Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:4596
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 11656314 \ CV EXPL 25-1325 Vonnis van 20 mei 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. J.J.A. Braspenning, tegen GEMEENTE DRIMMELEN , te Made, gedaagde partij, hierna te noemen: de gemeente, gemachtigde: mr. F. van de Pol. 1 De zaak in het kort 1.1. De gemeente heeft in 2024 voor € 1.200,00 een smalle strook grond verkocht aan de bewoners van een naastgelegen woning. [eiser] stelt dat die verkoop tegenover hem onrechtmatig is. Volgens [eiser] was hij eigenaar van die strook, die jarenlang onderdeel uitmaakte van de aan de andere zijde gelegen akker. [eiser] vordert daarom dat de kantonrechter verklaart dat hij eigenaar was van de strook ten tijde van de verkoop en dat de gemeente € 1.200,00 vermeerderd met kosten aan hem als schadevergoeding betaalt. De kantonrechter wijst die vorderingen af. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel uit. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de spreekaantekeningen van mr. J.J.A. Braspenning voor zover deze zijn voorgedragen; - de spreektaantekeningen van mr. F. van de Pol voor zover deze zijn voorgedragen; - de (kadastrale) kaarten overgelegd ter zitting door mr. J.J.A. Braspenning; - de kaarten overgelegd ter zitting door mr. F. van de Pol. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. De ouders van [eiser] waren eigenaar van een perceel landbouwgrond, kadastraal bekend als [perceel 1] . 3.2. Grenzend aan het perceel met nummer [perceel 1] , ligt een klein strookje, groot 16 centiare, kadastraal bekend als [perceel 2] (hierna: de strook). 3.3. Op de strook heeft jarenlang een hek gestaan. Dit hek is geplaatst door de gemeente in overleg met [eiser] . 3.4. [eiser] heeft het perceel met nummer [perceel 1] samen met de strook tot aan het hekwerk agrarisch bewerkt. 3.5. Sinds 1962 bevond zich ten zuiden van de strook een sportpark. Op een gegeven moment zijn de percelen ten zuiden van de strook verkocht aan een ontwikkelaar. Deze ontwikkelaar heeft de percelen gesplitst en heeft daar een woonwijk gerealiseerd, de [wijk] . 3.6. In 2002 hebben [eiser] en zijn broer het perceel met nummer [perceel 1] geërfd van hun ouders. 3.7. In 2003 hebben [eiser] en zijn broer het perceel met nummer [perceel 1] verkocht aan projectontwikkelaar [bedrijf]. Dat perceel is in 2004 geleverd aan [V.O.F.] en [bedrijf] [eiser] bleef na deze levering (tot 2023) een gebruiksrecht houden om het perceel met nummer [perceel 1] agrarisch te bewerken. 3.8. In 2010 was de gemeente van plan om het hek op de strook te verwijderen. [eiser] was het daar niet mee eens. Op 20 mei 2010 heeft [eiser] daarom een brief aan de gemeente gestuurd. In die brief staat onder meer: “ Langs deze weg wil ik u er ook op wijzen dat het verwijderen van de afrastering op gemeentelijk openbaar grondgebied als consequentie heeft dat ook het landbouwperceel waarvan ik mede eigenaar ben legaal betreden kan worden door derden. Dit is reeds 34 jaar niet meer mogelijk, aangezien in onderling overleg de afrastering geplaatst en in functie is sinds 1976. Hierbij constateer ik dat uw éénzijdig besluit t.b.v. het verwijderen van deze afrastering in strijd is met de wettelijke bepalingen. Ik beroep mij dan ook op verjaring daar de afrastering reeds 34 jaar in functie is. ” 3.9. De gemeente heeft het hek vervolgens laten staan. 3.10. De gemeente heeft op 5 juni 2024 de strook verkocht aan de bewoners van de [adres] , dat aan de andere kant van de strook ligt. De koopprijs was € 1.200,00. De strook is door de gemeente aan hen op 4 juli 2024 geleverd, waarna zij de strook bij hun tuin hebben betrokken. 