Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:4647
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,212 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4647 text/xml public 2026-06-02T14:50:47 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-27 25/5782 en 25/5784 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4647 text/html public 2026-06-02T14:50:16 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4647 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-05-2026 / 25/5782 en 25/5784 Handhaving wegens gebruik panden als pension/bed & breakfast zonder exploitatievergunning en in strijd met het omgevingsplan. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: 25/5782 en 25/5784 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaken tussen VOF [eiseres] , uit [plaats], eiseres 1, [eiser] , uit [plaats], eiser 2, samen: eisers, (gemachtigden: mr. J.L. Baar en mr. T.C. Lensen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland , het college, de burgemeester van de gemeente Schouwen-Duiveland, de burgemeester, samen: verweerders, (gemachtigde: mr. F.A. Pommer). Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van verweerders van 30 september 2025 ( bestreden besluit I ). Bestreden besluit I heeft betrekking op percelen en panden aan de [adres 1] en [nr.] in [plaats] (hierna: de percelen en de panden). Bestreden besluit I ziet op het opleggen van een last onder dwangsom aan eiseres 1, vanwege het zonder exploitatievergunning gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel als bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Dit beroep is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 25/5784. Eisers hebben daarnaast beroep ingesteld tegen een tweede beslissing op bezwaar van het college van 30 september 2025 ( bestreden besluit II ). Bestreden besluit II heeft betrekking op dezelfde percelen en panden. Bestreden besluit II ziet op het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser 2, vanwege het in strijd met het omgevingsplan laten gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel als bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Dit beroep is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 25/5782. De rechtbank heeft de beroepen op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser 2 en [persoon 1] (met eiser 2 namens eiser 1) waren samen met hun gemachtigden aanwezig. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, mr. L.W.F. van Deyzen, mr. B.W.B.G. Dings, mr. D.J. Heemskerk en [persoon 2] . Beoordeling door de rechtbank 1 Feiten 1.1 Eiser 2 is eigenaar van de percelen en panden aan de [adres 1] en [nr.] in [plaats]. 1.2 Op 5 juli 2021 heeft het college aan eiser 2 een last onder dwangsom met gebruiksstop opgelegd vanwege het – zonder daarvoor benodigde omgevingsvergunning – gebruiken van de panden als logiesbedrijf. 1.3 Op 13 juli 2023 heeft het college aan eiser 2 een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van de panden tot twee woningen. In de voorschriften staat o.a.: “Een bed & breakfast mag plaatsvinden als een nevenactiviteit in een bestaande woning; de hoofdbewoner dient daarom eigenaar of huurder te zijn van de gehele woning indien een BenB wordt uitgeoefend”. 1.4 Op 31 augustus 2023 heeft eiser 2 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van het gebruik van de panden van ‘wonen’ naar ‘wonen en pension’. Het college heeft die aanvraag afgewezen en het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. 1.5 Op 22 augustus 2023, 2 9 augustus 2023, 2 september 2023, 27 september 2023 en 28 juni 2024 hebben toezichthouders van verweerders een controle uitgevoerd naar het gebruik van de panden. Op 5 februari 2024 en op 22 juli 2024 heeft de toezichthouder informatie opgevraagd bij eisers en bij het boekingssysteem ‘RoomRaccoon’. De bevindingen van de toezichthouders zijn opgenomen in controlerapporten. 1.6 In een brief van 8 augustus 2024 heeft het college aan eisers medegedeeld voornemens te zijn om een last onder dwangsom op te leggen, vanwege het gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel een bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Eisers hebben op 22 augustus 2024 een zienswijze kenbaar gemaakt. 1.7 Verweerders hebben aan eiseres 1 op 25 februari 2025 een last onder dwangsom opgelegd (primair besluit I), vanwege het zonder exploitatievergunning en zonder omgevingsvergunning in strijd met het omgevingsplan gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel een bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Dit is volgens verweerders in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) en artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: APV). Verweerders hebben gelast om dit gebruik te staken en gestaakt te houden en hebben daar een dwangsom aan verbonden van € 10.000,- per overtreding en een maximum van € 50.000,-. 1.8 Het college heeft aan eiser 2 op 25 februari 2025 een last onder dwangsom opgelegd (primair besluit II), vanwege het zonder omgevingsvergunning in strijd met het omgevingsplan gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel een bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Dit is volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Het college heeft gelast om dit gebruik te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden en heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 10.000,- per overtreding en een maximum van € 50.000,-. 