Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-03
ECLI:NL:RBZWB:2026:3691
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
15,355 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3691 text/xml public 2026-05-20T14:02:30 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-03 C/02/440771 / FA RK 25-5251 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3691 text/html public 2026-05-20T14:01:47 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3691 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-04-2026 / C/02/440771 / FA RK 25-5251 Vervangende toestemming verhuizing -afwijzing beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/440771 / FA RK 25-5251 Datum uitspraak: 3 april 2026 beschikking over vervangende toestemming verhuizing en hoofdverblijf in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken in Breda, tegen [de man] , hierna te noemen: de man, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal, over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1. In het dossier zitten de volgende stukken: het op 13 oktober 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen; het stelbericht van mr. De Jongh van 17 oktober 2025; het F9-bericht met bijlage van mr. Van Berckel-Van der Rijken van 27 oktober 2025; de brief van mr. Van Berckel-Van der Rijken van 30 oktober 2025; de oproepbrieven aan partijen van 5 november 2025; de F9-berichten (met bijlagen) van mr. De Jongh van 24 december 2025, 18 februari 2026 en 4 maart 2026; het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, ingekomen op 13 februari 2026; de brieven van de rechtbank aan partijen van 16 februari 2026; de oproepbrieven aan partijen van 20 februari 2026; het aanvullend verzoek, met bijlagen, van mr. Van Berckel-Van der Rijken, ingekomen op 2 maart 2026. 1.2. Op de zitting van 12 maart 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord: de vrouw, bijgestaan door mr. Van Berckel-Van der Rijken; de man, bijgestaan door mr. De Jongh; een vertegenwoordigster namens de Raad. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . 2.2. Tussen partijen is bij de rechtbank een echtscheidingsprocedure aanhangig met kenmerk C/02/435586 FA RK 25-2582. In deze procedure is, voor zover hier van belang, aan de orde het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en het vaststellen van een zorg- en contactregeling. Deze procedure staat gepland ter behandeling op de zitting van [datum] 2026. 2.3. Bij beschikking van [datum] 2025 heeft de rechtbank in het kader van een voorlopige voorziening onder meer bepaald dat [minderjarige 1] aan de vrouw wordt toevertrouwd. Daarnaast is de bepaald dat [minderjarige 1] bij de man verblijft: - in de ene week van donderdag uit school (de man haalt [minderjarige 1] uit school op) tot vrijdag aanvang school (de man brengt [minderjarige 1] naar school) en - in de andere week van donderdag uit school (de man haalt [minderjarige 1] uit school op) tot en met maandagochtend aanvang school (de man brengt [minderjarige 1] naar school) alsmede - tijdens de zomervakantie in de eerste, tweede en vijfde week, een en ander met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.9 van die beschikking van [datum] 2025 is overwogen. 3 De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: De vrouw toestemming te geven met de minderjarige [minderjarige 1] te verhuizen naar [plaats 2] en haar daar in te schrijven op een nog nader te bepalen basisschool, daarbij bepalend dat de noodzakelijke toestemming van de man wordt vervangen door de toestemming van de rechtbank. Bij brief van 2 maart 2026 is namens de vrouw aangegeven dat is bedoeld tevens te verzoeken het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vrouw te bepalen. Voor het geval het verhuisverzoek niet wordt toegewezen, verzoekt de vrouw de rechtbank geen oordeel te geven over het hoofdverblijf en zal in het kader van de echtscheidingsprocedure een beslissing genomen moeten worden over het hoofdverblijf en de uiteindelijke contactregeling. 3.2. De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit af te wijzen. Bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig verzoek verzoekt de man: I. te bepalen dat het de vrouw niet zal zijn toegestaan om met [minderjarige 1] te verhuizen naar [plaats 2] , althans een andere gemeente buiten [plaats 1] en het haar niet zal zijn toegestaan om [minderjarige 1] in te schrijven op een andere basisschool dan waar zij thans heen gaat; II. te bepalen dat, als de vrouw verhuist, [minderjarige 1] haar hoofdverblijf zal hebben bij de man tot aan het moment waarop de rechtbank in de echtscheidingsprocedure tussen partijen heeft beslist met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en daarbij te bepalen dat in dat geval een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden, waarbij [minderjarige 1] één weekend per twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vrouw verblijft, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, en waarbij de vrouw het halen en brengen voor haar rekening dient te nemen. 4 De standpunten De vrouw 4.1. Door en namens de vrouw is ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, aangevoerd dat de man tijdens het huwelijk van partijen meerdere malen heeft aangegeven de zorg voor [minderjarige 1] te zwaar te vinden en rust voor zichzelf nodig te hebben. Desondanks heeft de man in de voorlopige voorzieningenprocedure in eerste instantie om een co-ouderschapsregeling verzocht. De man woont sinds mei 2025 bij zijn ouders en doet met enige regelmaat een beroep op zijn ouders als het aankomt op de zorg voor [minderjarige 1] . De vrouw betwijfelt of hij de zorg op de huidige wijze kan inrichten als hij niet meer bij zijn ouders woont. De vrouw bepleit een regeling waarbij [minderjarige 1] wat minder frequent, maar dan wel wat langere tijd bij de man verblijft. Omdat de vrouw destijds zwanger was, is in de beschikking van de rechtbank van [datum] 2025 eveneens een regeling opgenomen voor het tweede kind van partijen. Op 17 juli 2025 is zoon [minderjarige 2] geboren en tot groot verdriet overleden. De vrouw kreeg na de bevalling te kampen met een levensbedreigende darm trombose, waardoor zij werd opgenomen op de IC. Na het ontslag van de vrouw uit het ziekenhuis verbleven partijen, mede ook in het licht van de zorg voor [minderjarige 1] , samen in de woning. De vrouw had zorg nodig en de man was de enige in haar omgeving die hulp kon bieden. De communicatie tussen partijen verslechterde al snel. De vrouw heeft de man daarom op 18 augustus 2025 met klem gevraagd de woning op 21 augustus weer te verlaten. De zorgregeling werd hervat zoals door de rechtbank bepaald. De gebeurtenissen van de afgelopen maanden maken het voor de vrouw pijnlijk duidelijk dat zij in [plaats 1] vrijwel geen netwerk heeft om op terug te vallen. Zij is hier niet gelukkig. Haar netwerk is in [plaats 2] en omgeving. De vrouw werkt sinds augustus 2018 als docent Geschiedenis en Staatsinrichting op de [school] in [plaats 2] . Zij heeft daar een stabiel netwerk en inkomen en voelt zich daar thuis. De vrouw wil dan ook graag met [minderjarige 1] naar [plaats 2] verhuizen. Het is de vrouw de afgelopen jaren, ondanks veelvuldig solliciteren, niet gelukt een baan in de omgeving van [plaats 1] te vinden. Zij heeft in [plaats 2] een vaste baan en heeft het daar erg naar haar zin. De man wil, ondanks alle door de vrouw aangeboden opties en compensatie, geen toestemming geven om een verhuizing buiten [plaats 1] in gang te zetten. De vrouw woont op basis van de beslissing in de voorlopige voorzieningen procedure in de woning van partijen in [plaats 1] .
