Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:3788
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,085 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3788 text/xml public 2026-05-13T13:32:23 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 23/10440 en 23/10441 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3788 text/html public 2026-05-13T13:31:45 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3788 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 23/10440 en 23/10441 Bpm RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 23/10440 en 23/10441 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende twee naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van respectievelijk € 5.029 en € 4.832 aan verschuldigde Bpm. Gelijktijdig met het opleggen van de eerste naheffingsaanslag is € 20 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikking gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft de beroepen op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten Zaaknummer 23/10441 3. Belanghebbende heeft op 9 augustus 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q5 3.0 TFSI SQ5 quattro Pro met [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 4.664. 3.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. 3.2. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 9.693 bedraagt. Hij is daarbij uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze het meest gunstig was. Hij heeft voor auto 1 de naheffing berekend op € 5.029 en de naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is € 20 belastingrente in rekening gebracht. Zaaknummer 23/10440 3.3. Belanghebbende heeft op 7 september 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q5 3.0 TFSI SQ5 quattro Pro met [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.488. 3.4. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. 3.5. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 10.320 bedraagt. Hij is daarbij uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze het meest gunstig was. Hij heeft voor auto 2 de naheffing berekend op € 4.832 en de naheffingsaanslag opgelegd. Overwegingen Vooraf: Verzoek inspecteur om toepassing artikel 8:45 van de Awb (beide auto’s) 4. De inspecteur heeft belanghebbende voor beide auto’s verzocht om de inkoopfactuur te overleggen. Naar mening van de inspecteur moet de rechtbank bij het niet overleggen van de stukken eveneens erop staan dat deze gegevens worden overgelegd. Volgens de inspecteur is de inkoopfactuur noodzakelijk voor het door de rechtbank te geven oordeel over de onderhavige zaken. De rechtbank vat dit op als een verzoek om toepassing van artikel 8:45 van de Awb. 4.1. Reden om een artikel 8:45-verzoek te honoreren kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de desbetreffende informatie en/of stukken naar het oordeel van de rechtbank onontbeerlijk zijn voor de geschilbeslechting. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om het verzoek te honoreren gelet op de verdeling van de bewijslast. Het ligt op de weg van belanghebbende om de waardevermindering als gevolg van schade aannemelijk te maken. Indien belanghebbende het bewijs dat van hem wordt verlangd niet levert, wordt de door hem bepleite vermindering ook niet gevolgd. Voor zover de inspecteur vindt dat de inkoopfactuur een contra-indicatie zou kunnen opleveren van de door belanghebbende bepleite waarde, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de inkoopfactuur op te vragen. Ook als belanghebbende een hogere prijs heeft betaald voor de auto, dan nog staat het belanghebbende in dit geval vrij om uit te gaan van een taxatiewaarde aan de hand van de koerslijstwaarde verminderd met een waardevermindering wegens schade. Inhoudelijk Auto 1 (zaaknummer 23/10441) 4.2. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende erop mocht vertrouwen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Verder is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Ook is in geschil welke afschrijvingsmethode kan worden toegepast en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat. Vertrouwensbeginsel 4.3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de controle bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen. 4.4. De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen. 4.5. Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de stelling dat zij uit uitlatingen van DRZ of de inspecteur na de schouw heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De redenen die belanghebbende heeft genoemd waarom het voor haar van groot belang zou zijn dat er zekerheid bestaat met betrekking tot de vraag of er al dan niet een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, maken dit niet anders. In het geval belanghebbende hierover zekerheid zou willen krijgen, had zij in contact kunnen treden met de inspecteur. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake. Herleidingsmethode 4.6. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet. Afschrijvingsmethode 4.7. Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Is sprake van meer dan normale gebruiksschade? 4.8. De taxateur van belanghebbende heeft voor auto 1 schade geconstateerd voor een bedrag van € 15.241 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 20.000. De hertaxateur van DRZ heeft voor auto 1 ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 1.934 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. 4.9.