1.9 Eiser 2 heeft in een brief van 4 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen primair besluit II. Eiseres 1 heeft in een brief van 5 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen primair besluit I. 1.10 Bij bestreden besluit I hebben verweerders het bezwaar van eiseres 1 tegen primair besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerders hebben de last onder dwangsom ingetrokken, voor zover deze aan eiseres 1 was opgelegd voor het handelen in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. 1.11 Bij bestreden besluit II heeft het college het bezwaar van eiser 2 tegen primair besluit II gedeeltelijk gegrond verklaard en besloten om primair besluit II te handhaven. 1.12 Eisers hebben op 5 november 2025 beroep ingesteld tegen bestreden besluit I en bestreden besluit II. 2 Beroep tegen bestreden besluit I 2.1 Uit bestreden besluit I volgt dat de burgemeester aan eiseres 1 een last onder dwangsom heeft opgelegd, vanwege het zonder exploitatievergunning in de panden exploiteren van een pension, bed & breakfast dan wel bedrijf voor recreatief nachtverblijf. 2.2 Eisers hebben geen specifieke beroepsgronden ingediend tegen bestreden besluit I. Het beroepschrift bevat alleen de stelling dat van een overtreding geen sprake is. De rechtbank heeft eisers in een brief van 20 november 2025 een termijn van vier weken gegeven om de gronden tegen bestreden besluit I in te dienen. De rechtbank heeft daarop geen reactie ontvangen. Op 10 februari 2026 heeft de rechtbank eisers een laatste termijn van één week gegeven om de gronden in te dienen. In een brief van 6 februari 2026 hebben eisers uitsluitend gronden aangevoerd tegen bestreden besluit II. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers verklaard dat er geen specifieke gronden zijn tegen deze last onder dwangsom, nu dit, gelet op de eerdere uitspraak over deze panden, waartegen hoger beroep loopt, een herhaling van zetten zou zijn. 2.3 Gelet op het voorgaande hebben eisers geen gronden aangevoerd die kunnen leiden tot een gegrond beroep. De rechtbank zal het beroep tegen bestreden besluit I daarom ongegrond verklaren. 3 Wettelijk kader De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 4 Gronden tegen bestreden besluit II 4.1 Eisers hebben tegen bestreden besluit II aangevoerd dat het college de last onder dwangsom ten onrechte heeft opgelegd. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben eisers verwezen naar een hoger beroepschrift dat zij hebben opgesteld voor een hoger beroep tegen een uitspraak van deze rechtbank van 25 september 2025.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4647 text/xml public 2026-06-02T14:50:47 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-27 25/5782 en 25/5784 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4647 text/html public 2026-06-02T14:50:16 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4647 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-05-2026 / 25/5782 en 25/5784 Handhaving wegens gebruik panden als pension/bed & breakfast zonder exploitatievergunning en in strijd met het omgevingsplan. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: 25/5782 en 25/5784 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaken tussen VOF [eiseres] , uit [plaats], eiseres 1, [eiser] , uit [plaats], eiser 2, samen: eisers, (gemachtigden: mr. J.L. Baar en mr. T.C. Lensen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland , het college, de burgemeester van de gemeente Schouwen-Duiveland, de burgemeester, samen: verweerders, (gemachtigde: mr. F.A. Pommer). Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van verweerders van 30 september 2025 ( bestreden besluit I ). Bestreden besluit I heeft betrekking op percelen en panden aan de [adres 1] en [nr.] in [plaats] (hierna: de percelen en de panden). Bestreden besluit I ziet op het opleggen van een last onder dwangsom aan eiseres 1, vanwege het zonder exploitatievergunning gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel als bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Dit beroep is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 25/5784. Eisers hebben daarnaast beroep ingesteld tegen een tweede beslissing op bezwaar van het college van 30 september 2025 ( bestreden besluit II ). Bestreden besluit II heeft betrekking op dezelfde percelen en panden. Bestreden besluit II ziet op het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser 2, vanwege het in strijd met het omgevingsplan laten gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel als bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Dit beroep is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 25/5782. De rechtbank heeft de beroepen op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser 2 en [persoon 1] (met eiser 2 namens eiser 1) waren samen met hun gemachtigden aanwezig. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, mr. L.W.F. van Deyzen, mr. B.W.B.G. Dings, mr. D.J. Heemskerk en [persoon 2] . Beoordeling door de rechtbank 1 Feiten 1.1 Eiser 2 is eigenaar van de percelen en panden aan de [adres 1] en [nr.] in [plaats]. 