Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:3756
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,070 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3756 text/xml public 2026-05-12T14:00:31 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 23/10188 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3756 text/html public 2026-05-11T14:37:33 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3756 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 23/10188 Navorderingsaanslag IB/PVV, nieuw feit, moment afwikkeling aanspraak. Beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/10188 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 september 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 241.460. 1.2. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 11.415 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en € 39.810 aan revisierente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de beschikking revisierente vernietigd en de belastingrente herrekend tot € 8.185. De navorderingsaanslag is in stand gebleven. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende bijgestaan door [voormalig gemachtigde] (voormalig gemachtigde) en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] en mr. [inspecteur 4] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur mocht navorderen en of de waarde van de lijfrenteaanspraak van belanghebbende terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning over 2019 is gerekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank beschikt de inspecteur over het voor navordering vereiste nieuw feit. Verder is de waarde van de lijfrenteaanspraak van belanghebbende terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning over 2019 gerekend . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende was vanaf de oprichting op 25 oktober 2001 directeur-grootaandeelhouder van [b.v.] (de BV). De BV is op 21 februari 2023 ontbonden. 3.1. Op 1 oktober 2001 is de dienstbetrekking van belanghebbende bij zijn voormalige werkgever beëindigd. Ter zake van dit ontslag is een ontslagvergoeding overeengekomen van € 208.182. Op 15 oktober 2001 heeft belanghebbende een stamrechtovereenkomst met de BV gesloten, waarbij is overeengekomen dat de ontslagvergoeding in de BV zal worden gestort en deze wordt aangewend als koopsom voor een recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd loon als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964, tekst 2001) (de aanspraak). 3.2. Op 1 juli 2002 heeft belanghebbende een aflossingsvrije lening van € 91.700 bij de BV afgesloten met een looptijd van 30 jaar en een rente van 5,3% nominaal per jaar. De renteopbrengsten zijn door de BV jaarlijks aangegeven en door belanghebbende aan de BV betaald. Per ultimo 2015 is de stand van de lening € 92.090. 3.3. Belanghebbende heeft op 28 mei 2018 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. 3.4. De aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) over het jaar 2015 ten name van de BV is ingediend naar een verlies van € 13.394. Op de balans is onder meer een voorziening voor lijfrente, stamrecht of pensioen van € 199.051 (de voorziening) en een vordering op belanghebbende van € 92.090 aangegeven. Het eigen vermogen van de BV is € 196.651 negatief. De inspecteur heeft de aanslag Vpb over het jaar 2015 overeenkomstig de aangifte opgelegd. 3.5. Over de jaren 2016, 2017 en 2018 zijn ten name van de BV geen aangiften Vpb ingediend, ondanks dat deze daartoe was uitgenodigd. 3.6. Per 30 december 2019 heeft de BV de boekhouding afgesloten en zich afgemeld als belastingplichtige voor de Vpb. 3.7. Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2019 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.409. 3.8. Ten name van de BV is op 6 oktober 2020 de aangifte Vpb over het jaar 2019 ingediend naar een belastbaar bedrag van nihil. Volgens de eindbalans bedragen alle activa en passiva nihil. De voorziening voor lijfrente, stamrecht of pensioen alsmede de rekening-courantvordering van de BV op belanghebbende worden niet meer vermeld. 3.9. Met dagtekening 16 oktober 2020 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 overeenkomstig de aangifte opgelegd. 3.10. Naar aanleiding van de ingediende aangifte Vpb over het jaar 2019 heeft de inspecteur met dagtekening 8 februari 2022 verzocht om nadere informatie over de belastbare winst van de BV. 3.11. Op 27 februari 2022 heeft de inspecteur een reactie van de voormalig gemachtigde van belanghebbende ontvangen. De aangifte Vpb over het jaar 2019 is ingediend naar nihil om de termijn te waarborgen en omdat belanghebbende dacht dat de BV inmiddels ‘leeg’ was vanwege zware verliezen in het verleden. De voormalig gemachtigde heeft verder aangegeven niet te beschikken over nadere informatie om de vragen van de inspecteur te kunnen beantwoorden. 