Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-22
ECLI:NL:RBZWB:2026:4041
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 11974845 / CV EXPL 25-3810 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van STICHTING BEWARING RCP DUTCH RESIDENTIAL XVI , te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI, gemachtigde: [gemachtigde] , tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats] , 2. [gedaagde 2] , te [plaats] , gedaagde partijen, hierna afzonderlijk te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gezamenlijk in mannelijk enkelvoud te noemen [gedaagden] , procederend in persoon. De zaak in het kort Deze zaak gaat in de kern over de ontbinding van de tussen Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI en [gedaagde 1] gesloten huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde vanwege verschillende tekortkomingen. De (eerdere) tekortkomingen rechtvaardigen in dit geval de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. [gedaagden] verzet zich in zoverre ook niet tegen de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord;- de akte van Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI;- de antwoordakte van [gedaagden] 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI verhuurt met ingang van 14 juli 2023 aan [gedaagde 1] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt laatstelijk € 1.292,46 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. 2.2. Op de huurovereenkomst zijn Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing verklaard. 2.3. [gedaagde 2] is de echtgenote van [gedaagde 1] . Zij is daarmee wettelijk medehuurder. 2.4. [gedaagden] heeft op 10 november 2025 een bedrag van € 12.631,85 aan Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI voldaan. 3 Het geschil 3.1. Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde met nevenvorderingen. 3.2. Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagden] is in zijn verplichtingen als (mede)huurder tekortgeschoten, door niet te voldoen aan de in artikel 12.5 van de huurovereenkomst genoemde gemeentelijke registratie en een huurachterstand van € 10.137,24 te laten ontstaan. Deze tekortkomingen rechtvaardigen volgens Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. 3.3. [gedaagden] heeft in zijn verweer de gevorderde huurachterstand erkend en gesteld dat er inmiddels een bedrag van € 12.631,85 aan achterstallige huur en bijkomende kosten aan Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI is voldaan. [gedaagden] verzet zich niet tegen de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. 3.4. Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI heeft bij antwoordakte haar vordering verminderd met het hiervoor genoemde bedrag van € 12.631,85. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Ambtshalve toetsing van de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden 4.1. Gelet op de hoogte van de huur bij aanvang van de huurovereenkomst is sprake van geliberaliseerde huur. In de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. 4.2. Omdat het hier gaat om een professionele verhuurder en een consument-huurder, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument (in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn)). Dit kan immers gevolgen hebben voor (de hoogte van) de vordering. Artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding dat onredelijk bezwa De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagden] wordt veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen. Huurachterstand en gebruiksvergoeding 4.12. Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI heeft daarnaast betaling van een huurachterstand gevorderd. [gedaagden] heeft erkend dat er een huurachterstand is die tot en met 31 oktober 2025 berekend is op een bedrag van € 10.137,24. 4.13. [gedaagden] zijn te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand van € 10.137,24 worden toegewezen, als nader in het dictum bepaald. 4.14. Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI wil ook dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 1.292,46, te rekenen vanaf de maand november 2025 tot het moment dat [gedaagden] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagden] nog in het gehuurde verblijft, althans hier gebruik van maakt of laat maken. Deze vordering zal worden toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten 4.15. Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI heeft aan [gedaagden] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag van € 910,67 aan buitengerechtelijke incassokosten komt ook overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. Proceskosten 4.16. [gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,43 - griffierecht € 543,00 - salaris gemachtigde € 648,00 (1,5 punten × € 432,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.481,43 Betaling na dagvaarding 4.17. [gedaagden] heeft volgens hem op 7 november 2025 een betaling verricht van € 12.631,85. Volgens Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI heeft zij deze betaling pas op 10 november 2025 ontvangen, zodat hier vanuit wordt gegaan. [gedaagden] heeft in zijn verweer toegelicht dat de betaling ziet op de gevorderde huurachterstand en bijkomende kosten. Nu een specificatie van deze betaling ontbreekt zal de kantonrechter de betaling op grond van artikel 6:44 lid 1 BW in mindering laten strekken op de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 910,67, de vervallen rente tot 31 oktober 2025 (€ 145,05) en de huurachterstand van € 10.137,24, zijnde een totaalbedrag van € 11.192,96. Het resterende gedeelte van € 1.438,89 (€ 12.631,85 minus € 11.192,96) dient op de verschenen rente over de periode van 1 tot 10 november 2025 in mindering te strekken en kan vervolgens worden verrekend met het toe te wijzen bedrag aan proceskosten. Voor zover [gedaagden] na dagvaarding nog meer betalingen heeft verricht dient Stichting Bewaring RCP Dutch Residential XVI hier uiteraard ook rekening mee te houden. Hoofdelijke veroordeling 4.18. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] , 5.2. veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin