Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:3854
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,056 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3854 text/xml public 2026-05-08T09:08:21 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-12 11735815 MB VERZ 25-584 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bergen op Zoom Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3854 text/html public 2026-05-08T09:07:36 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3854 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-03-2026 / 11735815 MB VERZ 25-584 Ongegrond: beroep tegen verkeersboete, gedraging staat vast, ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Zittingsplaats Bergen op Zoom zaaknummer.: 11735815 \ MB VERZ 25-584 CJIB-nummer: [CJIB-nummer] uitspraakdatum: 12 maart 2026 proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [adres] woonplaats : [woonplaats] hierna: betrokkene gemachtigde : mr. N.R. Coffi Verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 12 maart 2026. Namens de officier van justitie is verschenen [naam] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Standpunten De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Steenweg te Moerdijk op 15 februari 2024 om 17:32 uur. Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Daarbij is het onduidelijk welke verbalisant de gedraging heeft waargenomen. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat uit het dossier blijkt dat de verbalisant op hetzelfde moment een boete heeft uitgeschreven voor het rijden met een mobiel elektronisch apparaat én voor het niet beschikken over een juist rijbewijs. Dit roept vragen op over de feitelijke gang van zaken. Indien betrokkene zijn rijbewijs ter controle moest afgeven aan de verbalisant, kan hij op datzelfde moment niet rijdend een mobiel elektronisch apparaat hebben vastgehouden. Gelet op deze tegenstrijdigheid en de cumulatie van sancties verzoekt gemachtigde primair om vernietiging van de sanctiebeschikking en subsidiair om matiging van de sanctie. Ten aanzien van de proceskosten stelt betrokkene zich op het standpunt dat artikel 13a lid 2 sub a en b Wahv niet van toepassing zijn, reeds omdat Coffi Advocatuur niet werkt op basis van no cure no pay. In dat verband wordt verwezen naar het verbod op resultaatsgerelateerd honorarium in artikel 7.7. lid 1 Voda in relatie tot ECLI:NL:HR:2025:46 r.o. 3.5.1 e.v. Dit standpunt werd onlangs gehonoreerd in een uitspraak die werd gepubliceerd als ECLI:NL:RBMNE:2026:635, r.o. 13. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het feit dat de verbalisant op hetzelfde moment zowel een boete heeft uitgeschreven voor het rijden met een mobiel elektronisch apparaat als voor het niet beschikken over het juiste rijbewijs, maakt niet dat deze gedragingen elkaar uitsluiten. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De boete dient daarom met 25% gematigd te worden. Overwegingen Inhoudelijk De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Een mobiel elektronisch apparaat vasthouden tijdens het besturen van een voertuig mag nooit, ongeacht de manier van gebruik. De verboden gedraging behoort tot het risico van betrokkene. De boete is dus terecht opgelegd. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat in dezelfde situatie meerdere boetes aan betrokkene zijn opgelegd. Gelet daarop acht de kantonrechter matiging van de sanctie uit een oogpunt van redelijkheid aangewezen. De boete zal worden gematigd tot € 150,-. Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald. Proceskosten Vanwege de matiging van de boete komen de proceskosten van het beroep bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking. De proceskosten die zijn gemaakt in de fase van het administratief beroep bij de officier van justitie komen niet voor vergoeding in aanmerking (zie ECLI:NL:GHARL:2025:226, overweging 6). Ten aanzien van de door de huidige gemachtigde verrichte proceshandeling geldt bovendien het volgende. De wetgever heeft het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel er onder meer uit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay . Gevallen die kennelijk dit kenmerk niet hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Dat volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985, punt 5.2 en 5.3. De huidige gemachtigde van de betrokkene is advocaat. Aan advocaten is het verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay buiten twee zeer specifiek omschreven gevallen verboden, op zowel nationaal als Europees niveau. Dat volgt uit artikel 7.7 van de Verordening op de advocatuur van het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten en uit paragraaf 3.3 van de Code of conduct for european lawyers van de Council of Bars and Law Societies of Europe. Uit de hoedanigheid van de gemachtigde als advocaat volgt dat hij aan de betrokkene geen rechtsbijstand verleent op basis van no cure no pay en dat ten aanzien van de door hem verrichte proceshandeling ook op die grond geldt dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wegingsfactor van 0,25 of 0,10 niet moet worden toegepast. De proceskostenvergoeding is als volgt berekend: beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- = € 934,00. Beslissing De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond; ‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 150,-, plus € 9,- administratiekosten; ‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 230,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen; ‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 934,00. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026. Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als: de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld. Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 67, 4330 AB Middelburg.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3854 text/xml public 2026-05-08T09:08:21 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-12 11735815 MB VERZ 25-584 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bergen op Zoom Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3854 text/html public 2026-05-08T09:07:36 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3854 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-03-2026 / 11735815 MB VERZ 25-584 Ongegrond: beroep tegen verkeersboete, gedraging staat vast, ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Zittingsplaats Bergen op Zoom zaaknummer.: 11735815 \ MB VERZ 25-584 CJIB-nummer: [CJIB-nummer] uitspraakdatum: 12 maart 2026 proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [adres] woonplaats : [woonplaats] hierna: betrokkene gemachtigde : mr. N.R. Coffi Verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 12 maart 2026. Namens de officier van justitie is verschenen [naam] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Standpunten De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Steenweg te Moerdijk op 15 februari 2024 om 17:32 uur. Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Daarbij is het onduidelijk welke verbalisant de gedraging heeft waargenomen. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat uit het dossier blijkt dat de verbalisant op hetzelfde moment een boete heeft uitgeschreven voor het rijden met een mobiel elektronisch apparaat én voor het niet beschikken over een juist rijbewijs. Dit roept vragen op over de feitelijke gang van zaken. Indien betrokkene zijn rijbewijs ter controle moest afgeven aan de verbalisant, kan hij op datzelfde moment niet rijdend een mobiel elektronisch apparaat hebben vastgehouden. Gelet op deze tegenstrijdigheid en de cumulatie van sancties verzoekt gemachtigde primair om vernietiging van de sanctiebeschikking en subsidiair om matiging van de sanctie. Ten aanzien van de proceskosten stelt betrokkene zich op het standpunt dat artikel 13a lid 2 sub a en b Wahv niet van toepassing zijn, reeds omdat Coffi Advocatuur niet werkt op basis van no cure no pay. In dat verband wordt verwezen naar het verbod op resultaatsgerelateerd honorarium in artikel 7.7. lid 1 Voda in relatie tot ECLI:NL:HR:2025:46 r.o. 3.5.1 e.v. Dit standpunt werd onlangs gehonoreerd in een uitspraak die werd gepubliceerd als ECLI:NL:RBMNE:2026:635, r.o. 13. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het feit dat de verbalisant op hetzelfde moment zowel een boete heeft uitgeschreven voor het rijden met een mobiel elektronisch apparaat als voor het niet beschikken over het juiste rijbewijs, maakt niet dat deze gedragingen elkaar uitsluiten. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De boete dient daarom met 25% gematigd te worden. Overwegingen Inhoudelijk De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Een mobiel elektronisch apparaat vasthouden tijdens het besturen van een voertuig mag nooit, ongeacht de manier van gebruik. De verboden gedraging behoort tot het risico van betrokkene. De boete is dus terecht opgelegd. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat in dezelfde situatie meerdere boetes aan betrokkene zijn opgelegd. Gelet daarop acht de kantonrechter matiging van de sanctie uit een oogpunt van redelijkheid aangewezen. De boete zal worden gematigd tot € 150,-. Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald. Proceskosten Vanwege de matiging van de boete komen de proceskosten van het beroep bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking. De proceskosten die zijn gemaakt in de fase van het administratief beroep bij de officier van justitie komen niet voor vergoeding in aanmerking (zie ECLI:NL:GHARL:2025:226, overweging 6). Ten aanzien van de door de huidige gemachtigde verrichte proceshandeling geldt bovendien het volgende. De wetgever heeft het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel er onder meer uit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay . Gevallen die kennelijk dit kenmerk niet hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Dat volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985, punt 5.2 en 5.3. De huidige gemachtigde van de betrokkene is advocaat. Aan advocaten is het verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay buiten twee zeer specifiek omschreven gevallen verboden, op zowel nationaal als Europees niveau. Dat volgt uit artikel 7.7 van de Verordening op de advocatuur van het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten en uit paragraaf 3.3 van de Code of conduct for european lawyers van de Council of Bars and Law Societies of Europe. Uit de hoedanigheid van de gemachtigde als advocaat volgt dat hij aan de betrokkene geen rechtsbijstand verleent op basis van no cure no pay en dat ten aanzien van de door hem verrichte proceshandeling ook op die grond geldt dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wegingsfactor van 0,25 of 0,10 niet moet worden toegepast. De proceskostenvergoeding is als volgt berekend: beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- = € 934,00. Beslissing De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond; ‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 150,-, plus € 9,- administratiekosten; ‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 230,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen; ‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 934,00. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026. Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als: de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld. Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 67, 4330 AB Middelburg.