3.12. De inspecteur heeft de aanslag Vpb over het jaar 2019 overeenkomstig de aangifte opgelegd. 3.13. De inspecteur heeft belanghebbende op 22 juni 2022 geïnformeerd dat hij voornemens is om een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 op te leggen, omdat naar zijn mening sprake is van afkoop / afzien van de aanspraak De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij de volledige waarde van de voorziening van € 199.051 in de heffing is betrokken. Tevens is revisierente in rekening gebracht. 3.14. Uit de informatie die door belanghebbende gedurende de bezwaarfase is verstrekt, volgt dat sprake was van een zogenaamd loonstamrecht. Hierover is geen revisierente verschuldigd. Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond verklaard. Motivering Vooraf 4. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft aangeleverd en wees hierbij met name op de stamrechtovereenkomst en het mandaatbesluit van de behandelaar die de navorderingsaanslag heeft opgelegd. Vanwege het ontbreken van het mandaatbesluit betwistte belanghebbende de bevoegdheid van de behandelaar om de navorderingsaanslag op te leggen. 4.1. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat deze stukken inmiddels wel tot het dossier behoren en heeft tevens aangegeven geen weet te hebben van andere stukken die zouden ontbreken. Alleen de stukken waarvan de geheimhoudingskamer heeft geoordeeld dat die geheimgehouden mogen worden, behoren niet tot het dossier. De rechtbank acht aannemelijk dat alle op de zaak betrekking hebben stukken tot het dossier behoren. De rechtbank stelt vast dat uit het door de inspecteur overgelegde mandaatbesluit volgt dat de behandelaar van de navorderingsaanslag bevoegd was om deze navorderingsaanslag op te leggen. Nieuw feit 4.2. Indien een feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld (een zogenaamd nieuw feit), kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, tenzij de belastingplichtige ten aanzien van dit feit te kwader trouw is. 4.3. Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3756 text/xml public 2026-05-12T14:00:31 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 23/10188 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3756 text/html public 2026-05-11T14:37:33 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3756 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 23/10188 Navorderingsaanslag IB/PVV, nieuw feit, moment afwikkeling aanspraak. Beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/10188 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 september 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 241.460. 1.2. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 11.415 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en € 39.810 aan revisierente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de beschikking revisierente vernietigd en de belastingrente herrekend tot € 8.185. De navorderingsaanslag is in stand gebleven. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende bijgestaan door [voormalig gemachtigde] (voormalig gemachtigde) en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] en mr. [inspecteur 4] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur mocht navorderen en of de waarde van de lijfrenteaanspraak van belanghebbende terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning over 2019 is gerekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank beschikt de inspecteur over het voor navordering vereiste nieuw feit. Verder is de waarde van de lijfrenteaanspraak van belanghebbende terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning over 2019 gerekend . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende was vanaf de oprichting op 25 oktober 2001 directeur-grootaandeelhouder van [b.v.] (de BV). De BV is op 21 februari 2023 ontbonden. 3.1. Op 1 oktober 2001 is de dienstbetrekking van belanghebbende bij zijn voormalige werkgever beëindigd. Ter zake van dit ontslag is een ontslagvergoeding overeengekomen van € 208.182. Op 15 oktober 2001 heeft belanghebbende een stamrechtovereenkomst met de BV gesloten, waarbij is overeengekomen dat de ontslagvergoeding in de BV zal worden gestort en deze wordt aangewend als koopsom voor een recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd loon als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964, tekst 2001) (de aanspraak). 