Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:4022
Strafrecht; Materieel strafrecht
Raadkamer
4,079 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4022 text/xml public 2026-05-13T13:18:53 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-12 26-004330 Uitspraak Raadkamer NL Breda Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4022 text/html public 2026-05-13T13:09:56 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4022 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-05-2026 / 26-004330 Afwijzing 530 Sv-verzoek. Geen gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen, omdat sprake is van een verboden “no-cure-no-pay”-afspraak, de tussen verzoeker en zijn advocaat gemaakte afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd - en dus niet controleerbaar zijn - en het onduidelijk is gebleven of - en waarom - verzoeker bewust heeft afgezien van het aanvragen van gefinancierde rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand af. Geen forfaitaire vergoeding voor het indienen van het verzoekschrift en de behandeling in raadkamer. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda parketnummer: 02-184198-25 rk-nummer: 26-004330 Beslissing op het verzoek ex artikel 530 Sv van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezende op het kantoor van mr. G.J.P.M. Mooren, Postbus 902 te 5000 AX Tilburg. 1 De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: het op 10 februari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 2.586,11, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; € 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; het vonnis van de meervoudige strafkamer van 12 november 2025 waarbij verzoeker is vrijgesproken; de schriftelijke reactie van de officier van justitie; de overige stukken in het raadkamerdossier. Op 28 april 2026 heeft het onderzoek in raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs en de gemachtigd advocaat van verzoeker, mr. G.J.P.M. Mooren, gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen. Standpunt verzoeker: Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak tegen hem is geëindigd met een vrijspraak. Verzoeker heeft kosten voor rechtsbijstand gemaakt in het kader van de strafzaak. Verzocht wordt om hem hiervoor een bedrag ter hoogte van € 2.586,11 toe te kennen, te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift. Ook is afgesproken dat de kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat zouden vallen als verzoeker toch zou worden veroordeeld. Hij heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt van de afspraken en er is geen voorschot in rekening gebracht, omdat de advocaat op basis van vertrouwen werkt. Ook dat valt onder zijn bedrijfsrisico. Desgevraagd heeft de advocaat ontkend dat er is afgesproken dat bij een veroordeling een toevoeging zou worden aangevraagd: deze afspraak is niet toelaatbaar, aldus de advocaat. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft de advocaat verklaard dat verzoeker in drie zaken met drie verschillende parketnummers werd vervolgd. Hij heeft met verzoeker afgesproken dat hij hem in onderhavige zaak op betalende basis zou bijstaan en in de twee gelijktijdig behandelde zaken op toevoegingsbasis. De reden daarvoor was dat de advocaat inschatte dat in onderhavige zaak een vrijspraak zou volgen. Bij een toevoeging is de vergoeding maar beperkt. De verdediging heeft op de inhoudelijke zitting de rechtbank verzocht onderhavige zaak niet te voegen (of af te splitsen) indien verdachte in die zaak zou worden vrijgesproken. De reden daarvoor was dat dan een verzoek ex artikel 530 Sv kon worden gedaan. De rechtbank heeft dat verzoek gehonoreerd: de rechtbank heeft onderhavige zaak afgesplitst en verdachte daarin vrijgesproken. In de twee andere, gelijktijdig behandelde zaken is verdachte veroordeeld. De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat er relatief weinig uren zijn besteed aan onderhavige zaak die op een zitting van de meervoudige kamer stond gepland. De zaak is gelijktijdig met de twee andere zaken behandeld, maar de uren zijn per zaak en naar verhouding opgesplitst. Dit geldt ook voor de reistijd, de zitting en de bespreking met verzoeker. Er heeft ook nog jurisprudentieonderzoek plaatsgevonden. De advocaat kan momenteel niet achterhalen hoeveel uur hij in totaal aan de drie zaken heeft besteed. De uren in onderhavige zaak zijn redelijk. De werkzaamheden na de vrijspraak zien op het vonnis. De advocaat heeft geen opdrachtbevestiging van de afspraak. Er heeft ook geen aanbetaling plaatsgevonden. Als verzoeker in onderhavige zaak wel zou worden veroordeeld, zouden de kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat vallen. Standpunt officier van justitie: De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat de in rekening gebrachte uren bovenmatig zijn, nu de zaak gelijktijdig is behandeld met zaken waarvoor verdachte wel is veroordeeld. Het gaat daarbij om de zaken met parketnummers 02-131066-25 en 02-239444-25. In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij voornoemd standpunt. 2 De beoordeling De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd. Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd. Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen. Verboden “no-cure-no-pay”-afspraak Verzoeker had recht op gefinancierde rechtsbijstand. Desondanks is in onderhavige zaak geen toevoeging aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand, maar is afgesproken dat de advocaat verzoeker op betalende basis zou bijstaan, omdat - zo begrijpt de rechtbank - de vergoeding voor de advocaat bij een toevoeging beperkt is. Als de zaak tegen verzoeker niet in een sepot of vrijspraak zou eindigen, zouden de in beginsel voor rekening van verzoeker komende kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat vallen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer desgevraagd bevestigd dat hij verzoeker geen rekening zou hebben gestuurd als verzoeker niet zou zijn vrijgesproken. De rechtbank kan die afspraak niet anders begrijpen dan als een “no-cure-no-pay”-afspraak. Een dergelijke honorariumafspraak is op grond van artikel 7.7 lid 1 sub a van de Verordening op de advocatuur (Voda) niet toegestaan. De in lid 2 van dat artikel genoemde uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor. Geen opdrachtbevestiging Als uitgangspunt geldt dat een advocaat gehouden is een aan hem verleende opdracht en de daarvoor geldende (financiële) voorwaarden schriftelijk aan de cliënt te bevestigen. Zo bepaalt gedragsregel 16 lid 1 van de Gedragsregels advocatuur (hierna ook: de gedragsregels) dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte moet brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Gedragsregel 17 bepaalt onder meer dat een advocaat er zorg voor draagt dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten, en de wijze van declareren. Artikel 7.5 van de Verordening op de advocatuur (Voda) bepaalt dat een advocaat zijn cliënt informeert over de persoon, het samenwerkingsverband of de rechtspersoon met wie de cliënt de overeenkomst van opdracht sluit.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4022 text/xml public 2026-05-13T13:18:53 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-12 26-004330 Uitspraak Raadkamer NL Breda Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4022 text/html public 2026-05-13T13:09:56 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4022 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-05-2026 / 26-004330 Afwijzing 530 Sv-verzoek. Geen gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen, omdat sprake is van een verboden “no-cure-no-pay”-afspraak, de tussen verzoeker en zijn advocaat gemaakte afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd - en dus niet controleerbaar zijn - en het onduidelijk is gebleven of - en waarom - verzoeker bewust heeft afgezien van het aanvragen van gefinancierde rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand af. Geen forfaitaire vergoeding voor het indienen van het verzoekschrift en de behandeling in raadkamer. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Breda parketnummer: 02-184198-25 rk-nummer: 26-004330 Beslissing op het verzoek ex artikel 530 Sv van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezende op het kantoor van mr. G.J.P.M. Mooren, Postbus 902 te 5000 AX Tilburg. 1 De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: het op 10 februari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 2.586,11, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; € 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; het vonnis van de meervoudige strafkamer van 12 november 2025 waarbij verzoeker is vrijgesproken; de schriftelijke reactie van de officier van justitie; de overige stukken in het raadkamerdossier. Op 28 april 2026 heeft het onderzoek in raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs en de gemachtigd advocaat van verzoeker, mr. G.J.P.M. Mooren, gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen. Standpunt verzoeker: Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak tegen hem is geëindigd met een vrijspraak. Verzoeker heeft kosten voor rechtsbijstand gemaakt in het kader van de strafzaak. Verzocht wordt om hem hiervoor een bedrag ter hoogte van € 2.586,11 toe te kennen, te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift. Ook is afgesproken dat de kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat zouden vallen als verzoeker toch zou worden veroordeeld. Hij heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt van de afspraken en er is geen voorschot in rekening gebracht, omdat de advocaat op basis van vertrouwen werkt. Ook dat valt onder zijn bedrijfsrisico. Desgevraagd heeft de advocaat ontkend dat er is afgesproken dat bij een veroordeling een toevoeging zou worden aangevraagd: deze afspraak is niet toelaatbaar, aldus de advocaat. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft de advocaat verklaard dat verzoeker in drie zaken met drie verschillende parketnummers werd vervolgd. Hij heeft met verzoeker afgesproken dat hij hem in onderhavige zaak op betalende basis zou bijstaan en in de twee gelijktijdig behandelde zaken op toevoegingsbasis. De reden daarvoor was dat de advocaat inschatte dat in onderhavige zaak een vrijspraak zou volgen. Bij een toevoeging is de vergoeding maar beperkt. De verdediging heeft op de inhoudelijke zitting de rechtbank verzocht onderhavige zaak niet te voegen (of af te splitsen) indien verdachte in die zaak zou worden vrijgesproken. De reden daarvoor was dat dan een verzoek ex artikel 530 Sv kon worden gedaan. De rechtbank heeft dat verzoek gehonoreerd: de rechtbank heeft onderhavige zaak afgesplitst en verdachte daarin vrijgesproken. In de twee andere, gelijktijdig behandelde zaken is verdachte veroordeeld. De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat er relatief weinig uren zijn besteed aan onderhavige zaak die op een zitting van de meervoudige kamer stond gepland. De zaak is gelijktijdig met de twee andere zaken behandeld, maar de uren zijn per zaak en naar verhouding opgesplitst. Dit geldt ook voor de reistijd, de zitting en de bespreking met verzoeker. Er heeft ook nog jurisprudentieonderzoek plaatsgevonden. De advocaat kan momenteel niet achterhalen hoeveel uur hij in totaal aan de drie zaken heeft besteed. De uren in onderhavige zaak zijn redelijk. De werkzaamheden na de vrijspraak zien op het vonnis. De advocaat heeft geen opdrachtbevestiging van de afspraak. Er heeft ook geen aanbetaling plaatsgevonden. Als verzoeker in onderhavige zaak wel zou worden veroordeeld, zouden de kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat vallen. Standpunt officier van justitie: De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat de in rekening gebrachte uren bovenmatig zijn, nu de zaak gelijktijdig is behandeld met zaken waarvoor verdachte wel is veroordeeld. Het gaat daarbij om de zaken met parketnummers 02-131066-25 en 02-239444-25. In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij voornoemd standpunt. 2 De beoordeling De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd. Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd. Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen. Verboden “no-cure-no-pay”-afspraak Verzoeker had recht op gefinancierde rechtsbijstand. Desondanks is in onderhavige zaak geen toevoeging aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand, maar is afgesproken dat de advocaat verzoeker op betalende basis zou bijstaan, omdat - zo begrijpt de rechtbank - de vergoeding voor de advocaat bij een toevoeging beperkt is. Als de zaak tegen verzoeker niet in een sepot of vrijspraak zou eindigen, zouden de in beginsel voor rekening van verzoeker komende kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat vallen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer desgevraagd bevestigd dat hij verzoeker geen rekening zou hebben gestuurd als verzoeker niet zou zijn vrijgesproken. De rechtbank kan die afspraak niet anders begrijpen dan als een “no-cure-no-pay”-afspraak. Een dergelijke honorariumafspraak is op grond van artikel 7.7 lid 1 sub a van de Verordening op de advocatuur (Voda) niet toegestaan. De in lid 2 van dat artikel genoemde uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor. Geen opdrachtbevestiging Als uitgangspunt geldt dat een advocaat gehouden is een aan hem verleende opdracht en de daarvoor geldende (financiële) voorwaarden schriftelijk aan de cliënt te bevestigen. Zo bepaalt gedragsregel 16 lid 1 van de Gedragsregels advocatuur (hierna ook: de gedragsregels) dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte moet brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Gedragsregel 17 bepaalt onder meer dat een advocaat er zorg voor draagt dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten, en de wijze van declareren. Artikel 7.5 van de Verordening op de advocatuur (Voda) bepaalt dat een advocaat zijn cliënt informeert over de persoon, het samenwerkingsverband of de rechtspersoon met wie de cliënt de overeenkomst van opdracht sluit.