ontvangst van de inkomsten op 26 september 2024 niet tijdig (binnen vier weken) aan de SVB gemeld. Pas op 15 januari 2025 – nadat hij telefonisch door de SVB werd geconfronteerd met een grote nabetaling van Pools pensioen in zijn bankafschriften – heeft eiser aan de SVB aangegeven dat hij inderdaad een grote nabetaling van de Poolse pensioeninstelling had ontvangen. Dat de SVB vervolgens enige verwerkingstijd nodig had voor het verzenden van het herzienings- en terugvorderingsbesluit, maakt de herziening en terugvordering naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig. Eiser kon immers weten dat de verwerking van de melding nog ging plaatsvinden. Eiser moet dus het bedrag van € 19.430,12 aan onverschuldigd betaalde AIO-aanvulling terugbetalen aan de SVB. 4.7. Tot slot overweegt de rechtbank dat eiser bij de invordering als schuldenaar de bescherming krijgt van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ter zitting heeft de SVB aangegeven dat al informatie is opgevraagd bij eiser om een passend aflossingsbedrag te bepalen. Daarmee wordt voldoende rekening gehouden met de financiële mogelijkheden van eiser. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr.A.M. Pasmans, griffier, en is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Participatiewet Artikel 31. Middelen 1Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001. 2Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend: […] l. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade; […] s. giften, voor zover zij niet op grond van onderdeel m van de middelen zijn uitgezonderd, en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade, voor zover deze giften en vergoedingen naar het oordeel van het college in het individuele geval en uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn; […] 3. De middelen worden in aanmerking genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van: a. de daarover door de belanghebbende verschuldigde loonbelasting of inkomstenbelasting; b. de daarover door de belanghebbende verschuldigde premies volksverzekeringen dan wel een inhouding die met een of meer van deze premies overeenkomt alsmede de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet; c. ten laste van de belanghebbende komende verplichte bijdragen ingevolge een pensioenregeling en daarmee vergelijkbare regelingen; d. andere ten laste van de belanghebbende komende verplichte inhoudingen. […] Artikel 32. Inkomen 1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze: a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en b.