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3691 text/xml public 2026-05-20T14:02:30 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-03 C/02/440771 / FA RK 25-5251 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3691 text/html public 2026-05-20T14:01:47 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3691 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-04-2026 / C/02/440771 / FA RK 25-5251 Vervangende toestemming verhuizing -afwijzing beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/440771 / FA RK 25-5251 Datum uitspraak: 3 april 2026 beschikking over vervangende toestemming verhuizing en hoofdverblijf in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken in Breda, tegen [de man] , hierna te noemen: de man, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal, over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1. In het dossier zitten de volgende stukken: het op 13 oktober 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen; het stelbericht van mr. De Jongh van 17 oktober 2025; het F9-bericht met bijlage van mr. Van Berckel-Van der Rijken van 27 oktober 2025; de brief van mr. Van Berckel-Van der Rijken van 30 oktober 2025; de oproepbrieven aan partijen van 5 november 2025; de F9-berichten (met bijlagen) van mr. De Jongh van 24 december 2025, 18 februari 2026 en 4 maart 2026; het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, ingekomen op 13 februari 2026; de brieven van de rechtbank aan partijen van 16 februari 2026; de oproepbrieven aan partijen van 20 februari 2026; het aanvullend verzoek, met bijlagen, van mr. Van Berckel-Van der Rijken, ingekomen op 2 maart 2026. 1.2. Op de zitting van 12 maart 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord: de vrouw, bijgestaan door mr. Van Berckel-Van der Rijken; de man, bijgestaan door mr. De Jongh; een vertegenwoordigster namens de Raad. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . 2.2. Tussen partijen is bij de rechtbank een echtscheidingsprocedure aanhangig met kenmerk C/02/435586 FA RK 25-2582. In deze procedure is, voor zover hier van belang, aan de orde het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en het vaststellen van een zorg- en contactregeling. Deze procedure staat gepland ter behandeling op de zitting van [datum] 2026. 2.3. Bij beschikking van [datum] 2025 heeft de rechtbank in het kader van een voorlopige voorziening onder meer bepaald dat [minderjarige 1] aan de vrouw wordt toevertrouwd. Daarnaast is de bepaald dat [minderjarige 1] bij de man verblijft: - in de ene week van donderdag uit school (de man haalt [minderjarige 1] uit school op) tot vrijdag aanvang school (de man brengt [minderjarige 1] naar school) en - in de andere week van donderdag uit school (de man haalt [minderjarige 1] uit school op) tot en met maandagochtend aanvang school (de man brengt [minderjarige 1] naar school) alsmede - tijdens de zomervakantie in de eerste, tweede en vijfde week, een en ander met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.9 van die beschikking van [datum] 2025 is overwogen. 3 De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: De vrouw toestemming te geven met de minderjarige [minderjarige 1] te verhuizen naar [plaats 2] en haar daar in te schrijven op een nog nader te bepalen basisschool, daarbij bepalend dat de noodzakelijke toestemming van de man wordt vervangen door de toestemming van de rechtbank. Bij brief van 2 maart 2026 is namens de vrouw aangegeven dat is bedoeld tevens te verzoeken het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vrouw te bepalen. Voor het geval het verhuisverzoek niet wordt toegewezen, verzoekt de vrouw de rechtbank geen oordeel te geven over het hoofdverblijf en zal in het kader van de echtscheidingsprocedure een beslissing genomen moeten worden over het hoofdverblijf en de uiteindelijke contactregeling. 3.2. De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit af te wijzen. Bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig verzoek verzoekt de man: I. te bepalen dat het de vrouw niet zal zijn toegestaan om met [minderjarige 1] te verhuizen naar [plaats 2] , althans een andere gemeente buiten [plaats 1] en het haar niet zal zijn toegestaan om [minderjarige 1] in te schrijven op een andere basisschool dan waar zij thans heen gaat; II. te bepalen dat, als de vrouw verhuist, [minderjarige 1] haar hoofdverblijf zal hebben bij de man tot aan het moment waarop de rechtbank in de echtscheidingsprocedure tussen partijen heeft beslist met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en daarbij te bepalen dat in dat geval een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden, waarbij [minderjarige 1] één weekend per twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vrouw verblijft, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, en waarbij de vrouw het halen en brengen voor haar rekening dient te nemen. 4 De standpunten De vrouw 4.1. Door en namens de vrouw is ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, aangevoerd dat de man tijdens het huwelijk van partijen meerdere malen heeft aangegeven de zorg voor [minderjarige 1] te zwaar te vinden en rust voor zichzelf nodig te hebben. Desondanks heeft de man in de voorlopige voorzieningenprocedure in eerste instantie om een co-ouderschapsregeling verzocht. De man woont sinds mei 2025 bij zijn ouders en doet met enige regelmaat een beroep op zijn ouders als het aankomt op de zorg voor [minderjarige 1] . De vrouw betwijfelt of hij de zorg op de huidige wijze kan inrichten als hij niet meer bij zijn ouders woont. De vrouw bepleit een regeling waarbij [minderjarige 1] wat minder frequent, maar dan wel wat langere tijd bij de man verblijft. Omdat de vrouw destijds zwanger was, is in de beschikking van de rechtbank van [datum] 2025 eveneens een regeling opgenomen voor het tweede kind van partijen. Op 17 juli 2025 is zoon [minderjarige 2] geboren en tot groot verdriet overleden. De vrouw kreeg na de bevalling te kampen met een levensbedreigende darm trombose, waardoor zij werd opgenomen op de IC. Na het ontslag van de vrouw uit het ziekenhuis verbleven partijen, mede ook in het licht van de zorg voor [minderjarige 1] , samen in de woning. De vrouw had zorg nodig en de man was de enige in haar omgeving die hulp kon bieden. De communicatie tussen partijen verslechterde al snel. De vrouw heeft de man daarom op 18 augustus 2025 met klem gevraagd de woning op 21 augustus weer te verlaten. De zorgregeling werd hervat zoals door de rechtbank bepaald. De gebeurtenissen van de afgelopen maanden maken het voor de vrouw pijnlijk duidelijk dat zij in [plaats 1] vrijwel geen netwerk heeft om op terug te vallen. Zij is hier niet gelukkig. Haar netwerk is in [plaats 2] en omgeving. De vrouw werkt sinds augustus 2018 als docent Geschiedenis en Staatsinrichting op de [school] in [plaats 2] . Zij heeft daar een stabiel netwerk en inkomen en voelt zich daar thuis. De vrouw wil dan ook graag met [minderjarige 1] naar [plaats 2] verhuizen. Het is de vrouw de afgelopen jaren, ondanks veelvuldig solliciteren, niet gelukt een baan in de omgeving van [plaats 1] te vinden. Zij heeft in [plaats 2] een vaste baan en heeft het daar erg naar haar zin. De man wil, ondanks alle door de vrouw aangeboden opties en compensatie, geen toestemming geven om een verhuizing buiten [plaats 1] in gang te zetten. De vrouw woont op basis van de beslissing in de voorlopige voorzieningen procedure in de woning van partijen in [plaats 1] .