3.2. Op 1 juli 2002 heeft belanghebbende een aflossingsvrije lening van € 91.700 bij de BV afgesloten met een looptijd van 30 jaar en een rente van 5,3% nominaal per jaar. De renteopbrengsten zijn door de BV jaarlijks aangegeven en door belanghebbende aan de BV betaald. Per ultimo 2015 is de stand van de lening € 92.090. 3.3. Belanghebbende heeft op 28 mei 2018 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. 3.4. De aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) over het jaar 2015 ten name van de BV is ingediend naar een verlies van € 13.394. Op de balans is onder meer een voorziening voor lijfrente, stamrecht of pensioen van € 199.051 (de voorziening) en een vordering op belanghebbende van € 92.090 aangegeven. Het eigen vermogen van de BV is € 196.651 negatief. De inspecteur heeft de aanslag Vpb over het jaar 2015 overeenkomstig de aangifte opgelegd. 3.5. Over de jaren 2016, 2017 en 2018 zijn ten name van de BV geen aangiften Vpb ingediend, ondanks dat deze daartoe was uitgenodigd. 3.6. Per 30 december 2019 heeft de BV de boekhouding afgesloten en zich afgemeld als belastingplichtige voor de Vpb. 3.7. Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2019 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.409. 3.8. Ten name van de BV is op 6 oktober 2020 de aangifte Vpb over het jaar 2019 ingediend naar een belastbaar bedrag van nihil. Volgens de eindbalans bedragen alle activa en passiva nihil. De voorziening voor lijfrente, stamrecht of pensioen alsmede de rekening-courantvordering van de BV op belanghebbende worden niet meer vermeld. 3.9. Met dagtekening 16 oktober 2020 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 overeenkomstig de aangifte opgelegd. 3.10. Naar aanleiding van de ingediende aangifte Vpb over het jaar 2019 heeft de inspecteur met dagtekening 8 februari 2022 verzocht om nadere informatie over de belastbare winst van de BV. 3.11. Op 27 februari 2022 heeft de inspecteur een reactie van de voormalig gemachtigde van belanghebbende ontvangen. De aangifte Vpb over het jaar 2019 is ingediend naar nihil om de termijn te waarborgen en omdat belanghebbende dacht dat de BV inmiddels ‘leeg’ was vanwege zware verliezen in het verleden. De voormalig gemachtigde heeft verder aangegeven niet te beschikken over nadere informatie om de vragen van de inspecteur te kunnen beantwoorden. 3.12. De inspecteur heeft de aanslag Vpb over het jaar 2019 overeenkomstig de aangifte opgelegd. 3.13. De inspecteur heeft belanghebbende op 22 juni 2022 geïnformeerd dat hij voornemens is om een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 op te leggen, omdat naar zijn mening sprake is van afkoop / afzien van de aanspraak De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij de volledige waarde van de voorziening van € 199.051 in de heffing is betrokken. Tevens is revisierente in rekening gebracht. 3.14. Uit de informatie die door belanghebbende gedurende de bezwaarfase is verstrekt, volgt dat sprake was van een zogenaamd loonstamrecht. Hierover is geen revisierente verschuldigd. Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond verklaard. Motivering Vooraf 4. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft aangeleverd en wees hierbij met name op de stamrechtovereenkomst en het mandaatbesluit van de behandelaar die de navorderingsaanslag heeft opgelegd. Vanwege het ontbreken van het mandaatbesluit betwistte belanghebbende de bevoegdheid van de behandelaar om de navorderingsaanslag op te leggen. 4.1. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat deze stukken inmiddels wel tot het dossier behoren en heeft tevens aangegeven geen weet te hebben van andere stukken die zouden ontbreken. Alleen de stukken waarvan de geheimhoudingskamer heeft geoordeeld dat die geheimgehouden mogen worden, behoren niet tot het dossier. De rechtbank acht aannemelijk dat alle op de zaak betrekking hebben stukken tot het dossier behoren. De rechtbank stelt vast dat uit het door de inspecteur overgelegde mandaatbesluit volgt dat de behandelaar van de navorderingsaanslag bevoegd was om deze navorderingsaanslag op te leggen. Nieuw feit 4.2. Indien een feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld (een zogenaamd nieuw feit), kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, tenzij de belastingplichtige ten aanzien van dit feit te kwader trouw is. 4.3. Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden.
