Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:4024
Strafrecht; Materieel strafrecht
Raadkamer
4,047 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4024 text/xml public 2026-05-13T13:25:23 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-12 25-032724 Uitspraak Raadkamer NL Breda Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4024 text/html public 2026-05-13T13:23:41 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4024 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-05-2026 / 25-032724 Afwijzing 530 Sv-verzoek. Geen gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen, omdat sprake is van een verboden “no-cure-no-pay”-afspraak, de tussen verzoeker en zijn advocaat gemaakte afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd - en dus niet controleerbaar zijn - en het onduidelijk is gebleven of - en waarom - verzoeker of zijn bewindvoerder bewust heeft afgezien van het aanvragen van gefinancierde rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand af. Geen forfaitaire vergoeding voor het indienen van het verzoekschrift en de behandeling in raadkamer. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda parketnummer: 02-147249-25 rk-nummer: 25-032724 Beslissing op het verzoek ex artikel 530 Sv van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezende op het kantoor van mr. G.J.P.M. Mooren, Postbus 902 te 5000 AX Tilburg. 1 De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: het op 16 december 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 2.725,22, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; de kennisgeving sepot van 18 september 2025; de schriftelijke reactie van de officier van justitie; de overige stukken in het raadkamerdossier. Op 28 april 2026 heeft het onderzoek in raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs en de gemachtigd advocaat van verzoeker, mr. G.J.P.M. Mooren, gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen. Standpunt verzoeker: Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak tegen hem is geseponeerd. Verzoeker heeft kosten voor rechtsbijstand gemaakt in het kader van de strafzaak. Verzocht wordt om hem hiervoor een bedrag van € 2.725,22 toe te kennen, te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift. In raadkamer heeft de advocaat gepersisteerd bij het ingediende verzoekschrift. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft de advocaat verklaard dat hij met verzoeker heeft afgesproken dat hij hem op betalende basis zou bijstaan. De reden daarvoor was dat de advocaat inschatte dat een sepot of vrijspraak zou volgen. Bij een toevoeging is de vergoeding maar beperkt. Ook is afgesproken dat de kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat zouden vallen als verzoeker toch zou worden veroordeeld. Hij heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt van de afspraken en er is geen voorschot in rekening gebracht, omdat de advocaat op basis van vertrouwen werkt. Ook dat valt onder zijn bedrijfsrisico. Desgevraagd heeft de advocaat ontkend dat er is afgesproken dat bij een veroordeling een toevoeging zou worden aangevraagd: deze afspraak is niet toelaatbaar, aldus de advocaat. Standpunt officier van justitie: De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het verzoek kan worden toegewezen. In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij voornoemd standpunt. 2 De beoordeling De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd. Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd. Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen. Verboden “no-cure-no-pay”-afspraak Verzoeker is werkloos, leeft van een bijstandsuitkering en heeft een bewindvoerder. Desondanks is geen toevoeging aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand, maar is afgesproken dat de advocaat verzoeker op betalende basis zou bijstaan, omdat de vergoeding voor de advocaat bij een toevoeging beperkt is. Als de zaak tegen verzoeker niet in een sepot of vrijspraak zou eindigen, zouden de in beginsel voor rekening van verzoeker komende kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat vallen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer desgevraagd bevestigd dat hij verzoeker geen rekening zou hebben gestuurd als de zaak tegen verzoeker niet zou zijn geseponeerd. De rechtbank kan die afspraak niet anders begrijpen dan als een “no-cure-no-pay”-afspraak. Een dergelijke honorariumafspraak is op grond van artikel 7.7 lid 1 sub a van de Verordening op de advocatuur (Voda) niet toegestaan. De in lid 2 van dat artikel genoemde uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor. Geen opdrachtbevestiging Als uitgangspunt geldt dat een advocaat gehouden is een aan hem verleende opdracht en de daarvoor geldende (financiële) voorwaarden schriftelijk aan de cliënt te bevestigen. Zo bepaalt gedragsregel 16 lid 1 van de Gedragsregels advocatuur (hierna ook: de gedragsregels) dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte moet brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Gedragsregel 17 bepaalt onder meer dat een advocaat er zorg voor draagt dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten, en de wijze van declareren. Artikel 7.5 van de Verordening op de advocatuur (Voda) bepaalt dat een advocaat zijn cliënt informeert over de persoon, het samenwerkingsverband of de rechtspersoon met wie de cliënt de overeenkomst van opdracht sluit. In de tuchtrechtspraak wordt het belang van een schriftelijke opdrachtbevestiging keer op keer onderstreept. De advocaat heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen welke afspraken, onder meer over het honorarium, tussen verzoeker en de advocaat zijn gemaakt. Mogelijkheid gefinancierde rechtshulp niet benut Gedragsregel 18 legt op een advocaat de verantwoordelijkheid om - vóór aanvaarding van de opdracht (maar ook tussentijds als daar aanleiding toe bestaat) - te onderzoeken of zijn cliënt in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp. De advocaat heeft de verplichting een cliënt erop te wijzen dat deze mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. Als een cliënt mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp maar daarvan afziet, dient de advocaat dat schriftelijk vast te leggen. De advocaat heeft ter zitting verklaard dat het een bewuste keuze was om verzoeker betalend bij te staan, ondanks dat hij in aanmerking kwam voor een toevoeging. De schriftelijke vastlegging daarvan ontbreekt echter, zodat de rechtbank niet kan vaststellen óf - en waarom - verzoeker bewust heeft afgezien van het aanvragen van een toevoeging. Conclusie Samenvattend is sprake van een verboden “no-cure-no-pay”-afspraak, zijn de tussen verzoeker en zijn advocaat gemaakte afspraken niet schriftelijk vastgelegd - en dus niet controleerbaar - en is het onduidelijk gebleven dat - en waarom - verzoeker of zijn bewindvoerder bewust heeft afgezien van het aanvragen van gefinancierde rechtsbijstand.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4024 text/xml public 2026-05-13T13:25:23 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-12 25-032724 Uitspraak Raadkamer NL Breda Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4024 text/html public 2026-05-13T13:23:41 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4024 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-05-2026 / 25-032724 Afwijzing 530 Sv-verzoek. Geen gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen, omdat sprake is van een verboden “no-cure-no-pay”-afspraak, de tussen verzoeker en zijn advocaat gemaakte afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd - en dus niet controleerbaar zijn - en het onduidelijk is gebleven of - en waarom - verzoeker of zijn bewindvoerder bewust heeft afgezien van het aanvragen van gefinancierde rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand af. Geen forfaitaire vergoeding voor het indienen van het verzoekschrift en de behandeling in raadkamer. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda parketnummer: 02-147249-25 rk-nummer: 25-032724 Beslissing op het verzoek ex artikel 530 Sv van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezende op het kantoor van mr. G.J.P.M. Mooren, Postbus 902 te 5000 AX Tilburg. 1 De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: het op 16 december 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 2.725,22, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; de kennisgeving sepot van 18 september 2025; de schriftelijke reactie van de officier van justitie; de overige stukken in het raadkamerdossier. Op 28 april 2026 heeft het onderzoek in raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs en de gemachtigd advocaat van verzoeker, mr. G.J.P.M. Mooren, gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen. Standpunt verzoeker: Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak tegen hem is geseponeerd. Verzoeker heeft kosten voor rechtsbijstand gemaakt in het kader van de strafzaak. Verzocht wordt om hem hiervoor een bedrag van € 2.725,22 toe te kennen, te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift. In raadkamer heeft de advocaat gepersisteerd bij het ingediende verzoekschrift. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft de advocaat verklaard dat hij met verzoeker heeft afgesproken dat hij hem op betalende basis zou bijstaan. De reden daarvoor was dat de advocaat inschatte dat een sepot of vrijspraak zou volgen. Bij een toevoeging is de vergoeding maar beperkt. Ook is afgesproken dat de kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat zouden vallen als verzoeker toch zou worden veroordeeld. Hij heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt van de afspraken en er is geen voorschot in rekening gebracht, omdat de advocaat op basis van vertrouwen werkt. Ook dat valt onder zijn bedrijfsrisico. Desgevraagd heeft de advocaat ontkend dat er is afgesproken dat bij een veroordeling een toevoeging zou worden aangevraagd: deze afspraak is niet toelaatbaar, aldus de advocaat. Standpunt officier van justitie: De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het verzoek kan worden toegewezen. In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij voornoemd standpunt. 2 De beoordeling De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd. Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd. Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen. Verboden “no-cure-no-pay”-afspraak Verzoeker is werkloos, leeft van een bijstandsuitkering en heeft een bewindvoerder. Desondanks is geen toevoeging aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand, maar is afgesproken dat de advocaat verzoeker op betalende basis zou bijstaan, omdat de vergoeding voor de advocaat bij een toevoeging beperkt is. Als de zaak tegen verzoeker niet in een sepot of vrijspraak zou eindigen, zouden de in beginsel voor rekening van verzoeker komende kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat vallen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer desgevraagd bevestigd dat hij verzoeker geen rekening zou hebben gestuurd als de zaak tegen verzoeker niet zou zijn geseponeerd. De rechtbank kan die afspraak niet anders begrijpen dan als een “no-cure-no-pay”-afspraak. Een dergelijke honorariumafspraak is op grond van artikel 7.7 lid 1 sub a van de Verordening op de advocatuur (Voda) niet toegestaan. De in lid 2 van dat artikel genoemde uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor. Geen opdrachtbevestiging Als uitgangspunt geldt dat een advocaat gehouden is een aan hem verleende opdracht en de daarvoor geldende (financiële) voorwaarden schriftelijk aan de cliënt te bevestigen. Zo bepaalt gedragsregel 16 lid 1 van de Gedragsregels advocatuur (hierna ook: de gedragsregels) dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte moet brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Gedragsregel 17 bepaalt onder meer dat een advocaat er zorg voor draagt dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten, en de wijze van declareren. Artikel 7.5 van de Verordening op de advocatuur (Voda) bepaalt dat een advocaat zijn cliënt informeert over de persoon, het samenwerkingsverband of de rechtspersoon met wie de cliënt de overeenkomst van opdracht sluit. In de tuchtrechtspraak wordt het belang van een schriftelijke opdrachtbevestiging keer op keer onderstreept. De advocaat heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen welke afspraken, onder meer over het honorarium, tussen verzoeker en de advocaat zijn gemaakt. Mogelijkheid gefinancierde rechtshulp niet benut Gedragsregel 18 legt op een advocaat de verantwoordelijkheid om - vóór aanvaarding van de opdracht (maar ook tussentijds als daar aanleiding toe bestaat) - te onderzoeken of zijn cliënt in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp. De advocaat heeft de verplichting een cliënt erop te wijzen dat deze mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. Als een cliënt mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp maar daarvan afziet, dient de advocaat dat schriftelijk vast te leggen. De advocaat heeft ter zitting verklaard dat het een bewuste keuze was om verzoeker betalend bij te staan, ondanks dat hij in aanmerking kwam voor een toevoeging. De schriftelijke vastlegging daarvan ontbreekt echter, zodat de rechtbank niet kan vaststellen óf - en waarom - verzoeker bewust heeft afgezien van het aanvragen van een toevoeging. Conclusie Samenvattend is sprake van een verboden “no-cure-no-pay”-afspraak, zijn de tussen verzoeker en zijn advocaat gemaakte afspraken niet schriftelijk vastgelegd - en dus niet controleerbaar - en is het onduidelijk gebleven dat - en waarom - verzoeker of zijn bewindvoerder bewust heeft afgezien van het aanvragen van gefinancierde rechtsbijstand.