Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:3991
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,718 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3991 text/xml public 2026-05-20T11:09:00 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-11 BRE 26/2078 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3991 text/html public 2026-05-20T11:08:28 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3991 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-05-2026 / BRE 26/2078 Herzieningsuitspraak. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 26/2078 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank op het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de uitspraak van de rechtbank van 23 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2033, te herzien. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank Het verzoek 2. De uitspraak van de rechtbank van 23 maart 2026 heeft betrekking op de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2021. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft wel een vergoeding van immateriële schade toegekend. De rechtbank heeft overwogen dat belanghebbende in aanmerking komt voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek in het beroepschrift. De rechtbank heeft echter geen proceskostenvergoeding toegekend, omdat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of overige proceskosten. 2.1. In een brief van 23 maart 2026 heeft belanghebbende verzocht om herziening van de uitspraak van 23 maart 2026 voor wat betreft de beslissing over de vergoeding van proceskosten. Belanghebbende geeft aan dat zij wel proceskosten heeft maakt. Er is een factuur aan haar uitgereikt en deze is ook voldaan. Belanghebbende voert aan dat dit is gemeld op de zitting en dat toen door de rechter niet is aangegeven dat zij de desbetreffende stukken alsnog wenste in te zien. Belanghebbende heeft een factuur van 10 maart 2023 en betalingsbewijzen van de factuur bijgevoegd en heeft verzocht om herziening van de uitspraak op grond daarvan. Beoordeling van het verzoek 3. Op verzoek van een partij kan een onherroepelijk geworden uitspraak worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die: hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, die bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en waren zij bij de rechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.1. Op belanghebbende rust de last om dergelijke feiten of omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken. De mogelijkheid van herziening is uitdrukkelijk niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. 3.2. De rechtbank stelt allereerst vast dat ten tijde van het indienen van het verzoek de uitspraak nog niet onherroepelijk vaststond. Dit is wel vereist. Het verzoek is daarom prematuur. De rechtbank heeft het verzoek niet als hoger beroepschrift doorgezonden aan het gerechtshof, omdat uit het herzieningsverzoek volgt dat belanghebbende zich bewust is van de mogelijkheid van hoger beroep en ervoor heeft gekozen een verzoek om herziening in te dienen. De rechtbank stelt vast dat de hoger beroepstermijn inmiddels ongebruikt is verstreken en de uitspraak nu dus wel onherroepelijk vaststaat. Deze voorwaarde is daarmee inmiddels vervuld en is geen reden voor de rechtbank om het verzoek af te wijzen. 3.3. Ten tweede geldt dat de door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden reeds voor de uitspraak bij haar bekend waren. Er is daarom niet voldaan aan de onder 3, letter b, genoemde voorwaarde voor herziening. Het verzoek om herziening wordt daarom afgewezen. 3.4. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Artikel 8:119 van de Awb. Centrale Raad van Beroep 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516. Met toepassing van artikel 6:10, tweede lid van de Awb en artikel 8:119, tweede lid, van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3991 text/xml public 2026-05-20T11:09:00 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-11 BRE 26/2078 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3991 text/html public 2026-05-20T11:08:28 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3991 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-05-2026 / BRE 26/2078 Herzieningsuitspraak. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 26/2078 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank op het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om de uitspraak van de rechtbank van 23 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2033, te herzien. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank Het verzoek 2. De uitspraak van de rechtbank van 23 maart 2026 heeft betrekking op de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2021. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft wel een vergoeding van immateriële schade toegekend. De rechtbank heeft overwogen dat belanghebbende in aanmerking komt voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek in het beroepschrift. De rechtbank heeft echter geen proceskostenvergoeding toegekend, omdat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of overige proceskosten. 2.1. In een brief van 23 maart 2026 heeft belanghebbende verzocht om herziening van de uitspraak van 23 maart 2026 voor wat betreft de beslissing over de vergoeding van proceskosten. Belanghebbende geeft aan dat zij wel proceskosten heeft maakt. Er is een factuur aan haar uitgereikt en deze is ook voldaan. Belanghebbende voert aan dat dit is gemeld op de zitting en dat toen door de rechter niet is aangegeven dat zij de desbetreffende stukken alsnog wenste in te zien. Belanghebbende heeft een factuur van 10 maart 2023 en betalingsbewijzen van de factuur bijgevoegd en heeft verzocht om herziening van de uitspraak op grond daarvan. Beoordeling van het verzoek 3. Op verzoek van een partij kan een onherroepelijk geworden uitspraak worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die: hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, die bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en waren zij bij de rechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 3.1. Op belanghebbende rust de last om dergelijke feiten of omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken. De mogelijkheid van herziening is uitdrukkelijk niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. 3.2. De rechtbank stelt allereerst vast dat ten tijde van het indienen van het verzoek de uitspraak nog niet onherroepelijk vaststond. Dit is wel vereist. Het verzoek is daarom prematuur. De rechtbank heeft het verzoek niet als hoger beroepschrift doorgezonden aan het gerechtshof, omdat uit het herzieningsverzoek volgt dat belanghebbende zich bewust is van de mogelijkheid van hoger beroep en ervoor heeft gekozen een verzoek om herziening in te dienen. De rechtbank stelt vast dat de hoger beroepstermijn inmiddels ongebruikt is verstreken en de uitspraak nu dus wel onherroepelijk vaststaat. Deze voorwaarde is daarmee inmiddels vervuld en is geen reden voor de rechtbank om het verzoek af te wijzen. 3.3. Ten tweede geldt dat de door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden reeds voor de uitspraak bij haar bekend waren. Er is daarom niet voldaan aan de onder 3, letter b, genoemde voorwaarde voor herziening. Het verzoek om herziening wordt daarom afgewezen. 3.4. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Artikel 8:119 van de Awb. Centrale Raad van Beroep 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516. Met toepassing van artikel 6:10, tweede lid van de Awb en artikel 8:119, tweede lid, van de Awb.