1.2 Op 5 juli 2021 heeft het college aan eiser 2 een last onder dwangsom met gebruiksstop opgelegd vanwege het – zonder daarvoor benodigde omgevingsvergunning – gebruiken van de panden als logiesbedrijf. 1.3 Op 13 juli 2023 heeft het college aan eiser 2 een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van de panden tot twee woningen. In de voorschriften staat o.a.: “Een bed & breakfast mag plaatsvinden als een nevenactiviteit in een bestaande woning; de hoofdbewoner dient daarom eigenaar of huurder te zijn van de gehele woning indien een BenB wordt uitgeoefend”. 1.4 Op 31 augustus 2023 heeft eiser 2 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van het gebruik van de panden van ‘wonen’ naar ‘wonen en pension’. Het college heeft die aanvraag afgewezen en het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. 1.5 Op 22 augustus 2023, 2 9 augustus 2023, 2 september 2023, 27 september 2023 en 28 juni 2024 hebben toezichthouders van verweerders een controle uitgevoerd naar het gebruik van de panden. Op 5 februari 2024 en op 22 juli 2024 heeft de toezichthouder informatie opgevraagd bij eisers en bij het boekingssysteem ‘RoomRaccoon’. De bevindingen van de toezichthouders zijn opgenomen in controlerapporten. 1.6 In een brief van 8 augustus 2024 heeft het college aan eisers medegedeeld voornemens te zijn om een last onder dwangsom op te leggen, vanwege het gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel een bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Eisers hebben op 22 augustus 2024 een zienswijze kenbaar gemaakt. 1.7 Verweerders hebben aan eiseres 1 op 25 februari 2025 een last onder dwangsom opgelegd (primair besluit I), vanwege het zonder exploitatievergunning en zonder omgevingsvergunning in strijd met het omgevingsplan gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel een bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Dit is volgens verweerders in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) en artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: APV). Verweerders hebben gelast om dit gebruik te staken en gestaakt te houden en hebben daar een dwangsom aan verbonden van € 10.000,- per overtreding en een maximum van € 50.000,-. 1.8 Het college heeft aan eiser 2 op 25 februari 2025 een last onder dwangsom opgelegd (primair besluit II), vanwege het zonder omgevingsvergunning in strijd met het omgevingsplan gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel een bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Dit is volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Het college heeft gelast om dit gebruik te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden en heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 10.000,- per overtreding en een maximum van € 50.000,-. 1.9 Eiser 2 heeft in een brief van 4 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen primair besluit II. Eiseres 1 heeft in een brief van 5 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen primair besluit I. 1.10 Bij bestreden besluit I hebben verweerders het bezwaar van eiseres 1 tegen primair besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerders hebben de last onder dwangsom ingetrokken, voor zover deze aan eiseres 1 was opgelegd voor het handelen in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. 1.11 Bij bestreden besluit II heeft het college het bezwaar van eiser 2 tegen primair besluit II gedeeltelijk gegrond verklaard en besloten om primair besluit II te handhaven. 1.12 Eisers hebben op 5 november 2025 beroep ingesteld tegen bestreden besluit I en bestreden besluit II. 2 Beroep tegen bestreden besluit I 2.1 Uit bestreden besluit I volgt dat de burgemeester aan eiseres 1 een last onder dwangsom heeft opgelegd, vanwege het zonder exploitatievergunning in de panden exploiteren van een pension, bed & breakfast dan wel bedrijf voor recreatief nachtverblijf. 2.2 Eisers hebben geen specifieke beroepsgronden ingediend tegen bestreden besluit I. Het beroepschrift bevat alleen de stelling dat van een overtreding geen sprake is. De rechtbank heeft eisers in een brief van 20 november 2025 een termijn van vier weken gegeven om de gronden tegen bestreden besluit I in te dienen. De rechtbank heeft daarop geen reactie ontvangen. Op 10 februari 2026 heeft de rechtbank eisers een laatste termijn van één week gegeven om de gronden in te dienen. In een brief van 6 februari 2026 hebben eisers uitsluitend gronden aangevoerd tegen bestreden besluit II. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers verklaard dat er geen specifieke gronden zijn tegen deze last onder dwangsom, nu dit, gelet op de eerdere uitspraak over deze panden, waartegen hoger beroep loopt, een herhaling van zetten zou zijn. 2.3 Gelet op het voorgaande hebben eisers geen gronden aangevoerd die kunnen leiden tot een gegrond beroep. De rechtbank zal het beroep tegen bestreden besluit I daarom ongegrond verklaren. 3 Wettelijk kader De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 4 Gronden tegen bestreden besluit II 4.1 Eisers hebben tegen bestreden besluit II aangevoerd dat het college de last onder dwangsom ten onrechte heeft opgelegd. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben eisers verwezen naar een hoger beroepschrift dat zij hebben opgesteld voor een hoger beroep tegen een uitspraak van deze rechtbank van 25 september 2025.
