Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:3766
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,095 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3766 text/xml public 2026-05-12T14:00:24 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 25/218 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3766 text/html public 2026-05-11T13:36:59 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3766 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 25/218 8:54; De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende van 12 maart 2019 tot 17 februari 2023 in staat van faillissement verkeerde. In die periode handelt de curator namens belanghebbende. De curator heeft geen bezwaar gemaakt. De rechtbank is niet gebleken dat de geschetste omstandigheden ertoe hebben geleid dat het bezwaar na het verstrijken van de termijn is ingediend als gevolg van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling dat belanghebbende niet is geïnformeerd door de curator, te algemeen om ervan uit te gaan dat belanghebbende niet eerder op de hoogte is geraakt van de aanslag en niet eerder een (pro forma) bezwaarschrift had kunnen indienen. Bovendien is de stelling ook niet onderbouwd met nadere (bewijs)stukken. Verder is aan belanghebbende zelf op 11 mei 2024 een mededeling RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/218 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 december 2024. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2017 met [aanslagnummer] .H.76.01 en bij beschikking opgelegde boete en in rekening gebrachte belastingrente. 1.1. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. Voor zover het beroep gericht is tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering in de brief van 6 december 2024, is deze kennelijk niet-ontvankelijk. Toetsingskader 3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. 3.1. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. Is het bezwaarschrift te laat ingediend? 4. Vast staat dat de dagtekening van de aanslag 3 augustus 2021 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De rechtbank merkt op dat de aanslag IB/PVV 2017 naar het adres van de curator is gestuurd, omdat belanghebbende op dat moment in staat van faillissement verkeerde. Daarmee is de aanslag rechtsgeldig bekendgemaakt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 14 september 2021. Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 25 september 2024, ontvangen op 26 september 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2017. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift was toen ruimschoots verstreken. Is het te laat indienen verontschuldigbaar? 5. Belanghebbende stelt dat hij door een periode van handelingsonbekwaamheid en persoonlijk faillissement niet is geïnformeerd over de aanslag IB/PVV 2017 en de bezwaartermijn om die reden niet is ingegaan. 5.1. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende van 12 maart 2019 tot 17 februari 2023 in staat van faillissement verkeerde. In die periode handelt de curator namens belanghebbende. De curator heeft geen bezwaar gemaakt. De rechtbank is niet gebleken dat de geschetste omstandigheden ertoe hebben geleid dat het bezwaar na het verstrijken van de termijn is ingediend als gevolg van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling dat belanghebbende niet is geïnformeerd door de curator, te algemeen om ervan uit te gaan dat belanghebbende niet eerder op de hoogte is geraakt van de aanslag en niet eerder een (pro forma) bezwaarschrift had kunnen indienen. Bovendien is de stelling ook niet onderbouwd met nadere (bewijs)stukken. Verder is aan belanghebbende zelf op 11 mei 2024 een mededeling gedaan dat er een bedrag open stond en was hij dus op de hoogte dat de aanslag was opgelegd, maar heeft hij vervolgens pas 25 september 2024 bezwaar gemaakt. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Ambtshalve beslissing 6. De inspecteur heeft in de brief van 6 december 2024 het bezwaar van belanghebbende tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen. Uit het beroepschrift van belanghebbende volgt dat het tevens is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Tegen deze ambtshalve beslissing moet echter als uitgangspunt eerst bezwaar worden gemaakt, voordat beroep kan worden ingesteld. Dit is anders indien partijen instemmen met direct beroep (prorogatie). 6.1. Belanghebbende heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank met de vraag of hij de bezwaarfase wenst over te slaan. De rechtbank heeft daarom alleen het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar beoordeeld en niet ook de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank zal het beroepschrift mede aanmerken als bezwaarschrift tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en de inspecteur opdragen om het bezwaar in behandeling te nemen. Feitelijke doorzending van het beroepschrift zal achterwege blijven, aangezien de inspecteur al over de stukken beschikt. Conclusie en gevolgen 7. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond; verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing; en draagt de inspecteur op het beroepschrift in behandeling te nemen als een bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 4 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3766 text/xml public 2026-05-12T14:00:24 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 25/218 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3766 text/html public 2026-05-11T13:36:59 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3766 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 25/218 8:54; De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende van 12 maart 2019 tot 17 februari 2023 in staat van faillissement verkeerde. In die periode handelt de curator namens belanghebbende. De curator heeft geen bezwaar gemaakt. De rechtbank is niet gebleken dat de geschetste omstandigheden ertoe hebben geleid dat het bezwaar na het verstrijken van de termijn is ingediend als gevolg van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling dat belanghebbende niet is geïnformeerd door de curator, te algemeen om ervan uit te gaan dat belanghebbende niet eerder op de hoogte is geraakt van de aanslag en niet eerder een (pro forma) bezwaarschrift had kunnen indienen. Bovendien is de stelling ook niet onderbouwd met nadere (bewijs)stukken. Verder is aan belanghebbende zelf op 11 mei 2024 een mededeling RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/218 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 december 2024. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2017 met [aanslagnummer] .H.76.01 en bij beschikking opgelegde boete en in rekening gebrachte belastingrente. 1.1. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. Voor zover het beroep gericht is tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering in de brief van 6 december 2024, is deze kennelijk niet-ontvankelijk. Toetsingskader 3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. 3.1. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. Is het bezwaarschrift te laat ingediend? 4. Vast staat dat de dagtekening van de aanslag 3 augustus 2021 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De rechtbank merkt op dat de aanslag IB/PVV 2017 naar het adres van de curator is gestuurd, omdat belanghebbende op dat moment in staat van faillissement verkeerde. Daarmee is de aanslag rechtsgeldig bekendgemaakt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 14 september 2021. Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 25 september 2024, ontvangen op 26 september 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2017. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift was toen ruimschoots verstreken. Is het te laat indienen verontschuldigbaar? 5. Belanghebbende stelt dat hij door een periode van handelingsonbekwaamheid en persoonlijk faillissement niet is geïnformeerd over de aanslag IB/PVV 2017 en de bezwaartermijn om die reden niet is ingegaan. 5.1. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende van 12 maart 2019 tot 17 februari 2023 in staat van faillissement verkeerde. In die periode handelt de curator namens belanghebbende. De curator heeft geen bezwaar gemaakt. De rechtbank is niet gebleken dat de geschetste omstandigheden ertoe hebben geleid dat het bezwaar na het verstrijken van de termijn is ingediend als gevolg van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling dat belanghebbende niet is geïnformeerd door de curator, te algemeen om ervan uit te gaan dat belanghebbende niet eerder op de hoogte is geraakt van de aanslag en niet eerder een (pro forma) bezwaarschrift had kunnen indienen. Bovendien is de stelling ook niet onderbouwd met nadere (bewijs)stukken. Verder is aan belanghebbende zelf op 11 mei 2024 een mededeling gedaan dat er een bedrag open stond en was hij dus op de hoogte dat de aanslag was opgelegd, maar heeft hij vervolgens pas 25 september 2024 bezwaar gemaakt. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Ambtshalve beslissing 6. De inspecteur heeft in de brief van 6 december 2024 het bezwaar van belanghebbende tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen. Uit het beroepschrift van belanghebbende volgt dat het tevens is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Tegen deze ambtshalve beslissing moet echter als uitgangspunt eerst bezwaar worden gemaakt, voordat beroep kan worden ingesteld. Dit is anders indien partijen instemmen met direct beroep (prorogatie). 6.1. Belanghebbende heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank met de vraag of hij de bezwaarfase wenst over te slaan. De rechtbank heeft daarom alleen het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar beoordeeld en niet ook de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank zal het beroepschrift mede aanmerken als bezwaarschrift tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en de inspecteur opdragen om het bezwaar in behandeling te nemen. Feitelijke doorzending van het beroepschrift zal achterwege blijven, aangezien de inspecteur al over de stukken beschikt. Conclusie en gevolgen 7. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond; verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing; en draagt de inspecteur op het beroepschrift in behandeling te nemen als een bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 4 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.