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3788 text/xml public 2026-05-13T13:32:23 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 23/10440 en 23/10441 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3788 text/html public 2026-05-13T13:31:45 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3788 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 23/10440 en 23/10441 Bpm RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 23/10440 en 23/10441 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende twee naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van respectievelijk € 5.029 en € 4.832 aan verschuldigde Bpm. Gelijktijdig met het opleggen van de eerste naheffingsaanslag is € 20 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikking gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft de beroepen op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten Zaaknummer 23/10441 3. Belanghebbende heeft op 9 augustus 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q5 3.0 TFSI SQ5 quattro Pro met [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 4.664. 3.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. 3.2. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 9.693 bedraagt. Hij is daarbij uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze het meest gunstig was. Hij heeft voor auto 1 de naheffing berekend op € 5.029 en de naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is € 20 belastingrente in rekening gebracht. Zaaknummer 23/10440 3.3. Belanghebbende heeft op 7 september 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q5 3.0 TFSI SQ5 quattro Pro met [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.488. 3.4. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. 3.5. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 10.320 bedraagt. Hij is daarbij uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze het meest gunstig was. Hij heeft voor auto 2 de naheffing berekend op € 4.832 en de naheffingsaanslag opgelegd. Overwegingen Vooraf: Verzoek inspecteur om toepassing artikel 8:45 van de Awb (beide auto’s) 4. De inspecteur heeft belanghebbende voor beide auto’s verzocht om de inkoopfactuur te overleggen. Naar mening van de inspecteur moet de rechtbank bij het niet overleggen van de stukken eveneens erop staan dat deze gegevens worden overgelegd. Volgens de inspecteur is de inkoopfactuur noodzakelijk voor het door de rechtbank te geven oordeel over de onderhavige zaken. De rechtbank vat dit op als een verzoek om toepassing van artikel 8:45 van de Awb. 4.1. Reden om een artikel 8:45-verzoek te honoreren kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de desbetreffende informatie en/of stukken naar het oordeel van de rechtbank onontbeerlijk zijn voor de geschilbeslechting. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om het verzoek te honoreren gelet op de verdeling van de bewijslast. Het ligt op de weg van belanghebbende om de waardevermindering als gevolg van schade aannemelijk te maken. Indien belanghebbende het bewijs dat van hem wordt verlangd niet levert, wordt de door hem bepleite vermindering ook niet gevolgd. Voor zover de inspecteur vindt dat de inkoopfactuur een contra-indicatie zou kunnen opleveren van de door belanghebbende bepleite waarde, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de inkoopfactuur op te vragen. Ook als belanghebbende een hogere prijs heeft betaald voor de auto, dan nog staat het belanghebbende in dit geval vrij om uit te gaan van een taxatiewaarde aan de hand van de koerslijstwaarde verminderd met een waardevermindering wegens schade. Inhoudelijk Auto 1 (zaaknummer 23/10441) 4.2. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende erop mocht vertrouwen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Verder is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Ook is in geschil welke afschrijvingsmethode kan worden toegepast en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat. Vertrouwensbeginsel 4.3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de controle bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen. 4.4. De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen. 4.5. Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de stelling dat zij uit uitlatingen van DRZ of de inspecteur na de schouw heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De redenen die belanghebbende heeft genoemd waarom het voor haar van groot belang zou zijn dat er zekerheid bestaat met betrekking tot de vraag of er al dan niet een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, maken dit niet anders. In het geval belanghebbende hierover zekerheid zou willen krijgen, had zij in contact kunnen treden met de inspecteur. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake. Herleidingsmethode 4.6. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet. Afschrijvingsmethode 4.7. Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Is sprake van meer dan normale gebruiksschade? 4.8. De taxateur van belanghebbende heeft voor auto 1 schade geconstateerd voor een bedrag van € 15.241 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 20.000. De hertaxateur van DRZ heeft voor auto 1 ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 1.934 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. 4.9.
Volledig
De rechtbank stelt vast dat beide partijen uitgaan van een waardevermindering wegens schade en is daarom van oordeel dat de afschrijving in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. In het ontbreken van de (juiste) inkoopfactuur ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport buiten beschouwing te laten. Wel kunnen gebreken aan het taxatierapport gevolgen hebben voor de bewijskracht daarvan. Handelsinkoopwaarde 4.10. Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde van € 34.300 zoals door haar taxateur is vastgesteld. Hij is voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde uitgegaan van de gemiddelde verkoopprijzen van referentievoertuigen (marktonderzoek). De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze handelsinkoopwaarde niet aannemelijk heeft gemaakt. De taxateur heeft in zijn taxatierapport opgenomen dat “ongeveer 35% van de vraagprijs is afgetrokken”. De taxateur heeft deze handelsmarge niet verder onderbouwd. Belanghebbende heeft geen subsidiair standpunt ingenomen zodat de rechtbank zal uitgaan van de handelsinkoopwaarde zoals door DRZ is vastgesteld. Waardevermindering wegens schade 4.11. Met betrekking tot de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat voor auto 1 vast op € 60.869. Historische nieuwprijs 4.12. Voor zover de historische nieuwprijs nog in geschil was stelt de rechtbank vast dat de hertaxateur van DRZ uitgaat van een hogere historische nieuwprijs dan waar de taxateur van belanghebbende vanuit gaat zodat dit punt geen behandeling meer behoeft. Conclusie auto 1 4.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde Bpm voor auto 1 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel meest gunstig is zoals toegepast bij de naheffingsaanslag. Het beroep met zaaknummer 23/10441 moet daarom ongegrond worden verklaard. Auto 2 (zaaknummer 23/10440) 4.14. Tussen partijen is in geschil welke afschrijvingsmethode van toepassing is. Verder is in geschil de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat. 4.15. Belanghebbende heeft zijn standpunt met betrekking tot de onafhankelijkheid en deskundigheid van de hertaxateur ter zitting ingetrokken. Afschrijvingsmethode 4.16. Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Is sprake van meer dan normale gebruiksschade? 4.17. De taxateur van belanghebbende heeft voor auto 2 schade geconstateerd voor een bedrag van € 13.289 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 21.500. De hertaxateur van DRZ heeft voor auto 2 ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 346 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. 4.18. De rechtbank stelt vast dat beide partijen uitgaan van een waardevermindering wegens schade en is daarom van oordeel dat de afschrijving in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. In het ontbreken van de (juiste) inkoopfactuur ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport buiten beschouwing te laten. Wel kunnen gebreken aan het taxatierapport gevolgen hebben voor de bewijskracht daarvan. Handelsinkoopwaarde 4.19. Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde van € 34.000 zoals door haar taxateur is vastgesteld. Hij is voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde uitgegaan van de gemiddelde verkoopprijzen van referentievoertuigen (marktonderzoek). De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze handelsinkoopwaarde niet aannemelijk heeft gemaakt. De taxateur heeft in zijn taxatierapport opgenomen dat “ongeveer 35% van de vraagprijs is afgetrokken”. De taxateur heeft deze handelsmarge niet verder onderbouwd. 4.20. Belanghebbende heeft bij de aanvullende gronden van haar beroepschrift een koerslijst van Xray overgelegd waaruit een handelsinkoopwaarde blijkt van € 46.521. De inspecteur heeft deze koerslijst gemotiveerd betwist en onder andere gesteld dat deze koerslijst niet ten tijde van het doen van de aangifte beschikbaar kan zijn geweest aangezien de taxateur deze dan wel bij de stukken zou hebben gevoegd. Dit geldt temeer omdat in het overzicht dat de taxateur bij zijn taxatierapport heeft gevoegd in de middelste kolom een handelsinkoopwaarde van € 60.519 is vermeld op basis van een koerslijst van AutotelexPro. Indien op het moment van taxatie een koerslijst voorhanden zou zijn geweest met een lagere handelsinkoopwaarde dan zou die wel op het betreffende overzicht zijn vermeld, aldus de inspecteur. 4.21. De rechtbank stelt vast dat als calculatiedatum 23 februari 2022 op de koerslijst van Xray staat vermeld terwijl de aangifte op 7 september 2021 is gedaan. Gelet daarop en gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de koerslijst van Xray reeds voorhanden was op het moment van doen van aangifte. De rechtbank laat deze koerslijst daarom buiten beschouwing en stelt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vast op € 57.851 volgens het rapport van hertaxatie van DRZ. Waardevermindering wegens schade 4.22. Met betrekking tot de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat voor auto 2 vast op € 57.602. Historische nieuwprijs 4.23. Belanghebbende heeft gesteld dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 129.422. De rechtbank stelt vast dat dit standpunt niet kan leiden tot een verlaging van de naheffingsaanslag zodat deze geen behandeling meer behoeft. Conclusie auto 2 4.24. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde Bpm voor auto 2 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel meest gunstig is zoals toegepast bij de naheffingsaanslag. Het beroep met zaaknummer 23/10440 moet daarom ongegrond worden verklaard. Immateriële schadevergoeding 4.25. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift van 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 4.26. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het oudste bezwaarschrift op 9 mei 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 4 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 24 maanden overschreden. De rechtbank merkt de zaken 23/10440 en 23/10441 aan als samenhangende zaken. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van eenmaal € 2.000. 4.27. Omdat de bezwaarfase afgerond 18 maanden heeft geduurd en daarmee 12 maanden te lang, komt € 1.000 (12/24e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.000) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 5. De beroepen zijn ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000. 5.1.
