Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-08
ECLI:NL:RBZWB:2026:4360
ECLI:NL:RBZWB:2026:4360 text/xml public 2026-06-02T09:00:40 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-08 BRE 25/4739 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4360 text/html public 2026-05-29T15:34:26 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4360 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-04-2026 / BRE 25/4739 Deze uitspraak gaat over eisers verzoek om inzage in politiegegevens op grond van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg). De aanvraag is gedeeltelijk afgewezen, met toepassing van artikel 4:6 Awb en 27 Wpg. Eiser is het niet eens met hetgeen is afgewezen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4739 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij), en de korpschef van politie, de korpschef (gemachtigde: mr. B.J.M. Pennings en [persoon] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over eisers verzoek om inzage in politiegegevens op grond van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg). De aanvraag is gedeeltelijk toegewezen. Eiser is het niet eens met hetgeen is afgewezen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de korpschef. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de korpschef juist is. Voor zover het verzoek is afgewezen, is dit terecht geweest. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 2 juni 2025 een aanvraag ingediend om inzage in politiegegevens. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 heeft de korpschef de aanvraag gedeeltelijk toegewezen. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De korpschef heeft stukken onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft op 29 oktober 2025 met toepassing van artikel 8:29 van de Awb beslist dat beperkte kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank vervolgens toestemming gegeven om deze stukken bij de beoordeling te betrekken. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens verweerder mr. B.J.M. Pennings en [persoon] (coördinator Juridische Zaken) als gemachtigden. De gemachtigde van eiser is zonder kennisgeving niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Feiten en omstandigheden 3. Eiser heeft op 2 juni 2025 op grond van artikel 25 van de Wpg een verzoek gedaan tot inzage in politiegegevens van de acht jaar voorafgaand aan zijn aanvraag. Dit verzoek is op 25 augustus 2025 gedeeltelijk toegewezen. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de periode van 2017 tot en met 26 maart 2024, is deze afgewezen. Eiser heeft namelijk eerder een aanvraag ingediend tot inzage, waardoor over deze periode al inzage is verleend bij besluit van 4 juli 2024. De fysieke inzage heeft vervolgens op 30 juli 2024 plaatsgevonden. De korpschef stelt zich daarom op het standpunt dat ten aanzien van deze periode sprake is van een herhaalde aanvraag. 3.1. Over de periode van 27 maart 2024 tot en met 2 juni 2025 is de inzage gedeeltelijk toegewezen. Eiser heeft bij het besluit een overzicht ontvangen waarop een tweetal documenten vermeld staat (een proces-verbaal bevindingen uit 2025 en een mutatierapport uit 2024, met in beide gevallen een korte weergave van de strekking van de MMA-meldingen ). Verdere inzage is geweigerd op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d van de Wpg. Eiser stelt zich op het standpunt dat de openbaargemaakte informatie onvoldoende is. Aan de hand van de informati Door hem valt niet te toetsen of hij niet meer inzage had kunnen krijgen. Gegevens die betrekking hebben op derden hadden geanonimiseerd kunnen worden, zodat eiser meer inzage had kunnen krijgen. Het belang van eiser heeft hierbij onvoldoende gewicht gekregen. 5.4. De rechtbank heeft de door de korpschef aan de rechtbank onder artikel 8:29 van de Awb verstrekte stukken doorgenomen en een vergelijking gemaakt tussen die stukken en de informatie die daarover met eiser is gedeeld in de vorm van de bijlage bij het besluit. Desgevraagd heeft de korpschef ter zitting uitleg geboden over de informatie uit de meldingen die niet met eiser is gedeeld. De rechtbank komt tot het volgende oordeel. 5.5. Een deel van de gegevens in de betreffende documenten zijn persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg die uitsluitend derden betreffen. Daarom kunnen deze gegevens niet worden aangemerkt als eiser betreffende persoonsgegevens als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wpg. Dat betekent dat deze gegevens niet onder het bereik van artikel 25, eerste lid, vallen en dat de korpschef daarom niet met toepassing van dat artikellid (de gemachtigde van) eiser hiervan kennis kon laten nemen. 5.6. Voor zover passages uit de betreffende documenten wel betrekking hebben op eiser, heeft de korpschef verdere inzage dan de weergegeven strekking van de MMA-meldingen naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd met een beroep op de weigeringsgrond van artikel 27 aanhef en onder d van de Wpg. Uit de tekst c.q. context van de meldingen zou afgeleid kunnen worden door wie de meldingen zijn gedaan, zodat de korpschef heeft mogen volstaan met een samengevatte weergave van de strekking van de meldingen. Het belang van eiser om volledige inzage in de meldingen te krijgen weegt niet op tegen het belang van bescherming van rechten en vrijheden van derden. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat zijn belangen onvoldoende gewicht hebben gekregen. 5.7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit waarin eiser gedeeltelijk toestemming heeft gekregen tot inzage in politiegegevens, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 20 mei 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Algemene wet Bestuursrecht Artikel 4:6 Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Wet Politiegegevens Artikel 1 (definitie) In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. politiegegeven: elk persoonsgegeven dat wordt verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Politiewet 2012, met uitzondering van: - de uitvoering van wettelijke voorschriften anders dan de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften; - de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i,