Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-07
ECLI:NL:RBZWB:2026:3813
ECLI:NL:RBZWB:2026:3813 text/xml public 2026-06-01T12:29:31 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-07 24/5749 en 25/5551 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Breda Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3813 text/html public 2026-06-01T12:29:21 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3813 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 07-05-2026 / 24/5749 en 25/5551 Pgb voor informele begeleiding. Onjuiste toepassing van het criterium 'eigen kracht'. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: 24/5749 WMO 15 en 25/5551 WMO 15 uitspraak van 7 mei 2026 van de meervoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, gemachtigde: [gemachtigde] , en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (het college), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroepen tegen besluiten van het college over aan hem toegekende maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). 1.1. In een besluit van 20 september 2023 (primair besluit I) heeft het college met terugwerkende kracht aan eiser zorg in natura (ZIN) toegekend voor 'begeleiding basis' voor 2 uur per week over de periode van [datum] 2023 tot en met 31 oktober 2023. Bij een afzonderlijk besluit van dezelfde datum (primair besluit II) heeft het college aan eiser met terugwerkende kracht een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor 'begeleiding basis' voor 9 uur en 35 minuten per week over de periode van 1 juni 2023 tot en met 31 oktober 2023. Deze begeleiding wordt verleend door eisers moeder. In bestreden besluit I van 30 mei 2024 heeft het college eisers bezwaren tegen deze primaire besluiten deels gegrond verklaard en de besluiten, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten (zaaknummer 24/5749). 1.2. In een besluit van 3 september 2024 (primair besluit III) heeft het college aan eiser 'begeleiding basis' toegekend in de vorm van zorg in natura (ZIN) voor 3 uur per week over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2025. Bij een afzonderlijk besluit van dezelfde datum (primair besluit IV) heeft het college daarnaast (informele) 'begeleiding basis' toegekend in de vorm van een pgb voor 6 uur en 35 minuten per week over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 30 september 2024. Daarbij is bepaald dat de begeleiding vanaf 1 oktober 2024 stapsgewijs wordt afgebouwd naar 3 uur per week in de periode tot en met 30 november 2024, en vervolgens naar nihil. In bestreden besluit II van 16 september 2025 heeft het college eisers bezwaren tegen deze primaire besluiten deels gegrond verklaard en de besluiten, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. (zaaknummer 25/5551). 1.3. Het college heeft op eisers beroepen tegen bestreden besluiten I en II gereageerd met verweerschriften. 1.4. De rechtbank heeft het beroep in de zaak met zaaknummer 24/5749 op 10 december 2025 op zitting behandeld. Bij beslissing van 23 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat deze zaak tegelijkertijd met de zaak met zaaknummer 25/5551 dient te worden behandeld. De beroepen zijn vervolgens op 27 maart 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Eiser werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door eisers moeder. Het college werd vertegenwoordigd door [naam] . Overwegingen Relevante feiten en omstandigheden 2. Eiser, geboren op [datum] 2005, is onder meer bekend met ASS, Gilles de la Tourette, ARFID en een disharmonisch IQ. Hij heeft zich op 15 februari 2023 gemeld bij het college voor het verlengen van aan hem toegekende indicaties op grond van de Jeugdwet (Jw). Deze indicaties verliepen op [datum] 2023, omdat eiser toen 18 jaar werd. Hij heeft op 15 maart 2023 een persoonlijk plan voor een pgb ingediend. In een besluit van 14 april 2023 heeft het college eisers moeder geïnformeerd dat sprake is van een wachtlijst v Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden. 5.1. De rechtbank stelt bij het besluitonderdeel over het pgb vast dat eiser – onder meer in het aanvullende beroepschrift van 14 maart 2026 – heeft verzocht om met terugwerkende kracht ten minste 9 uur en 35 minuten individuele begeleiding toe te kennen, maar dat het college dit al heeft gedaan in de bestreden besluitvorming (en daaropvolgende besluitvorming tot en met 31 juli 2024). Namens eiser is ter zitting desgevraagd ook bevestigd dat hij zich kan verenigen met de omvang van het toegekende pgb als zodanig. Daarin is dus geen procesbelang (meer) gelegen, ook niet voor de toekomst. Eiser heeft gesteld dat hij zich met name verzet tegen de handelwijze van het college. Eiser stelt dat hij als gevolg van die handelwijze schade heeft geleden, in die zin dat hij zijn hbo-opleiding Rechten aan [school] heeft moeten beëindigen en gedurende een periode thuis heeft gezeten. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft hij een overzicht van zijn opleidingen (van DUO) overgelegd. Daarmee heeft hij echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een causaal verband tussen de handelwijze van het college en het beëindigen van zijn studie. Zo ontbreken bijvoorbeeld stukken van behandelaars of de onderwijsinstelling waaruit blijkt van studieproblemen die samenhangen met de procedures tegen of onderzoeken van de gemeente. Ook het rapport van [stichting] van november 2023 biedt geen aanknopingspunten om eisers stelling te ondersteunen. De rechtbank merkt hierbij op dat het college in de periode waarin eiser geen onderwijs volgde (van 1 juni 2024 tot en met 1 september 2024) ondersteuning is blijven bieden in de vorm van ZIN en een pgb. Omdat eisers gemachtigde ter zitting ook overigens geen nadere onderbouwing van de gestelde schade heeft kunnen geven, acht de rechtbank het op voorhand onaannemelijk dat eiser als gevolg van bestreden besluit I schade heeft geleden. Zoals hiervoor overwogen, is een louter formeel of principieel belang evenmin voldoende om een procesbelang aan te nemen. Dit betekent dat eiser ook geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit I, enkel omdat hij zich niet kan verenigen met de handelwijze van het college en om erkenning verzoekt, zoals zijn gemachtigde en moeder ter zitting nader uiteen hebben gezet. 5.2. Eiser wil met deze procedure ook bereiken dat het college wordt veroordeeld in de vergoeding van de kosten van bezwaar. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB , levert het niet vergoeden van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang op, tenzij het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen, terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. In dit geval is van deze uitzonderingssituatie geen sprake. Hoewel eisers bezwaren deels gegrond zijn verklaard, heeft het college de primaire besluiten I en II volledig in stand gelaten en enkel de motivering ervan aangevuld. Er is daarom geen sprake van herroeping van deze besluiten. Dit betekent dat in deze zaak geen procesbelang aanwezig is bij het niet vergoeden van bezwaarkosten. Eisers beroep tegen bestreden besluit II (zaaknummer 25/5551) Standpunt van het college 6. Volgens het college had hij in bestreden besluit II niet meer pgb-uren hoeven toekennen voor individuele begeleiding en persoonlijke verzorging, wegens de aanwezigheid van eigen kracht. Het college werpt eiser tegen dat zijn moeder al geruime tijd zorg De rechtbank concludeert daarom dat eiser voldoende procesbelang heeft in deze beroepsprocedure. Beoordeling van de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het college 12. Het college heeft zich bij het nemen van bestreden besluit II met name gebaseerd op het advies van [organisatie] van 29 maart 2024. Sociaal medisch adviseur [arts] (arts) heeft een huisbezoek afgelegd op 7 december 2023. Bij het onderzoek waren eiser en zijn moeder aanwezig, en via een telefoonverbinding was eisers gemachtigde aanwezig. Eisers ziektegeschiedenis, zijn medicatiegebruik en dagelijks functioneren werden besproken. Eisers functioneren en het bewegingspatroon werden geobserveerd, en er werd kennisgenomen van de bij de aanvraag gevoegde documenten. Het betreft een besluit naar aanleiding van het plan van aanpak van 7 september 2023 en een advies van SAP van 9 maart 2022 over de inzet van begeleiding. Bij het onderzoek heeft eiser nog een aantal documenten overgelegd, in de vorm van een diagnostisch beeld van [stichting] van november 2023 (diagnose, beschrijvende diagnose, informatie voorgeschiedenis), en een ongedateerde reactie van eiser op het plan van aanpak van 9 juli 2024. Er werd geen aanvullende medische informatie opgevraagd, omdat voor het uitbrengen van een advies geen nadere feitelijke informatie van de behandelend arts noodzakelijk was. 12.1. Naar het oordeel van de rechtbank was het onderzoek van het college als zodanig volledig en zorgvuldig, mede gelet op de hiervoor omschreven onderzoekshandelingen van [organisatie] en de daarbij betrokken medische informatie. De eerste drie stappen van het stappenplan zijn correct gevolgd, waarbij eisers hulpvraag is vastgesteld, de concrete problemen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie zijn onderzocht, eisers ondersteuningsbehoefte in kaart is gebracht, en de mogelijkheden om deze ondersteuning te bieden zijn onderzocht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn bij het onderzoek geen wezenlijke aspecten gemist. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het college zich onvoldoende heeft gebaseerd op informatie van zijn behandelaren. De rechtbank merkt daarbij op dat in het advies van [organisatie] van 29 maart 2024 is vermeld dat eiser is gevraagd of er naast het besprokene nog andere zaken van belang waren voor de medische beoordeling. Eiser heeft daarop geantwoord dat alle relevante aspecten zijn besproken, en hij heeft geen aanvullende informatie naar voren gebracht. Eisers ter zitting geponeerde stelling dat zijn eetstoornis (ARFID) ten onrechte niet is meegenomen in de advisering door het college slaagt evenmin. Hoewel deze stoornis niet is vermeld onder de kopjes 'Aandoeningen' en 'Stoornissen' in het advies, is op pagina 5 van het advies onder het kopje 'Persoonlijke verzorging' het volgende opgenomen: "Betrokkene is zelfstandig in het fysieke uitvoeren van de taken behorend tot de persoonlijke verzorging. Er is wel enige ondersteuning nodig in het behouden van structuur in de handelingen. Dat geldt in enige mate het uitvoeren van de lichamelijke verzorging en in meerdere mate voor het eten en drinken. Betrokkene handhaaft zelfstandig geen passend eetpatroon. Aansturing en toezicht op het terrein van de persoonlijke verzorging is door het medisch beeld van betrokkene noodzakelijk" . Op pagina 8 is onder het kopje 'Deskundigheid van de ondersteuning' ook opgenomen: "Voor de begeleiding in het eetpatroon is geen specifieke deskundigheid op behandel- of begeleidingsniveau noodzakelijk" . Eisers eetstoornis is derhalve onderkend en meegewogen in het onderzoek van het college. Het advies van [organisatie] is verder inzichtelijk gemotiveerd en concludent. Niet is gebleken dat het onjuiste feiten bevat met betrekking tot eisers medische situatie. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de daarin opgenomen medische overwegingen. Mocht het college eiser tegenwerpen dat sprake is van 'eigen kracht'? 13. In stap 4 van het stappenplan Ook zal zij geen bestuurlijke lus toepassen, omdat dit geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou zijn. 14.1. Omdat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit II gegrond verklaart, bepaalt zij dat het college in de procedure over dit besluit aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt het college in de procedure over bestreden besluit II verder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. Zijn gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand door een gemachtigde bedraagt daarmee in totaal € 1.868,-. Verder komt eiser in aanmerking voor vergoeding van zijn reiskosten in verband met de zitting. De rechtbank stelt die kosten vast op de kosten van openbaar vervoer, en deze bedragen € 13,50. De rechtbank stelt de totale proceskostenvergoeding vast op € 1.881,50. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond; - vernietigt bestreden besluit II, voor zover daarin primair besluit IV in stand is gelaten; - draagt het college op een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaren tegen primair besluit IV met inachtneming van de uitspraak; - draagt het college in de procedure over bestreden besluit II op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt het college in de procedure over bestreden besluit II in eisers proceskosten tot een bedrag van € 1.881,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. M. Snoeks, leden, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 7 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Bijlage: relevante wet- en regelgeving Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Artikel 1.2.1 Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit: a. door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie, (…). Artikel 2.3.2 1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding. 2. Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot