Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:3987
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,904 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3987 text/xml public 2026-05-19T14:00:30 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-11 BRE 26/812 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3987 text/html public 2026-05-13T13:54:37 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3987 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-05-2026 / BRE 26/812 8:54; NTB; Een beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Belanghebbende heeft het beroep binnen de termijn van een jaar ingediend. Het beroep is ontvankelijk. Aangezien de rechtbank niet is gebleken dat de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is het beroep tevens gegrond. Belanghebbende heeft verzocht om een dwangsom vanwege de tijd die de heffingsambtenaar nu al te laat is met beslissen. In principe bestaat daar recht op als de heffingsambtenaar niet binnen twee weken na de ingebrekestelling heeft beslist. Geen dwangsom is echter verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar op 7 maart 2025 contact heeft opgenomen over het plannen van een hoorzitting en dat hij daar op heeft gereageerd, maar vervolgens niets meer van de heffingsambtenaar heeft vernomen. Aangezien de ingebrekestelling vervolgens zes maanden op zich heeft laten wachten, is de rechtbank van oordeel de ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend. Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 26/812 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 11 maart 2024. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking van het object [adres] in [plaats] met [aanslagnummer] . 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Een beroep wegens niet tijdig beslissen is niet aan een termijn gebonden, maar als het beroep onredelijk laat is ingesteld is deze niet-ontvankelijk. 2.1. De heffingsambtenaar heeft geen verweer gevoerd en ook niet aan zijn verplichting voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico en rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. Aangezien de heffingsambtenaar de standpunten en stukken van belanghebbende niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan. Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 3. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift ingediend op 11 maart 2024. De heffingsambtenaar moet op het bezwaarschrift beslissen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. De heffingsambtenaar had dus uiterlijk op 31 december 2024 moeten beslissen. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 19 september 2025 in gebreke gesteld en op 6 februari 2026 beroep ingesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een uitspraak op bezwaar. 3.1. Een beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep wegens niet-tijdig beslissen op bezwaar, kan als uitgangspunt worden genomen dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend indien het is ingediend meer dan een jaar na het moment waarop het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. De heffingsambtenaar was vanaf 4 oktober 2025 in gebreke. Belanghebbende heeft het beroep circa drie maanden later ingediend. Dit is binnen de termijn van een jaar. Het beroep is ontvankelijk. Aangezien de rechtbank niet is gebleken dat de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is het beroep tevens gegrond. Welke beslistermijn moet aan de heffingsambtenaar worden opgelegd? 4. Omdat de heffingsambtenaar nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de heffingsambtenaar dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Welke dwangsom wordt aan de heffingsambtenaar opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de heffingsambtenaar. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-. Heeft belanghebbende recht op een dwangsom? 6. Belanghebbende heeft verzocht om een dwangsom vanwege de tijd die de heffingsambtenaar nu al te laat is met beslissen. In principe bestaat daar recht op als de heffingsambtenaar niet binnen twee weken na de ingebrekestelling heeft beslist. Geen dwangsom is echter verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. Of een ingebrekestelling onredelijk laat is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden. 6.1. De ingebrekestelling is ingediend meer dan negen maanden na het einde van de termijn waarbinnen de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar had moeten doen. Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar op 7 maart 2025 contact heeft opgenomen over het plannen van een hoorzitting en dat hij daar op heeft gereageerd, maar vervolgens niets meer van de heffingsambtenaar heeft vernomen. Aangezien de ingebrekestelling vervolgens zes maanden op zich heeft laten wachten, is de rechtbank van oordeel dat de ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend. Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat belanghebbende gelijk krijgt, de heffingsambtenaar de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de heffingsambtenaar de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. 7.1 Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Ook heeft belanghebbende recht op een vergoeding voor de kosten van de beroepsfase. Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenvergoeding van € 776,-, omdat hij kosten heeft gemaakt voor juridische ondersteuning bij het opstellen van de ingebrekestelling en het beroepschrift. De rechtbank overweegt dat alleen voor de in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen proceshandelingen een vergoeding wordt toegekend. De ingebrekestelling staat daarin niet genoemd, het beroepschrift wel. Belanghebbende heeft zelf het beroepschrift ingediend, maar de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand welke is verleend bij de voorbereiding van het beroepschrift kunnen ook voor vergoeding in aanmerking komen. Gelet op de overgelegde factuur acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende kosten voor beroepsmatige bijstand heeft gemaakt. De rechtbank kent een vergoeding toe van € 467,-.