Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-07
ECLI:NL:RBZWB:2026:3799
ECLI:NL:RBZWB:2026:3799 text/xml public 2026-06-01T11:33:31 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-07 25/1775 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3799 text/html public 2026-06-01T11:31:02 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3799 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 07-05-2026 / 25/1775 Deze uitspraak gaat over de vraag of het college een omgevingsvergunning heeft mogen verlenen voor het veranderen van een bestaande varkenshouderij. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/1775 uitspraak van de meervoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen Stichting [eiseres 1] , uit [plaats 1] , eiseres 1,Stichting [eiseres 2] , uit [plaats 2] , eiseres 2,samen eiseressen (gemachtigde: mr. J.E. Dijk), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk , het college. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [maatschap] uit [plaats 3] (vergunninghoudster). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college een omgevingsvergunning heeft mogen verlenen voor het veranderen van een bestaande varkenshouderij. Eiseressen zijn het daar niet mee eens. Mede aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevraagde wijziging uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen . Eiseressen krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een bestaande varkenshouderij gelegen aan [adres] . 2.1. Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met twee verweerschriften, waarvan één is opgesteld door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant namens het college. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Eiseres 1 werd daarnaast vertegenwoordigd door [naam 1] (voorzitter) en [naam 2] (penningmeester). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. [naam 3] , ing. [naam 4] en [naam 5] . Namens vergunninghoudster waren [naam 6] en ing. [naam 7] (namens Agrifirm NWE B.V.) aanwezig. 2.3. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd. Beoordeling door de rechtbank Feiten en omstandigheden 3. Vergunninghoudster exploiteert een varkenshouderij aan [adres] (de varkenshouderij). In de huidige situatie mag zij op grond van een revisievergunning van 26 juli 2011 en een omgevingsvergunning voor een milieu neutrale wijziging van 6 maart 2017 1.096 gespeende biggen en 7.175 vleesvarkens houden. 3.1. Vergunninghoudster is voornemens de dierbezetting binnen de inrichting te wijzigen. De wijzigingen houden het volgende in: In stal 1 worden de 1.096 gespeende biggen niet meer gehouden; In stal 2 wijzigt de dierbezetting van 2.407 (1.152 en 1.255) vleesvarkens naar 2.510 vleesvarkens tot 50 kg of 1.824 vleesvarkens groter dan 50 kg. In stal 1 en 3 wijzigt de dierbezetting van 4.768 (160 en 4.608) vleesvarkens naar 7.662 vleesvarkens tot 50 kg of 5.353 vleesvarkens groter dan 50 kg. Stallen 1, 2 en 3 worden aangesloten op een gecombineerd luchtwassysteem (BWL 2009.12). 3.2. Ten opzichte van de vergunde situatie vindt er in de beoogde situatie, binnen de bestaande stalruimten, een uitbreiding plaats met 2.997 vleesvarkens kleiner dan 50 kg. 3.3. Op 8 juni 2020 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het binnen de bestaande stalruimten In dat bestemmingsplan is aan het perceel van de varkenshouderij de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap, natuur en cultuurhistorie 1’ toegekend, de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Natuur attentiegebied’ en de functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’. Als gevolg van de verandering van de varkenshouderij wordt afgeweken van de planregel (gebruiksregel) uit artikel 4.4, onder n, waarin staat dat de wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen niet is toegestaan. 7.1. Tussen partijen is ook niet in geschil dat voor deze strijdigheid alleen een omgevingsvergunning kon worden verleend, wanneer uit een goede ruimtelijke onderbouwing was gebleken dat het initiatief in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening en, voor zover vereist, de gemeenteraad had verklaard geen bedenkingen te hebben tegen het initiatief. Verklaring van geen bedenkingen 8. De rechtbank constateert dat raad van de gemeente Oisterwijk op 16 maart 2023 de lijst met categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist gemeente Oisterwijk 2023 (Categorieënlijst) heeft vastgesteld. Uit deze lijst volgt dat geen verklaring van geen bedenkingen is vereist voor aanvragen voor locaties die zijn gelegen buiten de straal van 250 meter van de bebouwde kom en Natura 2000-gebieden. Bij de Categorieënlijst hoort een kaart waarop de bebouwde kom, de Natura 2000-gebieden en het overgangsgebied (250 meter-zone) zijn aangegeven. De rechtbank stelt op basis van deze kaart vast dat de varkenshouderij van vergunninghoudster buiten deze gebieden en zones is gelegen. Dat betekent dat voor deze aanvraag geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist. Goede ruimtelijke ordening 9. Zoals deze rechtbank in een eerdere uitspraak heeft overwogen, was volgens de wetsgeschiedenis sprake van een goede ruimtelijke ordening, wanneer zo gunstig mogelijke voorwaarden werden gecreëerd voor het gebruik en de ontwikkeling van een bepaald gebied. Het college diende een belangenafweging te maken tussen alle betrokken ruimtelijk relevante belangen en diende aan de hand van die belangenafweging vast te stellen wat hij een goede ruimtelijke ordening vond: welke ruimtelijk relevante belangen hij wilde behartigen ten behoeve van een goed woon-, leef- of verblijfsklimaat. Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan het college toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, kwam het college beleidsruimte toe. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht. 9.1. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op het perceel van vergunninghoudster de bestemming Agrarisch met waarden, functie-aanduiding intensieve veehouderij rust. Op grond van artikel 4.1 aanhef en sub f zijn deze gronden dus bestemd voor intensieve veehouderij. De planwetgever heeft daarmee bij de vaststelling van het bestemmingsplan al beoordeeld dat intensieve veehouderij in de vorm van een varkenshouderij op deze locatie in beginsel ruimtelijk aanvaardbaar is. In deze procedure ligt daarom de vraag voor of de aangevraagde wijziging van deze planologisch toegestane situatie niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening is. Afname ammoniakemissie 10. Eiseressen voeren aan dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de toegepaste emissiearme stalsystemen voldoende effectief zijn. Volgens hen is die effectiviteit niet gegarandeerd, zodat niet kan worden uitgesloten dat de ammoniakemissie toeneemt. Dit had volgens eiseressen bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening betrokken moeten worden. Volgens eiseressen is het besluit waari Eiseressen voeren aan dat het college bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van het aantal dierplaatsen en de stalsystemen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van het intern salderen. Volgens hen kan niet worden volstaan met een afzonderlijke beoordeling in het kader van de Wnb, maar moeten het intern salderen, de noodzaak van een passende beoordeling en de additionaliteitstoets ook worden betrokken bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Volgens eiseressen is het besluit met de beoordeling of een milieueffectrapport moet worden opgesteld bovendien ondeugdelijk, omdat daarin zonder passende beoordeling is uitgegaan van intern salderen. 12.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de beoordeling van het intern salderen, de noodzaak van een passende beoordeling en de toetsing aan het additionaliteitsvereiste plaatsvinden in het kader van de Wnb. Deze aspecten maken volgens het college geen onderdeel uit van de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening. 13. De rechtbank stelt vast dat vergunninghoudster na het indienen van de aanvraag de activiteit ‘Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’ heeft ingetrokken. Hiervoor heeft zij een losse aanvraag om een Wnb-vergunning ingediend bij GS. Zoals deze rechtbank eerder op grond van uitspraken van de Afdeling heeft overwogen, staat het een aanvrager, die heeft gekozen voor vrijwillige aanhaking, vrij om de natuurvergunning te ‘ontkoppelen’ van de omgevingsvergunning. 13.1. Omdat de aanvraag om een natuurvergunning is losgekoppeld van de aanvraag om de omgevingsvergunning, is het aan GS als bevoegd gezag ten aanzien van de Wnb om daar een oordeel over te geven. 13.2. Gelet op het specialiteitsbeginsel heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet gehouden was om in het kader van de omgevingsvergunning vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te beoordelen of een passende beoordeling moest worden gemaakt en of wordt voldaan aan het additionaliteitsvereiste. Mer-beoordeling en intern salderen, passende beoordeling en additionaliteitsvereiste 13.3 Daarnaast ziet de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport. Omgevingsvergunning voor milieu Geur, gezondheid en het GGD-advies 14. Eiseressen voeren aan dat het college met het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van geurhinder voor de gezondheid van omwonenden. Volgens eiseressen heeft de GGD in haar advies van 30 augustus 2022 concrete aanbevelingen gedaan om de geurbelasting te beperken. Deze aanbevelingen hadden volgens hen als voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. 14.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij de beoordeling van de aanvraag de gevolgen voor de gezondheid van omwonenden zijn betrokken. Daarbij is volgens het college van belang dat de geurbelasting en overige emissies afnemen ten opzichte van de vergunde situatie, zodat sprake is van een verbetering. Het college wijst erop dat het advies van de GGD geen juridisch bindende normen bevat. De in dat advies opgenomen aanbevelingen zijn volgens het college betrokken bij de besluitvorming, maar geven geen aanleiding om aanvullende voorschriften aan de vergunning te verbinden. Volgens het college zijn in de vergunning wel voorschriften opgenomen ter beperking van geurhinder, waaronder het opstellen van een geurbeheersplan en controlevoorschriften. Voor het opnemen van voorschriften over continue metingen bestaat volgens het college op dit moment geen aanleiding, omdat dergelijke maatregelen nog in ontwikkeling zijn. 15. De rechtbank begrijpt het argument van eiseressen aldus dat zij vinden dat het college het aspect gezondheid onvoldoende heeft betrokken bij het verlenen van de vergunning voor het aspect milieu. In de onderbouwing van de beroepsgrond wor Wettelijk kader Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet. Artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten (1°.), het veranderen of veranderen van de werking (2°.) of het in werking hebben (3°.) van een inrichting of mijnbouwwerk. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of, in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist. Besluit omgevingsrecht (Bor) Artikel 6.5, eerste en derde lid, van het Bor 1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is. 3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. Lijst met categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist gemeente Oisterwijk 2023 (Categorieënlijst) Artikel 3, eerste lid, van de Categorieënlijst Een verklaring van geen bedenkingen is niet vereist voor aanvragen voor locaties buiten 250 meter van de bebouwde kom of een Natura 2000 gebied (Bijlage 1 overgangsgebied). Bestemmingsplan ‘Buitengebied, correctieve herziening’ Artikel 4.4, onder n, van de planregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen is niet toegestaan.