Volledig
De man wil de vrouw graag uitkopen en wil dat zij uit de woning vertrekt. De vrouw heeft nog geen passende woning kunnen vinden. Zij zit nog volop in het rouwproces. Zij heeft hulpverlening ingeschakeld om sterker te worden. De vrouw staat sinds maart 2025 ingeschreven voor een huurwoning in [plaats 1] . Met een gemiddelde wachttijd van 7 jaar, is zij nog lang niet aan de beurt. Zij kan een koopwoning in [plaats 1] , niet betalen. In [plaats 2] zijn er 49 koopwoningen beschikbaar voor het bedrag dat de vrouw kan besteden. Ten aanzien van de noodzaak om te verhuizen geeft de vrouw aan dat haar netwerk in [plaats 1] sinds de scheiding grotendeels is weggevallen. In [plaats 2] heeft de vrouw een sociaal vangnet en haar werk, waardoor [minderjarige 1] en zij continuïteit en veiligheid ervaren. Om de zorg voor [minderjarige 1] blijvend goed te kunnen inrichten is het belangrijk dat de vrouw gelukkig is, maar ook dat er een beroep kan worden gedaan op derden in geval van nood. Die mogelijkheid is er in [plaats 1] niet. De houding van de man jegens de vrouw is zodanig dat samenwerken onmogelijk is. De vrouw heeft zich aan het begin van de scheiding, in maart 2025, ingeschreven bij [bedrijf] en is in gesprek met makelaars. Zij richt zich op kindvriendelijke wijken met goede scholen, OV-verbindingen en voorzieningen. Zij heeft meerdere scholen onderzocht die vergelijkbaar zijn met de huidige basisschool van [minderjarige 1] . De vrouw heeft niet de intentie om het contact tussen [minderjarige 1] en de man te beperken. Daarom biedt zij het volgende aan: De vrouw neemt het brengen/halen van [minderjarige 1] voor haar rekening; Uitbreiding van contactmomenten tijdens weekenden en vakanties; (video)belmomenten, die zij altijd (op verzoek van [minderjarige 1] ) heeft gestimuleerd; De vrouw neemt alle extra kosten voor haar rekening. De vrouw stelt een zorgregeling voor die er op neer komt dat [minderjarige 1] wekelijks een dag in het weekend bij de man is en daarnaast 1 of 2 weekenden. De vrouw geeft aan dat een co-ouderschapsconstructie niet in het belang van [minderjarige 1] is. De communicatie met de man loopt moeizaam. De vrouw meent dat het belang van [minderjarige 1] ligt in de kwaliteit van de omgang met haar vader, niet de kwantiteit. Daarom zijn langere en stabiele contactmomenten voor haar minder belastend dan korte, wisselende momenten. De vrouw biedt [minderjarige 1] structureel continuïteit en stabiliteit. [minderjarige 1] is nog maar net gestart in groep 1. Zij heeft nog geen hecht sociaal netwerk opgebouwd in [plaats 1] . Een overgang naar een nieuwe omgeving is nu het minst belastend voor haar. 4.2. Tijdens de zitting is namens de vrouw aanvullend aangevoerd dat zij inzet op een parallel ouderschap. Zij meent dat er eerst over de verhuizing moet worden beslist, alvorens er gekeken kan worden naar een contactregeling. De vrouw heeft recent een concreet aanbod gekregen voor een nieuwbouwwoning in [plaats 2] in een fijne buurt met een school dichtbij. Evenals de man vindt de vrouw speltherapie voor [minderjarige 1] aangewezen. De reden dat dit nog niet is opgestart is volgens de vrouw gelegen in de slechte communicatie tussen partijen. Zij ziet in dat er aan verbetering van de communicatie gewerkt zou moeten worden, maar zolang er geen beslissing is genomen over de verhuizing is dit volgens haar niet zinvol. De man 4.3. Door en namens de man is, samengevat, het volgende aangevoerd. Allereerst meent hij dat het verzoek van de vrouw ter verkrijging van de vervangende toestemming om te verhuizen niet los kan worden gezien van de beslissingen die in het kader van de echtscheidingsprocedure genomen moeten worden over het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Toewijzing van het verzoek van de vrouw zou de facto een beslissing betekenen over het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en daarmee in strijd zijn met de beginselen van behoorlijk procesrecht. Hierbij wordt verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 13 april 2012 (ECLI:HR:2012:BV2363). Op grond van de beschikking voorlopige voorzieningen van [datum] 2025 geldt een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij [minderjarige 1] 35% van de tijd bij de man verblijft. Partijen zijn destijds in het kader van een voorlopige regeling overeengekomen dat [minderjarige 1] voorlopig aan de vrouw werd toevertrouwd. Van verhuizen was toen nog geen sprake. Er is geen verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen gedaan en deze duren dus nog voort tot aan het moment dat deze ingevolge artikel 826 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hun geldigheid verliezen op het moment van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking. De man geeft aan dat partijen sinds 2018 in [plaats 1] wonen. De vrouw is destijds snel geïntegreerd in het sociale netwerk van [plaats 1] . Zij stelt ten onrechte dat zij geen sociaal netwerk heeft in [plaats 1] . Partijen hebben in de periode van 24 maart tot 5 mei 2025 om de beurt met [minderjarige 1] in de echtelijke woning verbleven. Tijdens deze periode was er een evenwichtige zorgverdeling op basis van 50/50. De vrouw bleek niet bereid deze regeling na 5 mei 2025 voort te zetten en wilde terug naar een weekendregeling. Dat was voor de man niet acceptabel. De voorlopige, door partijen ter zitting overeengekomen, zorgregeling functioneert goed. De vrouw stelt dan ook ten onrechte dat de man de zorg voor [minderjarige 1] niet aan zou kunnen. Rond de periode van de geboorte van [minderjarige 2] heeft de man de zorg voor [minderjarige 1] volledig op zich genomen. De berichten die door de vrouw zijn overgelegd zien op een periode ruim voor de scheiding. Zij hebben destijds geen beletsel gevormd voor de vrouw om akkoord te gaan met de huidige voorlopige regeling. De man is perfect in staat om de juiste zorg voor [minderjarige 1] te verlenen. [minderjarige 1] heeft al veel voor haar kiezen gekregen: haar ouders zijn uit elkaar gegaan, ze is haar broertje [minderjarige 2] verloren en is ook haar opa verloren. Het is niet in het belang van [minderjarige 1] om daar nog eens een hele ingrijpende gebeurtenis zoals een verhuizing naar een andere stad en een andere school aan toe te voegen. De vrouw is bijna fulltime aan het werk, zodat [minderjarige 1] in [plaats 2] vier dagen per week naar een naschoolse opvang zou moeten gaan. In [plaats 1] kan de man haar gewoon van en naar school brengen. De man bevestigt dat de communicatie tussen partijen is verslechterd. Beide ouders hebben hulp (gehad) bij IMW. De hulpverlening van de man is afgerond. Het verzoek van de man om gezinstherapie is niet gehonoreerd in verband met de verhuiskwestie. Op advies van het Centrum voor Jeugd en Gezin is het ‘Samen uit Elkaar’ traject opgestart. Dit heeft niet geleid tot gezamenlijke gesprekken. Het traject kan niet worden voortgezet in verband met de rouwfase waarin de vrouw zich nog bevindt. Ook het verhuisverzoek maakt dat hulptrajecten ter verbetering van de communicatie niet succesvol kunnen worden doorlopen. De vrouw stelt dat zij in [plaats 1] weinig mogelijkheden heeft om vervangende woonruimte te kopen of te huren. Zij toont echter niet aan dat er een verschil bestaat in de kansen op het verkrijgen van woonruimte in [plaats 1] of in [plaats 2] . De woningnood in [plaats 2] is juist hoger dan die in [plaats 1] . De man meent dat er voor de vrouw geen noodzaak is om te verhuizen. De reden die zij aanvoert om te verhuizen is subjectief. Verwezen wordt naar een arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 18 september 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:3811). Daarnaast meent de man dat het inschrijven voor een woning in [plaats 2] niet als voorbereidingshandeling kan worden gekwalificeerd, nu de wachttijd zes tot tien jaar is. De vrouw legt een overzicht van scholen over, maar aangezien zij niet weet waar zij in [plaats 2] gaat wonen is het zoeken van een school prematuur. De vrouw stelt dat zij ter compensatie uitbreiding van de contactmomenten aanbiedt tijdens de weekenden en vakanties. Dit is niet het geval.
Volledig
De man wil de vrouw graag uitkopen en wil dat zij uit de woning vertrekt. De vrouw heeft nog geen passende woning kunnen vinden. Zij zit nog volop in het rouwproces. Zij heeft hulpverlening ingeschakeld om sterker te worden. De vrouw staat sinds maart 2025 ingeschreven voor een huurwoning in [plaats 1] . Met een gemiddelde wachttijd van 7 jaar, is zij nog lang niet aan de beurt. Zij kan een koopwoning in [plaats 1] , niet betalen. In [plaats 2] zijn er 49 koopwoningen beschikbaar voor het bedrag dat de vrouw kan besteden. Ten aanzien van de noodzaak om te verhuizen geeft de vrouw aan dat haar netwerk in [plaats 1] sinds de scheiding grotendeels is weggevallen. In [plaats 2] heeft de vrouw een sociaal vangnet en haar werk, waardoor [minderjarige 1] en zij continuïteit en veiligheid ervaren. Om de zorg voor [minderjarige 1] blijvend goed te kunnen inrichten is het belangrijk dat de vrouw gelukkig is, maar ook dat er een beroep kan worden gedaan op derden in geval van nood. Die mogelijkheid is er in [plaats 1] niet. De houding van de man jegens de vrouw is zodanig dat samenwerken onmogelijk is. De vrouw heeft zich aan het begin van de scheiding, in maart 2025, ingeschreven bij [bedrijf] en is in gesprek met makelaars. Zij richt zich op kindvriendelijke wijken met goede scholen, OV-verbindingen en voorzieningen. Zij heeft meerdere scholen onderzocht die vergelijkbaar zijn met de huidige basisschool van [minderjarige 1] . De vrouw heeft niet de intentie om het contact tussen [minderjarige 1] en de man te beperken. Daarom biedt zij het volgende aan: De vrouw neemt het brengen/halen van [minderjarige 1] voor haar rekening; Uitbreiding van contactmomenten tijdens weekenden en vakanties; (video)belmomenten, die zij altijd (op verzoek van [minderjarige 1] ) heeft gestimuleerd; De vrouw neemt alle extra kosten voor haar rekening. De vrouw stelt een zorgregeling voor die er op neer komt dat [minderjarige 1] wekelijks een dag in het weekend bij de man is en daarnaast 1 of 2 weekenden. De vrouw geeft aan dat een co-ouderschapsconstructie niet in het belang van [minderjarige 1] is. De communicatie met de man loopt moeizaam. De vrouw meent dat het belang van [minderjarige 1] ligt in de kwaliteit van de omgang met haar vader, niet de kwantiteit. Daarom zijn langere en stabiele contactmomenten voor haar minder belastend dan korte, wisselende momenten. De vrouw biedt [minderjarige 1] structureel continuïteit en stabiliteit. [minderjarige 1] is nog maar net gestart in groep 1. Zij heeft nog geen hecht sociaal netwerk opgebouwd in [plaats 1] . Een overgang naar een nieuwe omgeving is nu het minst belastend voor haar. 4.2. Tijdens de zitting is namens de vrouw aanvullend aangevoerd dat zij inzet op een parallel ouderschap. Zij meent dat er eerst over de verhuizing moet worden beslist, alvorens er gekeken kan worden naar een contactregeling. De vrouw heeft recent een concreet aanbod gekregen voor een nieuwbouwwoning in [plaats 2] in een fijne buurt met een school dichtbij. Evenals de man vindt de vrouw speltherapie voor [minderjarige 1] aangewezen. De reden dat dit nog niet is opgestart is volgens de vrouw gelegen in de slechte communicatie tussen partijen. Zij ziet in dat er aan verbetering van de communicatie gewerkt zou moeten worden, maar zolang er geen beslissing is genomen over de verhuizing is dit volgens haar niet zinvol. De man 4.3. Door en namens de man is, samengevat, het volgende aangevoerd. Allereerst meent hij dat het verzoek van de vrouw ter verkrijging van de vervangende toestemming om te verhuizen niet los kan worden gezien van de beslissingen die in het kader van de echtscheidingsprocedure genomen moeten worden over het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Toewijzing van het verzoek van de vrouw zou de facto een beslissing betekenen over het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en daarmee in strijd zijn met de beginselen van behoorlijk procesrecht. Hierbij wordt verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 13 april 2012 (ECLI:HR:2012:BV2363). Op grond van de beschikking voorlopige voorzieningen van [datum] 2025 geldt een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij [minderjarige 1] 35% van de tijd bij de man verblijft. Partijen zijn destijds in het kader van een voorlopige regeling overeengekomen dat [minderjarige 1] voorlopig aan de vrouw werd toevertrouwd. Van verhuizen was toen nog geen sprake. Er is geen verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen gedaan en deze duren dus nog voort tot aan het moment dat deze ingevolge artikel 826 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hun geldigheid verliezen op het moment van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking. De man geeft aan dat partijen sinds 2018 in [plaats 1] wonen. De vrouw is destijds snel geïntegreerd in het sociale netwerk van [plaats 1] . Zij stelt ten onrechte dat zij geen sociaal netwerk heeft in [plaats 1] . Partijen hebben in de periode van 24 maart tot 5 mei 2025 om de beurt met [minderjarige 1] in de echtelijke woning verbleven. Tijdens deze periode was er een evenwichtige zorgverdeling op basis van 50/50. De vrouw bleek niet bereid deze regeling na 5 mei 2025 voort te zetten en wilde terug naar een weekendregeling. Dat was voor de man niet acceptabel. De voorlopige, door partijen ter zitting overeengekomen, zorgregeling functioneert goed. De vrouw stelt dan ook ten onrechte dat de man de zorg voor [minderjarige 1] niet aan zou kunnen. Rond de periode van de geboorte van [minderjarige 2] heeft de man de zorg voor [minderjarige 1] volledig op zich genomen. De berichten die door de vrouw zijn overgelegd zien op een periode ruim voor de scheiding. Zij hebben destijds geen beletsel gevormd voor de vrouw om akkoord te gaan met de huidige voorlopige regeling. De man is perfect in staat om de juiste zorg voor [minderjarige 1] te verlenen. [minderjarige 1] heeft al veel voor haar kiezen gekregen: haar ouders zijn uit elkaar gegaan, ze is haar broertje [minderjarige 2] verloren en is ook haar opa verloren. Het is niet in het belang van [minderjarige 1] om daar nog eens een hele ingrijpende gebeurtenis zoals een verhuizing naar een andere stad en een andere school aan toe te voegen. De vrouw is bijna fulltime aan het werk, zodat [minderjarige 1] in [plaats 2] vier dagen per week naar een naschoolse opvang zou moeten gaan. In [plaats 1] kan de man haar gewoon van en naar school brengen. De man bevestigt dat de communicatie tussen partijen is verslechterd. Beide ouders hebben hulp (gehad) bij IMW. De hulpverlening van de man is afgerond. Het verzoek van de man om gezinstherapie is niet gehonoreerd in verband met de verhuiskwestie. Op advies van het