Volledig
In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van eiser 2 over een invorderingsbeschikking naar aanleiding van de last onder dwangsom van 6 juli 2021 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft uit dat hogerberoepschrift de volgende, voor deze beroepsprocedure relevante, beroepsgronden afgeleid. 4.2 Eisers hebben aangevoerd dat geen sprake is van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Eisers gebruiken de panden als bed & breakfast en dat is toegestaan op grond van de voorschriften uit de omgevingsvergunning van 13 juli 2023. In de voorschriften staat: “ Een bed & breakfast mag plaatsvinden als een nevenactiviteit in een bestaande woning; de hoofdbewoner dient daarom eigenaar of huurder te zijn van de gehele woning indien een BenB wordt uitgeoefend”. Volgens eisers wordt aan dat voorschrift voldaan. De zoon van eiser 2 is als huurder de hoofdbewoner van de [adres 1] en [persoon 3] is als huurder de hoofdbewoner van de [adres 2] . De bed & breakfast hoeft volgens dat voorschrift niet voor rekening en risico van de hoofdbewoner (de huurders) te worden geëxploiteerd. 4.3 Eisers hebben daarnaast aangevoerd dat het opleggen van de last onder dwangsom onevenredig is, omdat sprake is van omstandigheden waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. De omzetting van de bed & breakfast naar een pension is mogelijk op grond van de ‘Evaluatie en gedeeltelijke aanpassing horecavisie 2018’. Daarin staat dat omzetting mogelijk is bij de exploitatie van een legale bed & breakfast. De mogelijkheden tot legale exploitatie van een pension zijn daarom zo voorstelbaar, dat de gevolgen van de opgelegde lasten onder dwangsom onevenredig zijn met de doelen die verweerders hebben met die lasten. Eisers hebben daarnaast een lijst overgelegd met adressen van bed & breakfasts in [plaats], waar de exploitatie van de bed & breakfast volgens eisers plaatsvindt door een ander dan de hoofdbewoner. 5 Beoordeling beroep tegen bestreden besluit II 5.1 Uit bestreden besluit II blijkt dat het college aan eiser 2 een last onder dwangsom heeft opgelegd, vanwege het zonder omgevingsvergunning in strijd met het omgevingsplan gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Overtreding 5.2 Het college was alleen bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen, wanneer sprake was van een overtreding. 5.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college – door te verwijzen naar de controlerapporten – voldoende gemotiveerd dat het bevoegd was om de last onder dwangsom op te leggen, vanwege overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. 5.4 In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Op dit moment bestaat het omgevingsplan van de gemeente Schouwen-Duiveland onder andere uit ‘een tijdelijk deel’. Dat tijdelijk deel wordt (voor zover voor deze zaak relevant) gevormd door de kaarten en regels uit het bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 op de percelen van toepassing was. Dit was het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom [plaats]’. Daaruit blijkt dat aan de percelen de functie ‘Bedrijf’ met aanduiding (od) is toegekend. In de planregels staat dat de percelen bedoeld zijn voor de uitoefening van categorie 1 bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in de bij de planregels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten en specifiek voor de ‘opslag/distributie van goederen’. Het gebruiken van de panden als pension past niet binnen de functie ‘Bedrijf’. Dit is geen bedrijf dat staat genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten én is ook geen bedrijf bedoeld voor de opslag of distributie van goederen. Een pension wordt in de planregels gedefinieerd als: “ een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan logerende gasten .” 5.5 Het college heeft op 13 juli 2023 een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van de panden tot en gebruiken van de panden als twee woningen. Als voorschrift staat in die omgevingsvergunning: “ Een bed & breakfast mag plaatsvinden als een nevenactiviteit in een bestaande woning; de hoofdbewoner dient daarom eigenaar of huurder te zijn van de gehele woning indien een BenB wordt uitgeoefend”. De rechtbank gaat ervan uit dat dit voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden omdat in de algemene gebruiksregels van het omgevingsplan staat dat een bed & breakfast in een woning is toegestaan. Tussen partijen is in geschil of het door het college geconstateerde gebruik van de panden kan worden aangemerkt als een bed & breakfast en is toegestaan op grond van die omgevingsvergunning. 5.6 De rechtbank is van oordeel dat het college op goede gronden geconcludeerd dat de panden niet werden gebruikt als bed & breakfast, maar als pension. Het college heeft uit de controlerapporten afgeleid dat is geconstateerd dat de benedenverdieping van de panden gastenkamers bevatten en dat op de bovenverdiepingen van de panden twee bovenwoningen (studio’s) aanwezig waren. Uit die controlerapporten heeft het college ook op goede gronden afgeleid dat in de panden kamers werden verhuurd voor recreatief nachtverblijf. In het omgevingsplan wordt bed & breakfast gedefinieerd als “ Een nevenactiviteit in een bestaande woning waar logies wordt verstrekt en waar eventueel afzonderlijke maaltijden worden verstrekt aan gasten ”. In de omgevingsvergunning staat ook dat sprake moet zijn van een nevenactiviteit. Daar heeft het college uit kunnen afleiden dat het hebben van een bed & breakfast in de panden uitsluitend is toegestaan/vergund voor zover het een nevenactiviteit is. In het omgevingsplan is het begrip ‘nevenactiviteit’ niet gedefinieerd. In het normale spraakgebruik wordt onder een nevenactiviteit een activiteit verstaan die ondergeschikt is aan een andere activiteit. Het college heeft kunnen concluderen dat is geconstateerd dat het recreatief nachtverblijf niet als ‘nevenactiviteit’ plaatsvindt in de panden. Het overgrote deel van de panden wordt immers gebruikt voor recreatief nachtverblijf en slechts een klein deel (de zolderverdiepingen) voor wonen. Onder die omstandigheden kan niet worden gesproken van een situatie waarbij de bed & breakfast ondergeschikt is aan de woonactiviteit. Dat sprake moet zijn van een aan wonen ondergeschikte nevenactiviteit, betekent naar het oordeel van de rechtbank logischerwijs ook dat de bed & breakfast voor rekening en risico van de hoofdbewoner moet worden geëxploiteerd. Uit bestreden besluit II blijkt dat daar ook niet aan wordt voldaan. Tijdens de controles is door een hoofdbewoner van nummer [nr.] verklaard dat hij de bed & breakfast niet exploiteert. Daarnaast is tijdens de controles geconstateerd dat de bed & breakfast door eiseres 1 werd geëxploiteerd. Tijdens de controles is bijvoorbeeld geconstateerd dat in de gastenkamers informatiemappen van eiseres 1 lagen. 5.7 Onder die omstandigheden heeft het college kunnen concluderen dat in de panden in strijd met het omgevingsplan – en zonder omgevingsvergunning – een pension werd geëxploiteerd. Het college was daarom bevoegd om de last onder dwangsom op te leggen aan eiser 2, als medevennoot van eiseres 1, vanwege overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Beginselplicht tot handhaving 5.8 Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Deze beginselplicht geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.
Volledig
In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van eiser 2 over een invorderingsbeschikking naar aanleiding van de last onder dwangsom van 6 juli 2021 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft uit dat hogerberoepschrift de volgende, voor deze beroepsprocedure relevante, beroepsgronden afgeleid. 4.2 Eisers hebben aangevoerd dat geen sprake is van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Eisers gebruiken de panden als bed & breakfast en dat is toegestaan op grond van de voorschriften uit de omgevingsvergunning van 13 juli 2023. In de voorschriften staat: “ Een bed & breakfast mag plaatsvinden als een nevenactiviteit in een bestaande woning; de hoofdbewoner dient daarom eigenaar of huurder te zijn van de gehele woning indien een BenB wordt uitgeoefend”. Volgens eisers wordt aan dat voorschrift voldaan. De zoon van eiser 2 is als huurder de hoofdbewoner van de [adres 1] en [persoon 3] is als huurder de hoofdbewoner van de [adres 2] . De bed & breakfast hoeft volgens dat voorschrift niet voor rekening en risico van de hoofdbewoner (de huurders) te worden geëxploiteerd. 4.3 Eisers hebben daarnaast aangevoerd dat het opleggen van de last onder dwangsom onevenredig is, omdat sprake is van omstandigheden waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. De omzetting van de bed & breakfast naar een pension is mogelijk op grond van de ‘Evaluatie en gedeeltelijke aanpassing horecavisie 2018’. Daarin staat dat omzetting mogelijk is bij de exploitatie van een legale bed & breakfast. De mogelijkheden tot legale exploitatie van een pension zijn daarom zo voorstelbaar, dat de gevolgen van de opgelegde lasten onder dwangsom onevenredig zijn met de doelen die verweerders hebben met die lasten. Eisers hebben daarnaast een lijst overgelegd met adressen van bed & breakfasts in [plaats], waar de exploitatie van de bed & breakfast volgens eisers plaatsvindt door een ander dan de hoofdbewoner. 5 Beoordeling beroep tegen bestreden besluit II 5.1 Uit bestreden besluit II blijkt dat het college aan eiser 2 een last onder dwangsom heeft opgelegd, vanwege het zonder omgevingsvergunning in strijd met het omgevingsplan gebruiken van de panden als pension, bed & breakfast dan wel bedrijf voor recreatief nachtverblijf. Overtreding 5.2 Het college was alleen bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen, wanneer sprake was van een overtreding. 5.