Volledig
Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. 4.4. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikt, omdat deze al in 2002 dan wel 2015 beschikte over informatie waaruit hij had kunnen afleiden dat sprake is van afkoop / afzien van de voorziening. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij pas na de aangifte Vpb over 2019 over informatie beschikte op basis waarvan geconcludeerd kon worden dat definitief van de lijfrenteaanspraak is afgezien. 4.5. De rechtbank zal hierna vanaf overweging 4.7 beoordelen of de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden hebben geleid tot afkoop of afzien van de voorziening. Voor de vraag of sprake is van een nieuw feit gaat het erom of de inspecteur gelet op de omstandigheden had moeten twijfelen aan de juistheid van de aangifte. De rechtbank vindt van niet. Dat in 2002 een lening tussen belanghebbende en de BV is aangegaan van € 91.700, hoeft namelijk niet te betekenen dat de voorziening is afgekocht. Het was met alleen die informatie niet onwaarschijnlijk, zelfs goed denkbaar, dat de lening terugbetaald had kunnen worden. Ook de financiële gegevens in de aangifte Vpb 2015 zijn onvoldoende om te concluderen dat het niet juist kon zijn om de voorziening op de balans op te nemen, zeker omdat de BV ook een vordering had op belanghebbende en toekomstige uitkeringen daarmee mogelijk kon verrekenen. 4.6. Voor het eerst in de aangifte Vpb 2019 was de voorziening niet meer opgenomen. In de aangifte Vpb van de BV over het jaar 2019 heeft de inspecteur aanleiding gezien om nader onderzoek te doen en afgeleid dat in 2019 sprake is van afkoop / afzien van de lijfrenteaanspraak. De aangifte Vpb 2019 is ontvangen op 6 oktober 2020. De primitieve aanslag IB/PVV 2019 is tien dagen na ontvangst van de aangifte Vpb 2019 opgelegd. De rechtbank acht aannemelijk dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2019 nog geen kennis had genomen van de aangifte Vpb 2019 en daar ook niet redelijkerwijs bekend mee kon zijn. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte de inspecteur over een nieuw feit op basis waarvan hij tot navordering kon overgaan. Het moment van afwikkeling van de lijfrente 4.7. Partijen zijn het erover eens dat de lijfrente op enig moment is afgekocht dan wel prijsgegeven, maar zij verschillen van mening over het moment waarop dit heeft plaatsgevonden. 4.8. Belanghebbende betoogt dat reeds in 2002 sprake was van afkoop, omdat de BV een lening verstrekte aan belanghebbende en belanghebbende niet over de benodigde middelen beschikte om de lening terug te betalen. Verder betoogt belanghebbende dat de afkoop in 2015 in aanmerking had moeten worden genomen, omdat in de aangifte Vpb over dat jaar een negatief eigen vermogen te zien is. Tot slot stelt belanghebbende dat de inspecteur uit het ontbreken van de aangifte Vpb over 2016 had moeten afleiden dat in 2016 van de lijfrenteafspraak is afgezien. 4.9. De inspecteur stelt dat hij terecht uit de aangifte Vpb 2019 en het sluiten van de boekhouding heeft afgeleid dat in 2019 definitief is afgezien van de lijfrente-aanspraak. Bovendien is er door het vervallen van de vordering op belanghebbende naar mening van de inspecteur sprake van afkoop van de lijfrente-aanspraak. Tot slot wijst de inspecteur erop dat belanghebbende in 2018 de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, zodat uiterlijk op 31 december 2019 een lijfrente had moeten worden aangekocht. 4.10. De rechtbank overweegt dat het belastbare loon voor de inkomstenbelasting wordt vastgesteld conform de bepalingen van de Wet LB 1964. Vaststaat dat de voorziening is gevormd vanwege de aanspraak van belanghebbende op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet LB 1964 (tekst 2001, zie 3.1). Artikel 19b, eerste lid, van de Wet LB 1964 (tekst 2013) bepaalde voor zover hier van belang: “1. Ingeval op enig tijdstip: (…) b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt; c. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b, wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is; (…) wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak. (…) 8. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, en stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 11a.” In overgangsrecht is bepaald dat dit artikel ook na 2013 van toepassing blijft met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande aanspraken. 4.11. De waarde van de aanspraak dient te worden gesteld op het bedrag dat bij een derde zou moeten worden gestort teneinde de aanspraak te dekken. 4.12. De rechtbank stelt vast dat de voorziening in de aangifte Vpb 2015 nog op de balans van de BV stond. In de eerstvolgende ingediende aangifte Vpb, zijnde de aangifte over 2019, is de voorziening verdwenen. De BV heeft eind 2019 haar activiteiten beëindigd, de boekhouding afgesloten en zich afgemeld als belastingplichtige voor de Vpb. Zowel de voorziening als de vordering op belanghebbende zijn hierbij teniet gegaan. Het is onduidelijk in welke volgorde een en ander heeft plaatsgevonden, maar dat maakt voor de belastbaarheid niet uit. Als eerst de beslissing is genomen om de aanspraak prijs te geven en de voorziening is komen te vervallen, betekent dit dat in 2019 van de aanspraak is afgezien. Indien daarvoor al de vordering van de BV op belanghebbende is prijsgegeven, is daarmee gezien de omstandigheden feitelijk een deel van de lijfrente ineens aan belanghebbende uitgekeerd. De aanspraak is dan daardoor afgekocht. In beide gevallen is de aanspraak dus als uitgangspunt in 2019 belast. Het is aan belanghebbende om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat de voorziening feitelijk reeds op een eerder moment is afgekocht of prijsgegeven, waardoor in 2019 niet meer aan belastingheffing wordt toegekomen. 4.13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de aanspraak reeds in een eerder jaar is afgekocht of prijsgegeven. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat belanghebbende in 2002 niet over voldoende privémiddelen beschikte om de lening terug te betalen. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd om de financiële positie waarin hij verkeerde te onderbouwen. Bovendien had belanghebbende destijds de verwachting om met de nieuw opgericht onderneming inkomen te gaan genereren, waarmee hij de lening kon afbetalen. In 2015 was de financiële positie van de BV verslechterd, maar de BV had de toekomstige uitkeringen kunnen verrekenen met de vordering van de BV op belanghebbende. Ook voor dit jaar is verder niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de lening niet zou kunnen terugbetalen. Over het jaar 2016 heeft de BV geen aangifte gedaan. De inspecteur beschikte destijds dus niet over informatie waaruit kon worden opgemaakt dat de voorziening was afgekocht of prijsgegeven. Belanghebbende heeft die informatie ook niet in het kader van deze procedure verstrekt. 4.14.
Volledig
Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. 4.4. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikt, omdat deze al in 2002 dan wel 2015 beschikte over informatie waaruit hij had kunnen afleiden dat sprake is van afkoop / afzien van de voorziening. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij pas na de aangifte Vpb over 2019 over informatie beschikte op basis waarvan geconcludeerd kon worden dat definitief van de lijfrenteaanspraak is afgezien. 4.5. De rechtbank zal hierna vanaf overweging 4.7 beoordelen of de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden hebben geleid tot afkoop of afzien van de voorziening. Voor de vraag of sprake is van een nieuw feit gaat het erom of de inspecteur gelet op de omstandigheden had moeten twijfelen aan de juistheid van de aangifte. De rechtbank vindt van niet. Dat in 2002 een lening tussen belanghebbende en de BV is aangegaan van € 91.700, hoeft namelijk niet te betekenen dat de voorziening is afgekocht. Het was met alleen die informatie niet onwaarschijnlijk, zelfs goed denkbaar, dat de lening terugbetaald had kunnen worden. Ook de financiële gegevens in de aangifte Vpb 2015 zijn onvoldoende om te concluderen dat het niet juist kon zijn om de voorziening op de balans op te nemen, zeker omdat de BV ook een vordering had op belanghebbende en toekomstige uitkeringen daarmee mogelijk kon verrekenen. 4.6. Voor het eerst in de aangifte Vpb 2019 was de voorziening niet meer opgenomen. In de aangifte Vpb van de BV over het jaar 2019 heeft de inspecteur aanleiding gezien om nader onderzoek te doen en afgeleid dat in 2019 sprake is van afkoop / afzien van de lijfrenteaanspraak. De aangifte Vpb 2019 is ontvangen op 6 oktober 2020. De primitieve aanslag IB/PVV 2019 is tien dagen na ontvangst van de aangifte Vpb 2019 opgelegd. De rechtbank acht aannemelijk dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2019 nog geen kennis had genomen van de aangifte Vpb 2019 en daar ook niet redelijkerwijs bekend mee kon zijn. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte de inspecteur over een nieuw feit op basis waarvan hij tot navordering kon overgaan. Het moment van afwikkeling van de lijfrente 4.7. Partijen zijn het erover eens dat de lijfrente op enig moment is afgekocht dan wel prijsgegeven, maar zij verschillen van mening over het moment waarop dit heeft plaatsgevonden. 4.8. Belanghebbende betoogt dat reeds in 2002 sprake was van afkoop, omdat de BV een lening verstrekte aan belanghebbende en belanghebbende niet over de benodigde middelen beschikte om de lening terug te betalen. Verder betoogt belanghebbende dat de afkoop in 2015 in aanmerking had moeten worden genomen, omdat in de aangifte Vpb over dat jaar een negatief eigen vermogen te zien is. Tot slot stelt belanghebbende dat de inspecteur uit het ontbreken van de aangifte Vpb over 2016 had moeten afleiden dat in 2016 van de lijfrenteafspraak is afgezien. 4.9. De inspecteur stelt dat hij terecht uit de aangifte Vpb 2019 en het sluiten van de boekhouding heeft afgeleid dat in 2019 definitief is afgezien van de lijfrente-aanspraak. Bovendien is er door het vervallen van de vordering op belanghebbende naar mening van de inspecteur sprake van afkoop van de lijfrente-aanspraak. Tot slot wijst de inspecteur erop dat belanghebbende in 2018 de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, zodat uiterlijk op 31 december 2019 een lijfrente had moeten worden aangekocht. 4.10. De rechtbank overweegt dat het belastbare loon voor de inkomstenbelasting wordt vastgesteld conform de bepalingen van de Wet LB 1964. Vaststaat dat de voorziening is gevormd vanwege de aanspraak van belanghebbende op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet LB 1964 (tekst 2001, zie 3.1). Artikel 19b, eerste lid, van de Wet LB 1964 (tekst 2013) bepaalde voor zover hier van belang: “1. Ingeval op enig tijdstip: (…) b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt; c. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b, wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is; (…) wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak. (…) 8. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, en stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 11a.” In overgangsrecht is bepaald dat dit artikel ook na 2013 van toepassing blijft met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande aanspraken. 4.11. De waarde van de aanspraak dient te worden gesteld op het bedrag dat bij een derde zou moeten worden gestort teneinde de aanspraak te dekken. 4.12. De rechtbank stelt vast dat de voorziening in de aangifte Vpb 2015 nog op de balans van de BV stond. In de eerstvolgende ingediende aangifte Vpb, zijnde de aangifte over 2019, is de voorziening verdwenen. De BV heeft eind 2019 haar activiteiten beëindigd, de boekhouding afgesloten en zich afgemeld als belastingplichtige voor de Vpb. Zowel de voorziening als de vordering op belanghebbende zijn hierbij teniet gegaan. Het is onduidelijk in welke volgorde een en ander heeft plaatsgevonden, maar dat maakt voor de belastbaarheid niet uit. Als eerst de beslissing is genomen om de aanspraak prijs te geven en de voorziening is komen te vervallen, betekent dit dat in 2019 van de aanspraak is afgezien. Indien daarvoor al de vordering van de BV op belanghebbende is prijsgegeven, is daarmee gezien de omstandigheden feitelijk een deel van de lijfrente ineens aan belanghebbende uitgekeerd. De aanspraak is dan daardoor afgekocht. In beide gevallen is de aanspraak dus als uitgangspunt in 2019 belast. Het is aan belanghebbende om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat de voorziening feitelijk reeds op een eerder moment is afgekocht of prijsgegeven, waardoor in 2019 niet meer aan belastingheffing wordt toegekomen. 4.13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de aanspraak reeds in een eerder jaar is afgekocht of prijsgegeven. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat belanghebbende in 2002 niet over voldoende privémiddelen beschikte om de lening terug te betalen. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd om de financiële positie waarin hij verkeerde te onderbouwen. Bovendien had belanghebbende destijds de verwachting om met de nieuw opgericht onderneming inkomen te gaan genereren, waarmee hij de lening kon afbetalen. In 2015 was de financiële positie van de BV verslechterd, maar de BV had de toekomstige uitkeringen kunnen verrekenen met de vordering van de BV op belanghebbende. Ook voor dit jaar is verder niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de lening niet zou kunnen terugbetalen. Over het jaar 2016 heeft de BV geen aangifte gedaan. De inspecteur beschikte destijds dus niet over informatie waaruit kon worden opgemaakt dat de voorziening was afgekocht of prijsgegeven. Belanghebbende heeft die informatie ook niet in het kader van deze procedure verstrekt. 4.14.