Centrum voor Jeugd en Gezin is het ‘Samen uit Elkaar’ traject opgestart. Dit heeft niet geleid tot gezamenlijke gesprekken. Het traject kan niet worden voortgezet in verband met de rouwfase waarin de vrouw zich nog bevindt. Ook het verhuisverzoek maakt dat hulptrajecten ter verbetering van de communicatie niet succesvol kunnen worden doorlopen. De vrouw stelt dat zij in [plaats 1] weinig mogelijkheden heeft om vervangende woonruimte te kopen of te huren. Zij toont echter niet aan dat er een verschil bestaat in de kansen op het verkrijgen van woonruimte in [plaats 1] of in [plaats 2] . De woningnood in [plaats 2] is juist hoger dan die in [plaats 1] . De man meent dat er voor de vrouw geen noodzaak is om te verhuizen. De reden die zij aanvoert om te verhuizen is subjectief. Verwezen wordt naar een arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 18 september 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:3811). Daarnaast meent de man dat het inschrijven voor een woning in [plaats 2] niet als voorbereidingshandeling kan worden gekwalificeerd, nu de wachttijd zes tot tien jaar is. De vrouw legt een overzicht van scholen over, maar aangezien zij niet weet waar zij in [plaats 2] gaat wonen is het zoeken van een school prematuur. De vrouw stelt dat zij ter compensatie uitbreiding van de contactmomenten aanbiedt tijdens de weekenden en vakanties. Dit is niet het geval.
Volledig
Zo stelt zij dat [minderjarige 1] in de zomervakantie drie tot vier dagen bij de man verblijft, met een opbouw naar maximaal één week. In de zomervakantie van 2025 is [minderjarige 1] vier weken bij de man geweest. Voor de reguliere regeling geldt hetzelfde. In plaats van de huidige 35% van de tijd bij de vader, met zorgtaken zoals het van en naar school brengen, wordt het contact als het aan de vrouw ligt beperkt tot één weekenddag per week van 10 tot 18 uur en één keer per maand een weekend. Dat zou op jaarbasis betekenen dat de omgang net boven de 10% zit. Het contact van de man met school valt bij een verhuizing ook weg, terwijl de man [minderjarige 1] in de huidige regeling minstens vijf keer per twee weken van en naar school brengt. De man wordt in dat geval tot weekendvader gedegradeerd. Verwezen wordt naar uitspraken van Hof ’s-Hertogenbosch van 29 juli 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:2389) en Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:3875). Daarbij komt dat de afstand tussen [plaats 1] en [adres] kilometer is. Zonder files is dit ruim een uur reistijd. Wanneer er wekelijks contact zou plaatsvinden op woensdag betekent dat iedere woensdag drie uur of meer reistijd voor [minderjarige 1] . Dat is niet in haar belang. De man betwist dat de vrouw belmomenten stimuleert. Zij heeft de tijdens de zitting van de voorlopige voorzieningen afgesproken belmomenten éénzijdig beëindigd. Daarnaast stelt de man dat de vrouw de extra kosten en financiële consequenties van het contact na de verhuizing niet in kaart heeft gebracht. Bovendien is nog geen beslissing genomen over de vraag hoe partijen de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] na de scheiding zullen verdelen. De man geeft aan dat de vrouw zeer bepalend is en geen tegenspraak duldt wanneer het gaat om beslissingen over [minderjarige 1] en communicatie met instanties, zoals school of hulpverlening. De man vreest voor verwijdering tussen hem en [minderjarige 1] bij een verhuizing naar [plaats 2] . De communicatie tussen de ouders is problematisch. Het risico bestaat dat, in geval van een verhuizing met de daarbij behorende inperking van het contact en uitvoeringsproblemen zoals reistijd, de uitvoering van de zorgregeling in gevaar komt. Dit is niet in het belang van [minderjarige 1] . Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 11 juni 2013 (ECLI:NL:RBNNE:2013:3470). [minderjarige 1] is bijna vijf jaar. Haar sociale leven speelt zich af in [plaats 1] . De man meent dat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen. Hij verwijst hierbij nog naar een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2013 (ECLI:GHARL:2013:9124). Als voorwaardelijk zelfstandig verzoek verzoekt de man te bepalen dat, als de vrouw verhuist, [minderjarige 1] haar hoofdverblijf bij de man zal hebben waarbij een zorgregeling geldt waarin [minderjarige 1] één weekend per twee weken bij de vrouw verblijft. Subsidiair verzoekt de man de beslissing in deze zaak aan te houden totdat de rechtbank heeft beslist in de echtscheidingsprocedure voor wat betreft het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De man meent dat een doorverwijzing naar het Uniform Hulpaanbod voor partijen helpend zou kunnen zijn. Daarnaast meent hij dat een onderzoek door de Raad aangewezen is. 4.4. Door en namens de man is daar tijdens de zitting aan toegevoegd dat er geen reden is om vooruit te lopen op de beslissingen die in het kader van de echtscheidingsprocedure nog genomen moeten worden. Zo moet ook over de verdeling nog beslist worden. Daarnaast meent de advocaat van de man dat de voorlopige zorgregeling die is vastgesteld in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure, alleen kan worden gewijzigd door een verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening, dan wel een definitieve beslissing op de zorg- en contactregeling. Een verhuizing maakt de nu geldende zorgregeling onuitvoerbaar. De man geeft aan dat hij zich zorgen maakt over [minderjarige 1] . Net als voor partijen is ook voor [minderjarige 1] het afgelopen jaar zwaar geweest. Dit is merkbaar aan haar gedrag. De man meent dat speltherapie voor haar geboden is. Dit traject kan niet worden opgestart als er onzekerheid is over een eventuele verhuizing. De man geeft aan dat de huidige zorgregeling prima verloopt. Hij heeft afspraken met zijn werkgever gemaakt waardoor hij [minderjarige 1] kan brengen naar en halen van school. De man is bereid om te werken aan het verbeteren van de communicatie tussen partijen. Op dit moment is er echter nog te veel onduidelijk om een dergelijk traject aan te gaan. De Raad 4.5. Namens de Raad is tijdens de zitting aangevoerd dat [minderjarige 1] het afgelopen jaar veel heftige gebeurtenissen heeft doorgemaakt. Zij heeft allereerst de gezamenlijkheid van haar ouders verloren. Daarnaast heeft zij haar broertje verloren en ziet en voelt zij het verdriet van haar ouders hierover. [minderjarige 1] heeft ook haar opa verloren en zij is gestart op de basisschool. Al deze gebeurtenissen hebben veel impact op een kind van haar leeftijd. [minderjarige 1] heeft twee betrokken ouders. In de huidige zorgregeling heeft de man een actief aandeel in het brengen naar en halen van school. Hij heeft gelegenheid om [minderjarige 1] te brengen naar en halen van clubjes en vriendjes en vriendinnetjes. Wanneer er een verhuizing naar [plaats 2] zou plaatsvinden valt dit allemaal weg. De Raad acht dit niet in het belang van [minderjarige 1] . Daarnaast is de Raad van mening dat de reistijd naar [plaats 2] voor een regelmatige contactregeling bezwaarlijk is voor een kind van haar leeftijd. De Raad adviseert de rechtbank het verzoek tot verhuizing aan te houden en partijen door te verwijzen naar het UHA om te leren hoe zij op een juiste manier met elkaar kunnen communiceren en afspraken kunnen maken. Het is nog te vroeg om in te zetten op een parallel ouderschap. 