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college – door te verwijzen naar de controlerapporten – voldoende gemotiveerd dat het bevoegd was om de last onder dwangsom op te leggen, vanwege overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. 5.4 In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Op dit moment bestaat het omgevingsplan van de gemeente Schouwen-Duiveland onder andere uit ‘een tijdelijk deel’. Dat tijdelijk deel wordt (voor zover voor deze zaak relevant) gevormd door de kaarten en regels uit het bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 op de percelen van toepassing was. Dit was het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom [plaats]’. Daaruit blijkt dat aan de percelen de functie ‘Bedrijf’ met aanduiding (od) is toegekend. In de planregels staat dat de percelen bedoeld zijn voor de uitoefening van categorie 1 bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in de bij de planregels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten en specifiek voor de ‘opslag/distributie van goederen’. Het gebruiken van de panden als pension past niet binnen de functie ‘Bedrijf’. Dit is geen bedrijf dat staat genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten én is ook geen bedrijf bedoeld voor de opslag of distributie van goederen. Een pension wordt in de planregels gedefinieerd als: “ een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan logerende gasten .” 5.5 Het college heeft op 13 juli 2023 een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van de panden tot en gebruiken van de panden als twee woningen. Als voorschrift staat in die omgevingsvergunning: “ Een bed & breakfast mag plaatsvinden als een nevenactiviteit in een bestaande woning; de hoofdbewoner dient daarom eigenaar of huurder te zijn van de gehele woning indien een BenB wordt uitgeoefend”. De rechtbank gaat ervan uit dat dit voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden omdat in de algemene gebruiksregels van het omgevingsplan staat dat een bed & breakfast in een woning is toegestaan. Tussen partijen is in geschil of het door het college geconstateerde gebruik van de panden kan worden aangemerkt als een bed & breakfast en is toegestaan op grond van die omgevingsvergunning. 5.6 De rechtbank is van oordeel dat het college op goede gronden geconcludeerd dat de panden niet werden gebruikt als bed & breakfast, maar als pension. Het college heeft uit de controlerapporten afgeleid dat is geconstateerd dat de benedenverdieping van de panden gastenkamers bevatten en dat op de bovenverdiepingen van de panden twee bovenwoningen (studio’s) aanwezig waren. Uit die controlerapporten heeft het college ook op goede gronden afgeleid dat in de panden kamers werden verhuurd voor recreatief nachtverblijf. In het omgevingsplan wordt bed & breakfast gedefinieerd als “ Een nevenactiviteit in een bestaande woning waar logies wordt verstrekt en waar eventueel afzonderlijke maaltijden worden verstrekt aan gasten ”. In de omgevingsvergunning staat ook dat sprake moet zijn van een nevenactiviteit. Daar heeft het college uit kunnen afleiden dat het hebben van een bed & breakfast in de panden uitsluitend is toegestaan/vergund voor zover het een nevenactiviteit is. In het omgevingsplan is het begrip ‘nevenactiviteit’ niet gedefinieerd. In het normale spraakgebruik wordt onder een nevenactiviteit een activiteit verstaan die ondergeschikt is aan een andere activiteit. Het college heeft kunnen concluderen dat is geconstateerd dat het recreatief nachtverblijf niet als ‘nevenactiviteit’ plaatsvindt in de panden. Het overgrote deel van de panden wordt immers gebruikt voor recreatief nachtverblijf en slechts een klein deel (de zolderverdiepingen) voor wonen. Onder die omstandigheden kan niet worden gesproken van een situatie waarbij de bed & breakfast ondergeschikt is aan de woonactiviteit. Dat sprake moet zijn van een aan wonen ondergeschikte nevenactiviteit, betekent naar het oordeel van de rechtbank logischerwijs ook dat de bed & breakfast voor rekening en risico van de hoofdbewoner moet worden geëxploiteerd. Uit bestreden besluit II blijkt dat daar ook niet aan wordt voldaan. Tijdens de controles is door een hoofdbewoner van nummer [nr.] verklaard dat hij de bed & breakfast niet exploiteert. Daarnaast is tijdens de controles geconstateerd dat de bed & breakfast door eiseres 1 werd geëxploiteerd. Tijdens de controles is bijvoorbeeld geconstateerd dat in de gastenkamers informatiemappen van eiseres 1 lagen. 5.7 Onder die omstandigheden heeft het college kunnen concluderen dat in de panden in strijd met het omgevingsplan – en zonder omgevingsvergunning – een pension werd geëxploiteerd. Het college was daarom bevoegd om de last onder dwangsom op te leggen aan eiser 2, als medevennoot van eiseres 1, vanwege overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Beginselplicht tot handhaving 5.8 Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Deze beginselplicht geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.