Volledig
De rechtbank stelt vast dat beide partijen uitgaan van een waardevermindering wegens schade en is daarom van oordeel dat de afschrijving in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. In het ontbreken van de (juiste) inkoopfactuur ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport buiten beschouwing te laten. Wel kunnen gebreken aan het taxatierapport gevolgen hebben voor de bewijskracht daarvan. Handelsinkoopwaarde 4.10. Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde van € 34.300 zoals door haar taxateur is vastgesteld. Hij is voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde uitgegaan van de gemiddelde verkoopprijzen van referentievoertuigen (marktonderzoek). De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze handelsinkoopwaarde niet aannemelijk heeft gemaakt. De taxateur heeft in zijn taxatierapport opgenomen dat “ongeveer 35% van de vraagprijs is afgetrokken”. De taxateur heeft deze handelsmarge niet verder onderbouwd. Belanghebbende heeft geen subsidiair standpunt ingenomen zodat de rechtbank zal uitgaan van de handelsinkoopwaarde zoals door DRZ is vastgesteld. Waardevermindering wegens schade 4.11. Met betrekking tot de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat voor auto 1 vast op € 60.869. Historische nieuwprijs 4.12. Voor zover de historische nieuwprijs nog in geschil was stelt de rechtbank vast dat de hertaxateur van DRZ uitgaat van een hogere historische nieuwprijs dan waar de taxateur van belanghebbende vanuit gaat zodat dit punt geen behandeling meer behoeft. Conclusie auto 1 4.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde Bpm voor auto 1 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel meest gunstig is zoals toegepast bij de naheffingsaanslag. Het beroep met zaaknummer 23/10441 moet daarom ongegrond worden verklaard. Auto 2 (zaaknummer 23/10440) 4.14. Tussen partijen is in geschil welke afschrijvingsmethode van toepassing is. Verder is in geschil de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat. 4.15. Belanghebbende heeft zijn standpunt met betrekking tot de onafhankelijkheid en deskundigheid van de hertaxateur ter zitting ingetrokken. Afschrijvingsmethode 4.16. Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Is sprake van meer dan normale gebruiksschade? 4.17. De taxateur van belanghebbende heeft voor auto 2 schade geconstateerd voor een bedrag van € 13.289 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 21.500. De hertaxateur van DRZ heeft voor auto 2 ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 346 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. 4.18. De rechtbank stelt vast dat beide partijen uitgaan van een waardevermindering wegens schade en is daarom van oordeel dat de afschrijving in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. In het ontbreken van de (juiste) inkoopfactuur ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport buiten beschouwing te laten. Wel kunnen gebreken aan het taxatierapport gevolgen hebben voor de bewijskracht daarvan. Handelsinkoopwaarde 4.19. Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde van € 34.000 zoals door haar taxateur is vastgesteld. Hij is voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde uitgegaan van de gemiddelde verkoopprijzen van referentievoertuigen (marktonderzoek). De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende deze handelsinkoopwaarde niet aannemelijk heeft gemaakt. De taxateur heeft in zijn taxatierapport opgenomen dat “ongeveer 35% van de vraagprijs is afgetrokken”. De taxateur heeft deze handelsmarge niet verder onderbouwd. 4.20. Belanghebbende heeft bij de aanvullende gronden van haar beroepschrift een koerslijst van Xray overgelegd waaruit een handelsinkoopwaarde blijkt van € 46.521. De inspecteur heeft deze koerslijst gemotiveerd betwist en onder andere gesteld dat deze koerslijst niet ten tijde van het doen van de aangifte beschikbaar kan zijn geweest aangezien de taxateur deze dan wel bij de stukken zou hebben gevoegd. Dit geldt temeer omdat in het overzicht dat de taxateur bij zijn taxatierapport heeft gevoegd in de middelste kolom een handelsinkoopwaarde van € 60.519 is vermeld op basis van een koerslijst van AutotelexPro. Indien op het moment van taxatie een koerslijst voorhanden zou zijn geweest met een lagere handelsinkoopwaarde dan zou die wel op het betreffende overzicht zijn vermeld, aldus de inspecteur. 4.21. De rechtbank stelt vast dat als calculatiedatum 23 februari 2022 op de koerslijst van Xray staat vermeld terwijl de aangifte op 7 september 2021 is gedaan. Gelet daarop en gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de koerslijst van Xray reeds voorhanden was op het moment van doen van aangifte. De rechtbank laat deze koerslijst daarom buiten beschouwing en stelt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vast op € 57.851 volgens het rapport van hertaxatie van DRZ. Waardevermindering wegens schade 4.22. Met betrekking tot de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat voor auto 2 vast op € 57.602. Historische nieuwprijs 4.23. Belanghebbende heeft gesteld dat de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld op € 129.422. De rechtbank stelt vast dat dit standpunt niet kan leiden tot een verlaging van de naheffingsaanslag zodat deze geen behandeling meer behoeft. Conclusie auto 2 4.24. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verschuldigde Bpm voor auto 2 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel meest gunstig is zoals toegepast bij de naheffingsaanslag. Het beroep met zaaknummer 23/10440 moet daarom ongegrond worden verklaard. Immateriële schadevergoeding 4.25. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift van 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 4.26. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het oudste bezwaarschrift op 9 mei 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 4 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 24 maanden overschreden. De rechtbank merkt de zaken 23/10440 en 23/10441 aan als samenhangende zaken. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van eenmaal € 2.000. 4.27. Omdat de bezwaarfase afgerond 18 maanden heeft geduurd en daarmee 12 maanden te lang, komt € 1.000 (12/24e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.000) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 5. De beroepen zijn ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000. 5.1.