5 De beoordeling Verhuizing 5.1. Op grond van artikel 1:253a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. 5.2. De rechtbank overweegt dat uit het gezamenlijk gezag van partijen volgt dat de vrouw voor een verhuizing met [minderjarige 1] , in beginsel de toestemming van de man nodig heeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, kan het geschil, op grond van artikel 1:253a BW, worden voorgelegd aan de rechter. Bij een dergelijke beslissing dient de rechter – conform vaste rechtspraak – alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen. 5.3. Uit vaste jurisprudentie, de rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 25 april 2008, NJ 2008, 414 (LJN BC5901), volgt dat uit voormeld artikel niet mag worden afgeleid dat het belang van de minderjarige bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. Bij de beoordeling van het geschil over een verhuizing met een minderjarig kind dient de rechter alle omstandigheden van het geval in acht dient te nemen, waaronder: de noodzaak om te verhuizen; de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid; het recht en het belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten; de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren; de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg; de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in zijn/haar vertrouwde omgeving; de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de continuïteit van de zorg; de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing; de leeftijd van de minderjarige, zijn/haar mening en de mate waarin hij/zij geworteld is in zijn/haar omgeving of juist gewend is aan de verhuizingen; de (extra) kosten van het contact met de andere ouder na de verhuizing. 5.4.
Volledig
Zo stelt zij dat [minderjarige 1] in de zomervakantie drie tot vier dagen bij de man verblijft, met een opbouw naar maximaal één week. In de zomervakantie van 2025 is [minderjarige 1] vier weken bij de man geweest. Voor de reguliere regeling geldt hetzelfde. In plaats van de huidige 35% van de tijd bij de vader, met zorgtaken zoals het van en naar school brengen, wordt het contact als het aan de vrouw ligt beperkt tot één weekenddag per week van 10 tot 18 uur en één keer per maand een weekend. Dat zou op jaarbasis betekenen dat de omgang net boven de 10% zit. Het contact van de man met school valt bij een verhuizing ook weg, terwijl de man [minderjarige 1] in de huidige regeling minstens vijf keer per twee weken van en naar school brengt. De man wordt in dat geval tot weekendvader gedegradeerd. Verwezen wordt naar uitspraken van Hof ’s-Hertogenbosch van 29 juli 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:2389) en Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:3875). Daarbij komt dat de afstand tussen [plaats 1] en [adres] kilometer is. Zonder files is dit ruim een uur reistijd. Wanneer er wekelijks contact zou plaatsvinden op woensdag betekent dat iedere woensdag drie uur of meer reistijd voor [minderjarige 1] . Dat is niet in haar belang. De man betwist dat de vrouw belmomenten stimuleert. Zij heeft de tijdens de zitting van de voorlopige voorzieningen afgesproken belmomenten éénzijdig beëindigd. Daarnaast stelt de man dat de vrouw de extra kosten en financiële consequenties van het contact na de verhuizing niet in kaart heeft gebracht. Bovendien is nog geen beslissing genomen over de vraag hoe partijen de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] na de scheiding zullen verdelen. De man geeft aan dat de vrouw zeer bepalend is en geen tegenspraak duldt wanneer het gaat om beslissingen over [minderjarige 1] en communicatie met instanties, zoals school of hulpverlening. De man vreest voor verwijdering tussen hem en [minderjarige 1] bij een verhuizing naar [plaats 2] . De communicatie tussen de ouders is problematisch. Het risico bestaat dat, in geval van een verhuizing met de daarbij behorende inperking van het contact en uitvoeringsproblemen zoals reistijd, de uitvoering van de zorgregeling in gevaar komt. Dit is niet in het belang van [minderjarige 1] . Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 11 juni 2013 (ECLI:NL:RBNNE:2013:3470). [minderjarige 1] is bijna vijf jaar. Haar sociale leven speelt zich af in [plaats 1] . De man meent dat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen. Hij verwijst hierbij nog naar een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2013 (ECLI:GHARL:2013:9124). Als voorwaardelijk zelfstandig verzoek verzoekt de man te bepalen dat, als de vrouw verhuist, [minderjarige 1] haar hoofdverblijf bij de man zal hebben waarbij een zorgregeling geldt waarin [minderjarige 1] één weekend per twee weken bij de vrouw verblijft. Subsidiair verzoekt de man de beslissing in deze zaak aan te houden totdat de rechtbank heeft beslist in de echtscheidingsprocedure voor wat betreft het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De man meent dat een doorverwijzing naar het Uniform Hulpaanbod voor partijen helpend zou kunnen zijn. Daarnaast meent hij dat een onderzoek door de Raad aangewezen is. 4.4. Door en namens de man is daar tijdens de zitting aan toegevoegd dat er geen reden is om vooruit te lopen op de beslissingen die in het kader van de echtscheidingsprocedure nog genomen moeten worden. Zo moet ook over de verdeling nog beslist worden. Daarnaast meent de advocaat van de man dat de voorlopige zorgregeling die is vastgesteld in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure, alleen kan worden gewijzigd door een verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening, dan wel een definitieve beslissing op de zorg- en contactregeling. Een verhuizing maakt de nu geldende zorgregeling onuitvoerbaar. De man geeft aan dat hij zich zorgen maakt over [minderjarige 1] . Net als voor partijen is ook voor [minderjarige 1] het afgelopen jaar zwaar geweest. Dit is merkbaar aan haar gedrag. De man meent dat speltherapie voor haar geboden is. Dit traject kan niet worden opgestart als er onzekerheid is over een eventuele verhuizing. De man geeft aan dat de huidige zorgregeling prima verloopt. Hij