4 Het ge Uit het enkele feit dat de strook later – ergens na 2002 – pas een kadastraal nummer heeft gekregen, volgt niet dat [eiser] altijd eigenaar is geweest. De gemeente heeft dat gemotiveerd betwist door te wijzen op de vele kadastrale splitsingen en de vernummering door de ontwikkelingen in het gebied. De kaarten die [eiser] ter zitting heeft overgelegd, onderbouwen zijn standpunt daarom onvoldoende. De stelling van [eiser] dat het Kadaster ergens na 2002 grond van [eiser] heeft ingetekend en op naam van de gemeente heeft gezet, is niet onderbouwd. Dat [eiser] dit gelet op de oude kadastrale kaarten ‘niet kan uitsluiten’, is onvoldoende. Subsidiaire standpunt: [eiser] is door verjaring eigenaar geworden 5.4. Subsidiair stelt [eiser] dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook. Hij wijst ter onderbouwing van deze stelling op drie feiten/omstandigheden: - In 1962 is in overleg met de gemeente, door de gemeente een hek geplaatst op de zuid-west-zuid zijde van de strook op de grens met het huidige perceel nummer [perceel 3] ( [adres] ). De gemeente heeft dit hek ook altijd als de grens gezien, gelet op bijvoorbeeld de brief van de gemeente van 2 mei 2013 waarin zij schrijft “ Het hekwerk is de omheining van een agrarisch terrein. ” Ook wijst hij op een brief van de gemeente van 19 maart 2010, waarin staat: “ Door het verschil in gebruik van de beide erven is duidelijk waar de erfgrens loopt hetgeen afdoende is. ” De strook was enkel via het perceel van [eiser] met nummer [perceel 1] bereikbaar. [eiser] heeft de strook jarenlang agrarisch bewerkt en daar verschillende gewassen op geteeld. Er werd geploegd tot aan de paal. [eiser] wijst er verder op dat hij zich in zijn brief van 20 mei 2010 op verjaring heeft beroepen. 5.5. Op grond van artikel 3:99 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een bezitter die te goeder trouw tien jaar het onafgebroken bezit van een onroerende zaak heeft, eigenaar van die onroerende zaak (verkrijgende verjaring). Uit artikel 3:105 lid 1 BW in samenhang met artikel 3:306 BW volgt dat een bezitter, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw, na 20 jaar het eigendom verkrijgt (bevrijdende verjaring). Voor verjaringen die zijn aangevangen onder het oude recht (vóór 1 januari 1992) geldt daarnaast dat de bevrijdende verjaring en de termijn van 20 jaar pas vanaf 1 januari 1993 kan zijn voltooid. 5.6. Voor zowel de bevrijdende als voor de verkrijgende verjaring is bezit van – in dit geval – de strook nodig. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen, is bepalend of hij zich de feitelijke macht over dat goed heeft verschaft (artikel 3:113 lid 1 BW). Voor inbezitneming van een goed dat in het bezit van een ander is, geldt dat enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend zijn (artikel 3:113 lid 2 BW). Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, beoordeeld naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Voor inbezitneming van ‘publieke grond’ geldt geen afzonderlijke maatstaf. Wel brengt de rol van de verkeersopvatting brengt dat daarbij de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. 5.7. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] ook onvoldoende heeft gesteld dat hij bezitter is (geweest) van de strook. Het enkele feit dat er een hek stond en dat de strook alleen via het perceel van [eiser] kon worden bereikt, is in dit geval onvoldoende. Het plaatsen van het hek kan niet worden gezien als een bezitsdaad van [eiser] , omdat niet [eiser] , maar de gemeente het hek heeft geplaatst. Het hek is bovendien in overleg geplaatst. De gemeente hoefde gelet hierop niet te begrijpen dat [eiser] na de plaatsing van het hek zou pretenderen bezitter te w