Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:4028
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
1,857 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4028 text/xml public 2026-05-18T10:20:18 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-12 26/1876 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4028 text/html public 2026-05-18T10:19:49 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4028 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-05-2026 / 26/1876 handhaving RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1876 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het opleggen van een last onder dwangsom. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.2. Het college heeft met het besluit van 2 oktober 2025 een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 24 februari 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft het college deze last in stand gelaten. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld . Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. In dit geval is de begunstigingstermijn inmiddels verstreken en zijn de maximale dwangsommen verbeurd. Dit is een gevolg van onder andere onduidelijkheid over het indienen van een beroepschrift en de gronden. De voorzieningenrechter kan niet meer voorlopig voorkomen dat dwangsommen verbeuren. Dat maakt dat dit alleen nog een financieel geschil is. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is niet snel sprake van een spoedeisend belang. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Verzoeker is bij brief van 21 april 2026 verzocht om het spoedeisend belang toe te lichten. Verzoeker heeft als reactie daarop alleen gewezen op het feit dat hij tijdig een verzoek heeft ingediend en het griffierecht heeft betaald. Hij geeft aan dat hij niet wil dat zijn recht ontnomen wordt. De voorzieningenrechter ziet daarin geen spoedeisend belang. Verzoeker kan immers alsnog zijn recht halen via de bodemprocedure. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Conclusie en gevolgen 3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 12 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zaaknummer 26/2057.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4028 text/xml public 2026-05-18T10:20:18 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-12 26/1876 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4028 text/html public 2026-05-18T10:19:49 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4028 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-05-2026 / 26/1876 handhaving RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1876 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het opleggen van een last onder dwangsom. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.2. Het college heeft met het besluit van 2 oktober 2025 een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 24 februari 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft het college deze last in stand gelaten. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld . Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. In dit geval is de begunstigingstermijn inmiddels verstreken en zijn de maximale dwangsommen verbeurd. Dit is een gevolg van onder andere onduidelijkheid over het indienen van een beroepschrift en de gronden. De voorzieningenrechter kan niet meer voorlopig voorkomen dat dwangsommen verbeuren. Dat maakt dat dit alleen nog een financieel geschil is. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is niet snel sprake van een spoedeisend belang. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Verzoeker is bij brief van 21 april 2026 verzocht om het spoedeisend belang toe te lichten. Verzoeker heeft als reactie daarop alleen gewezen op het feit dat hij tijdig een verzoek heeft ingediend en het griffierecht heeft betaald. Hij geeft aan dat hij niet wil dat zijn recht ontnomen wordt. De voorzieningenrechter ziet daarin geen spoedeisend belang. Verzoeker kan immers alsnog zijn recht halen via de bodemprocedure. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Conclusie en gevolgen 3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 12 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zaaknummer 26/2057.