Volledig
5.9 In die uitspraak heeft de Afdeling verder overwogen dat voor de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak . Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. 5.10 Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. 5.11 De rechtbank is van oordeel dat het college redelijkerwijs heeft kunnen besluiten dat handhavend optreden ten tijde van primair besluit II niet zodanig onevenredig was in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college van handhaving had moeten afzien. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. 5.12 Eisers hebben aangevoerd dat een bed & breakfast op grond van gemeentelijk beleid omgezet kan worden naar een pension. De rechtbank gaat ervan uit dat eisers daarmee hebben bedoeld aan te voeren dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het college heeft geweigerd aan eisers een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van het gebruik van de panden van ‘wonen’ naar ‘wonen en pension’. Het daartegen gerichte bezwaar en beroep van eisers is ongegrond verklaard. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat sprake was van concreet zicht op legalisatie. De rechtbank heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat in de uitspraak van de rechtbank van 25 september 2025 is geoordeeld dat de omzetting van de bed & breakfast naar pension niet mogelijk is op grond van de horecavisie, omdat de bed & breakfast niet legaal aanwezig is. 5.13 Eisers hebben daarnaast een lijst overgelegd met adressen van bed & breakfasts in [plaats], waar de exploitatie van de bed & breakfast volgens eisers plaatsvindt door een ander dan de hoofdbewoner. De rechtbank begrijpt dat eisers daarmee een beroep hebben bedoeld te doen op het gelijkheidsbeginsel. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Een besluit is in strijd met dit beginsel vastgesteld, wanneer sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld en wanneer voor die ongelijke behandeling geen voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat. De rechtbank is van oordeel dat het college op zitting voldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen. In alle gevallen is volgens het college sprake van de situatie dat geen sprake is van een bed & breakfast in een woning of dat de hoofdbewoner wel exploitant is van de bed & breakfast. Bij alle genoemde bedrijven waar is geconstateerd dat in strijd met (andere) regelgeving is gehandeld, is een procedure tot handhaving gestart. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dus niet. 6 Redelijke termijn 6.1 Eisers hebben in beide beroepen verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 6.2 Op grond van vaste rechtspraak is een redelijke termijn voor de afhandeling van bezwaar en beroep als uitgangspunt twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. 6.3 Gerekend van (de ontvangst van) het bezwaarschrift tegen primair besluit II op 4 maart 2025 en het bezwaarschrift tegen primair besluit I op 5 maart 2025 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn geen twee jaar verstreken. Gelet daarop is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. 7 Conclusie 7.1 De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren. Daarnaast zal de rechtbank de verzoeken om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn afwijzen. 7.2 Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding. De beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond; verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond; wijst de verzoeken om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzitter, mr. R.P. Broeders en mr. M. Breeman, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 27 mei 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Wettelijk kader Omgevingswet (Ow) Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten een omgevingsplanactiviteit. Artikel 22.1 van de Ow In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit: de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet, de regels waarvoor op grond van artikel 22.2, eerste lid, is bepaald dat ze tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan. Bestemmingsplan ‘Bebouwde kom [plaats]’ Artikel 1, onder 20, van de planregels In deze regels wordt verstaan onder ‘bed & breakfast’: Een nevenactiviteit in een bestaande woning waar logies wordt verstrekt en waar eventueel afzonderlijke maaltijden worden verstrekt aan gasten. Artikel 1, onder 78, van de planregels In deze regels wordt verstaan onder ‘pension’: een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan logerende gasten. Artikel 4, eerste lid, van de planregels De op de kaart voor "Bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor: de uitoefening van categorie 1 bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten; bedrijfsactiviteiten als bedoeld onder a, alsmede ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezige bedrijven ter plaatse van de op de kaart aangegeven aanduiding, te weten: (anb): een aannemersbedrijf; (bvl): een brandstofverkooppunt met LPG. (drk): een drukkerij; (ga): een garagebedrijf; (ib): een installatiebedrijf; (mo): een molen; (od): opslag/distributie van goederen, met uitzondering van vuurwerk en andere voor de omgeving gevaarlijke stoffen, voor zover deze voorkomen in de bij deze regels behorende lijst van gevaarlijke stoffen; (shb): een schadeherstelbedrijf; Detailhandelsbedrijven, met uitzondering van het uitoefenen van detailhandel bij ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteiten, zijn niet toegestaan. Zelfstandige kantoren, met uitzondering van het uitoefenen van kantoren ten dienste van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteiten, zijn niet toegestaan.
Volledig
5.9 In die uitspraak heeft de Afdeling verder overwogen dat voor de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak . Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. 5.10 Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. 5.11 De rechtbank is van oordeel dat het college redelijkerwijs heeft kunnen besluiten dat handhavend optreden ten tijde van primair besluit II niet zodanig onevenredig was in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college van handhaving had moeten afzien. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. 5.12 Eisers hebben aangevoerd dat een bed & breakfast op grond van gemeentelijk beleid omgezet kan worden naar een pension. De rechtbank gaat ervan uit dat eisers daarmee hebben bedoeld aan te voeren dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het college heeft geweigerd aan eisers een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van het gebruik van de panden van ‘wonen’ naar ‘wonen en pension’. Het daartegen gerichte bezwaar en beroep van eisers is ongegrond verklaard. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat sprake was van concreet zicht op legalisatie. De rechtbank heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat in de uitspraak van de rechtbank van 25 september 2025 is geoordeeld dat de omzetting van de bed & breakfast naar pension niet mogelijk is op grond van de horecavisie, omdat de bed & breakfast niet legaal aanwezig is. 5.13 Eisers hebben daarnaast een lijst overgelegd met adressen van bed & breakfasts in [plaats], waar de exploitatie van de bed & breakfast volgens eisers plaatsvindt door een ander dan de hoofdbewoner. De rechtbank begrijpt dat eisers daarmee een beroep hebben bedoeld te doen op het gelijkheidsbeginsel. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Een besluit is in strijd met dit beginsel vastgesteld, wanneer sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld en wanneer voor die ongelijke behandeling geen voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat. De rechtbank is van oordeel dat het college op zitting voldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen. In alle gevallen is volgens het college sprake van de situatie dat geen sprake is van een bed & breakfast in een woning of dat de hoofdbewoner wel exploitant is van de bed & breakfast. Bij alle genoemde bedrijven waar is geconstateerd dat in strijd met (andere) regelgeving is gehandeld, is een procedure tot handhaving gestart. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dus niet. 6 Redelijke termijn 6.1 Eisers hebben in beide beroepen verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 6.2 Op grond van vaste rechtspraak is een redelijke termijn voor de afhandeling van bezwaar en beroep als uitgangspunt twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. 6.3 Gerekend van (de ontvangst van) het bezwaarschrift tegen primair besluit II op 4 maart 2025 en het bezwaarschrift tegen primair besluit I op 5 maart 2025 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn geen twee jaar verstreken. Gelet daarop is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. 7 Conclusie 7.1 De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren. Daarnaast zal de rechtbank de verzoeken om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn afwijzen. 7.2 Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding. De beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond; verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond; wijst de verzoeken om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzitter, mr. R.P. Broeders en mr. M. Breeman, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 27 mei 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Wettelijk kader Omgevingswet (Ow) Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten een omgevingsplanactiviteit. Artikel 22.1 van de Ow In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit: de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet, de regels waarvoor op grond van artikel 22.2, eerste lid, is bepaald dat ze tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan. Bestemmingsplan ‘Bebouwde kom [plaats]’ Artikel 1, onder 20, van de planregels In deze regels wordt verstaan onder ‘bed & breakfast’: Een nevenactiviteit in een bestaande woning waar logies wordt verstrekt en waar eventueel afzonderlijke maaltijden worden verstrekt aan gasten. Artikel 1, onder 78, van de planregels In deze regels wordt verstaan onder ‘pension’: een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan logerende gasten. Artikel 4, eerste lid, van de planregels De op de kaart voor "Bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor: de uitoefening van categorie 1 bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten; bedrijfsactiviteiten als bedoeld onder a, alsmede ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezige bedrijven ter plaatse van de op de kaart aangegeven aanduiding, te weten: (anb): een aannemersbedrijf; (bvl): een brandstofverkooppunt met LPG. (drk): een drukkerij; (ga): een garagebedrijf; (ib): een installatiebedrijf; (mo): een molen; (od): opslag/distributie van goederen, met uitzondering van vuurwerk en andere voor de omgeving gevaarlijke stoffen, voor zover deze voorkomen in de bij deze regels behorende lijst van gevaarlijke stoffen; (shb): een schadeherstelbedrijf; Detailhandelsbedrijven, met uitzondering van het uitoefenen van detailhandel bij ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteiten, zijn niet toegestaan. Zelfstandige kantoren, met uitzondering van het uitoefenen van kantoren ten dienste van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteiten, zijn niet toegestaan.