Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-14
ECLI:NL:RBZWB:2026:4116
ECLI:NL:RBZWB:2026:4116 text/xml public 2026-06-04T09:18:37 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-14 C/02/441429 / FA RK 25-5595 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4116 text/html public 2026-06-04T09:18:18 2026-06-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4116 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-04-2026 / C/02/441429 / FA RK 25-5595 beeïndiging gezag ouders na jarenlange OTS en UHP, ouders hebben in augustus 2024 contact met kinderen verbroken beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/441429 / FA RK 25-5595 datum uitspraak: 14 april 2026 beschikking van de meervoudige kamer over de beëindiging van het gezag in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, over de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] (Suriname), hierna te noemen: [minderjarige 1] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats 2] (België), hierna te noemen: [minderjarige 2] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Als belanghebbenden in onderhavige zaak worden aangemerkt: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend, de heer en mevrouw [pleegouders van minderjarige 1] , hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 1] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, de heer en mevrouw [pleegouders van minderjarige 2] , hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 2] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Als informant is in de procedure betrokken: STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen: de GI. [Pleegzorg] , Pleegzorgwerkers mevrouw [pleegzorgwerker 1] en mevrouw [pleegzorgwerker 2] . 1 Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het op 30 oktober 2025 ontvangen verzoek van de Raad met bijlagen; - de e-mail van de vader van 25 maart 2026. 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 26 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen een vertegenwoordigster namens de Raad, de pleegouders van [minderjarige 1] , de pleegouders van [minderjarige 2] , een vertegenwoordiger namens de GI, mevrouw [pleegzorgwerker 1] en mevrouw [pleegzorgwerker 2] . 1.3. Aan mevrouw [naam] (van [Pleegzorg] ) is bijzondere toestemming verleend om bij de zitting aanwezig te zijn. 1.4. Alhoewel correct opgeroepen zijn de vader (met bericht van afwezigheid) en de moeder niet verschenen. 1.5. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening over de verzoeken kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft een brief gestuurd. De brief van [minderjarige 2] die zij volgens de pleegouders heeft gestuurd, heeft de rechtbank niet ontvangen, de pleegmoeder van [minderjarige 2] heeft samengevat wat er in de brief stond. 2 De feiten 2.1 De moeder en de vader zijn op [datum] 2016 te Suriname met elkaar gehuwd. Voorafgaand en gedurende dit huwelijk zijn (onder meer) de navolgende, thans nog minderjarige, kinderen zijn geboren: - [minderjarige 1] geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] (Suriname); - [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats 2] (België). 2.2. De vader heeft [minderjarige 1] erkend en de moeder en de vader zijn beiden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.3 Bij beschikking van 14 juni 2018 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 14 juni 2018 en tot 14 juni 2019. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 14 juni 2026. 2.4. Bij beschikking van 14 juni 2018 is eveneens een machtiging tot uith 4 De beoordeling Wettelijk kader 4.1 Op grond van artikel 1:266, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien: een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt. 4.2. Blijkens de jurisprudentie van het Europese Hof voor Rechten van de Mens (hierna EHRM) op basis van artikel 8 EVRM is de maatstaf voor een gezagsbeëindiging een andere dan die van de wetgever in artikel 1:266 BW. Bij artikel 1:266 BW is blijkens de memorie van toelichting ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Voorts vereist artikel 8 van het EVRM niet alleen dat de maatregel bij de wet is voorzien en dus niet willekeurig wordt genomen, maar ook dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. (aldus de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 32 015, nr. 3, blz. 34). 4.3. Daar waar onze wetgever ervan uitgaat dat het gezag reeds beëindigd kan worden als de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verzorging en opvoeding van het kind op zich te nemen, is het EHRM van oordeel dat slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag op het moment dat gebleken is dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind (EHRM 6 oktober 2015 N.P./Moldavië, 58455/13, rechtsoverweging 65 en 66). In latere jurisprudentie van het EHRM (waaronder EHRM 30 november 2017, Strand Lobben/Noorwegen nr. 37283/13) wordt deze lijn bevestigd. De inhoudelijke beoordeling 4.4. De rechtbank heeft met drie rechters naar de zaak gekeken en deze hebben samen de beslissing genomen, omdat het in deze zaak om een beslissing gaat die grote gevolgen kan hebben voor het gezag van de moeder en de vader. 4.5. De rechtbank zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toewijzen. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot die beslissing is gekomen. 4.6. Niet is gebleken dat de ouders hun gezag over de minderjarigen misbruiken. Wel is de rechtbank van oordeel dat de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de ouders niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn. Ook is voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM stelt aan een gezagsbeëindiging. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van de minderjarigen namelijk geschaad als de ouders hun gezag behouden. De rechtbank neemt daarbij het volgende in overweging. 4.7. Er is sinds augustus 2024 geen contact meer tussen de ouders en de minderjarigen. Dit is een bewuste keuze van de ouders geweest. Voorafgaande aan deze keuze van de ouders heeft er een eerdere procedure om het gezag van de ouders te beëindigen gelopen. Deze procedure is geëindigd door de intrekking van het eerdere verzoek van de Raad, omdat er op het moment van intrekking sprake was van positieve ontwikkelingen. De ouders hadden het contact met de kinderen toen weer opgepakt en de hoop van de Raad was dat dit structureel en duurzaam zou zijn. Helaas hebben de