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3987 text/xml public 2026-05-19T14:00:30 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-11 BRE 26/812 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3987 text/html public 2026-05-13T13:54:37 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3987 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-05-2026 / BRE 26/812 8:54; NTB; Een beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Belanghebbende heeft het beroep binnen de termijn van een jaar ingediend. Het beroep is ontvankelijk. Aangezien de rechtbank niet is gebleken dat de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is het beroep tevens gegrond. Belanghebbende heeft verzocht om een dwangsom vanwege de tijd die de heffingsambtenaar nu al te laat is met beslissen. In principe bestaat daar recht op als de heffingsambtenaar niet binnen twee weken na de ingebrekestelling heeft beslist. Geen dwangsom is echter verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar op 7 maart 2025 contact heeft opgenomen over het plannen van een hoorzitting en dat hij daar op heeft gereageerd, maar vervolgens niets meer van de heffingsambtenaar heeft vernomen. Aangezien de ingebrekestelling vervolgens zes maanden op zich heeft laten wachten, is de rechtbank van oordeel de ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend. Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 26/812 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 11 maart 2024. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking van het object [adres] in [plaats] met [aanslagnummer] . 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Een beroep wegens niet tijdig beslissen is niet aan een termijn gebonden, maar als het beroep onredelijk laat is ingesteld is deze niet-ontvankelijk. 2.1. De heffingsambtenaar heeft geen verweer gevoerd en ook niet aan zijn verplichting voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico en rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. Aangezien de heffingsambtenaar de standpunten en stukken van belanghebbende niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan. Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 3. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift ingediend op 11 maart 2024. De heffingsambtenaar moet op het bezwaarschrift beslissen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. De heffingsambtenaar had dus uiterlijk op 31 december 2024 moeten beslissen. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 19 september 2025 in gebreke gesteld en op 6 februari 2026 beroep ingesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een uitspraak op bezwaar. 3.1. Een beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep wegens niet-tijdig beslissen op bezwaar, kan als uitgangspunt worden genomen dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend indien het is ingediend meer dan een jaar na het moment waarop het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. De heffingsambtenaar was vanaf 4 oktober 2025 in gebreke. Belanghebbende heeft het beroep circa drie maanden later ingediend. Dit is binnen de termijn van een jaar. Het beroep is ontvankelijk. Aangezien de rechtbank niet is gebleken dat de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is het beroep tevens gegrond. Welke beslistermijn moet aan de heffingsambtenaar worden opgelegd? 4. Omdat de heffingsambtenaar nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de heffingsambtenaar dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Welke dwangsom wordt aan de heffingsambtenaar opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de heffingsambtenaar. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-. Heeft belanghebbende recht op een dwangsom? 6. Belanghebbende heeft verzocht om een dwangsom vanwege de tijd die de heffingsambtenaar nu al te laat is met beslissen. In principe bestaat daar recht op als de heffingsambtenaar niet binnen twee weken na de ingebrekestelling heeft beslist. Geen dwangsom is echter verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. Of een ingebrekestelling onredelijk laat is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden. 6.1. De ingebrekestelling is ingediend meer dan negen maanden na het einde van de termijn waarbinnen de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar had moeten doen. Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar op 7 maart 2025 contact heeft opgenomen over het plannen van een hoorzitting en dat hij daar op heeft gereageerd, maar vervolgens niets meer van de heffingsambtenaar heeft vernomen. Aangezien de ingebrekestelling vervolgens zes maanden op zich heeft laten wachten, is de rechtbank van oordeel dat de ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend. Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat belanghebbende gelijk krijgt, de heffingsambtenaar de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de heffingsambtenaar de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. 7.1 Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Ook heeft belanghebbende recht op een vergoeding voor de kosten van de beroepsfase. Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenvergoeding van € 776,-, omdat hij kosten heeft gemaakt voor juridische ondersteuning bij het opstellen van de ingebrekestelling en het beroepschrift. De rechtbank overweegt dat alleen voor de in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen proceshandelingen een vergoeding wordt toegekend. De ingebrekestelling staat daarin niet genoemd, het beroepschrift wel. Belanghebbende heeft zelf het beroepschrift ingediend, maar de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand welke is verleend bij de voorbereiding van het beroepschrift kunnen ook voor vergoeding in aanmerking komen. Gelet op de overgelegde factuur acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende kosten voor beroepsmatige bijstand heeft gemaakt. De rechtbank kent een vergoeding toe van € 467,-.