heeft afspraken met zijn werkgever gemaakt waardoor hij [minderjarige 1] kan brengen naar en halen van school. De man is bereid om te werken aan het verbeteren van de communicatie tussen partijen. Op dit moment is er echter nog te veel onduidelijk om een dergelijk traject aan te gaan. De Raad 4.5. Namens de Raad is tijdens de zitting aangevoerd dat [minderjarige 1] het afgelopen jaar veel heftige gebeurtenissen heeft doorgemaakt. Zij heeft allereerst de gezamenlijkheid van haar ouders verloren. Daarnaast heeft zij haar broertje verloren en ziet en voelt zij het verdriet van haar ouders hierover. [minderjarige 1] heeft ook haar opa verloren en zij is gestart op de basisschool. Al deze gebeurtenissen hebben veel impact op een kind van haar leeftijd. [minderjarige 1] heeft twee betrokken ouders. In de huidige zorgregeling heeft de man een actief aandeel in het brengen naar en halen van school. Hij heeft gelegenheid om [minderjarige 1] te brengen naar en halen van clubjes en vriendjes en vriendinnetjes. Wanneer er een verhuizing naar [plaats 2] zou plaatsvinden valt dit allemaal weg. De Raad acht dit niet in het belang van [minderjarige 1] . Daarnaast is de Raad van mening dat de reistijd naar [plaats 2] voor een regelmatige contactregeling bezwaarlijk is voor een kind van haar leeftijd. De Raad adviseert de rechtbank het verzoek tot verhuizing aan te houden en partijen door te verwijzen naar het UHA om te leren hoe zij op een juiste manier met elkaar kunnen communiceren en afspraken kunnen maken. Het is nog te vroeg om in te zetten op een parallel ouderschap. 5 De beoordeling Verhuizing 5.1. Op grond van artikel 1:253a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. 5.2. De rechtbank overweegt dat uit het gezamenlijk gezag van partijen volgt dat de vrouw voor een verhuizing met [minderjarige 1] , in beginsel de toestemming van de man nodig heeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, kan het geschil, op grond van artikel 1:253a BW, worden voorgelegd aan de rechter. Bij een dergelijke beslissing dient de rechter – conform vaste rechtspraak – alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen. 5.3. Uit vaste jurisprudentie, de rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 25 april 2008, NJ 2008, 414 (LJN BC5901), volgt dat uit voormeld artikel niet mag worden afgeleid dat het belang van de minderjarige bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. Bij de beoordeling van het geschil over een verhuizing met een minderjarig kind dient de rechter alle omstandigheden van het geval in acht dient te nemen, waaronder: de noodzaak om te verhuizen; de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid; het recht en het belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten; de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren; de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg; de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in zijn/haar vertrouwde omgeving; de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de continuïteit van de zorg; de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing; de leeftijd van de minderjarige, zijn/haar mening en de mate waarin hij/zij geworteld is in zijn/haar omgeving of juist gewend is aan de verhuizingen; de (extra) kosten van het contact met de andere ouder na de verhuizing. 5.4.
Volledig
Op grond van lid 5 van artikel 1:253a BW beproeft de rechtbank, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen partijen. 5.5. Tijdens de zitting is gebleken dat een vergelijk tussen partijen niet mogelijk is. De standpunten van partijen liggen hiervoor te ver uiteen. De rechtbank zal daarom een beslissing nemen op het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van vervangende toestemming om met [minderjarige 1] naar [plaats 2] te verhuizen. 5.6. De rechtbank stelt voorop dat er tussen partijen veel is gebeurd, tijdens, maar ook na het verbreken van hun relatie. De rechtbank benoemt in dit kader in het bijzonder het gegeven dat de ouders het verlies van hun zoontje [minderjarige 2] nog aan het verwerken zijn en dat de vrouw nog herstellende is van de darm trombose. Dit alles maakt het op dit moment moeilijk om afspraken met elkaar te maken. De vrouw werkt al jaren op een school in [plaats 2] en ervaart veel hulp en steun van haar collega’s. Haar wens om dichter in hun buurt te wonen zodat zij kan terugvallen op haar netwerk is dan ook begrijpelijk. Echter, met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van een verhuizing op dit moment te groot voor [minderjarige 1] zullen zijn. [minderjarige 1] heeft het afgelopen jaar veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Haar ouders zijn uit elkaar gegaan waardoor zij afwisselend bij één van hen verblijft. Haar broertje is overleden en zij ziet en voelt het verdriet van haar ouders hierover. Daarnaast heeft zij ook haar opa verloren. Ook is [minderjarige 1] gestart op de basisschool. Dit is eveneens een ingrijpende verandering in haar dagelijks leven. Al met al is het heel veel om te verwerken voor een kind van haar leeftijd. Een verhuizing naar [plaats 2] zou betekenen dat zij uit haar vertrouwde omgeving wordt weggehaald en dat zij minder contact zou hebben met haar vader. Een dergelijke ingrijpende verandering acht de rechtbank op dit moment niet in haar belang. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de reisafstand tussen [plaats 1] en [plaats 2] ongeveer 78 kilometer is, waardoor een wisseling van het contact tussen beide ouders een lange reistijd voor [minderjarige 1] zou inhouden. Een afdoende compensatie is gelet op deze afstand dan ook niet mogelijk. [minderjarige 1] heeft er belang bij dat beide ouders een rol van betekenis in haar leven kunnen spelen. De man neemt op dit moment een aanzienlijk deel van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op zich. Niet is gebleken dat hij dit niet aankan. De vrouw stelt dat zij, wanneer zij in [plaats 2] zou wonen, kan terugvallen op haar netwerk wanneer zij om de een of andere reden niet in staat is zelf voor [minderjarige 1] te zorgen. Hoewel dit een begrijpelijke redenering is zet de rechtbank daar tegenover dat de vrouw, wanneer zij in [plaats 1] blijft wonen, voor de zorg van [minderjarige 1] terug kan vallen op de man. 5.7. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het belang van [minderjarige 1] het meest gediend is als zij met de vrouw in [plaats 1] blijft wonen. Zij zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen. Hoofdverblijf 5.8. Het aanvullende verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar te bepalen zal worden aangehouden en ter verdere behandeling worden gevoegd bij de echtscheidingsprocedure met kenmerk C/02/435586 FA RK 25-2586. Verwijzing naar enkelvoudige kamer 5.9. Voor de verdere behandeling van de procedure zal de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak verwijzen naar de enkelvoudige kamer, zodat de zaak vanaf nu door één rechter zal worden behandeld. Voorwaardelijke zelfstandige verzoeken man 5.10. Nu het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming om te verhuizen wordt afgewezen, heeft de man geen belang meer bij zijn voorwaardelijke verzoeken. Deze zullen dan ook worden afgewezen. Communicatie ouders 5.11. Met partijen is tijdens de zitting gesproken over de mogelijkheid tot hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA), zoals is geadviseerd door de Raad. Hoewel iedereen het erover eens is dat het belangrijk is dat er gewerkt wordt aan het verbeteren van de communicatie tussen partijen, acht de rechtbank een verwijzing naar het UHA op dit moment niet aan de orde. Daargelaten dat partijen op dit moment niet beiden instemmen met inzet van het UHA, neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat de echtscheidingsprocedure op korte termijn gepland staat voor een behandeling ter zitting. Indien er meer duidelijkheid is voor partijen ontstaat er mogelijk ook meer ruimte bij hen om te werken aan hun communicatie. Het is immers in het belang van [minderjarige 1] dat haar ouders op een normale wijze met elkaar kunnen communiceren. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich hier te zijner tijd voor zullen inzetten. 5.12. Dit leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. wijst het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van vervangende toestemming om met [minderjarige 1] naar [plaats 2] te verhuizen af; 6.2. wijst de voorwaardelijke verzoeken van de man af; 6.3. verwijst de procedure in de stand waarin deze zich bevindt naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbank; 6.4. houdt het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van het hoofdverblijf aan tot de zitting van donderdag [datum] 2026, om [uur] bij de enkelvoudige kamer van deze rechtbank (behandelend rechter mr. Oomes), in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10, 4815 GW te Breda; 6.5. bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de ouders en hun advocaten en de Raad; 6.6. behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 door mr. Phillips, voorzitter, mr. Van Gessel en mr. Skrotzki, allen kinderrechters, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledig
Op grond van lid 5 van artikel 1:253a BW beproeft de rechtbank, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen partijen. 5.5. Tijdens de zitting is gebleken dat een vergelijk tussen partijen niet mogelijk is. De standpunten van partijen liggen hiervoor te ver uiteen. De rechtbank zal daarom een beslissing nemen op het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van vervangende toestemming om met [minderjarige 1] naar [plaats 2] te verhuizen. 5.6. De rechtbank stelt voorop dat er tussen partijen veel is gebeurd, tijdens, maar ook na het verbreken van hun relatie. De rechtbank benoemt in dit kader in het bijzonder het gegeven dat de ouders het verlies van hun zoontje [minderjarige 2] nog aan het verwerken zijn en dat de vrouw nog herstellende is van de darm trombose. Dit alles maakt het op dit moment moeilijk om afspraken met elkaar te maken. De vrouw werkt al jaren op een school in [plaats 2] en ervaart veel hulp en steun van haar collega’s. Haar wens om dichter in hun buurt te wonen zodat zij kan terugvallen op haar netwerk is dan ook begrijpelijk. Echter, met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van een verhuizing op dit moment te groot voor [minderjarige 1] zullen zijn. [minderjarige 1] heeft het afgelopen jaar veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Haar ouders zijn uit elkaar gegaan waardoor zij afwisselend bij één van hen verblijft. Haar broertje is overleden en zij ziet en voelt het verdriet van haar ouders hierover. Daarnaast heeft zij ook haar opa verloren. Ook is [minderjarige 1] gestart op de basisschool. Dit is eveneens een ingrijpende verandering in haar dagelijks leven. Al met al is het heel veel om te verwerken voor een kind van haar leeftijd. Een verhuizing naar [plaats 2] zou betekenen dat zij uit haar vertrouwde omgeving wordt weggehaald en dat zij minder contact zou hebben met haar vader. Een dergelijke ingrijpende verandering acht de rechtbank op dit moment niet in haar belang. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de reisafstand tussen [plaats 1] en [plaats 2] ongeveer 78 kilometer is, waardoor een wisseling van het contact tussen beide ouders een lange reistijd voor [minderjarige 1] zou inhouden. Een afdoende compensatie is gelet op deze afstand dan ook niet mogelijk. [minderjarige 1] heeft er belang bij dat beide ouders een rol van betekenis in haar leven kunnen spelen. De man neemt op dit moment een aanzienlijk deel van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op zich. Niet is gebleken dat hij dit niet aankan. De vrouw stelt dat zij, wanneer zij in [plaats 2] zou wonen, kan terugvallen op haar netwerk wanneer zij om de een of andere reden niet in staat is zelf voor [minderjarige 1] te zorgen. Hoewel dit een begrijpelijke redenering is zet de rechtbank daar tegenover dat de vrouw, wanneer zij in [plaats 1] blijft wonen, voor de zorg van [minderjarige 1] terug kan vallen op de man. 5.7. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het belang van [minderjarige 1] het meest gediend is als zij met de vrouw in [plaats 1] blijft wonen. Zij zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen. Hoofdverblijf 5.8. Het aanvullende verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar te bepalen zal worden aangehouden en ter verdere behandeling worden gevoegd bij de echtscheidingsprocedure met kenmerk C/02/435586 FA RK 25-2586. Verwijzing naar enkelvoudige kamer 5.9. Voor de verdere behandeling van de procedure zal de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak verwijzen naar de enkelvoudige kamer, zodat de zaak vanaf nu door één rechter zal worden behandeld. Voorwaardelijke zelfstandige verzoeken man 5.10. Nu het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming om te verhuizen wordt afgewezen, heeft de man geen belang meer bij zijn voorwaardelijke verzoeken. Deze zullen dan ook worden afgewezen. Communicatie ouders 5.11. Met partijen is tijdens de zitting gesproken over de mogelijkheid tot hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA), zoals is geadviseerd door de Raad. Hoewel iedereen het erover eens is dat het belangrijk is dat er gewerkt wordt aan het verbeteren van de communicatie tussen partijen, acht de rechtbank een verwijzing naar het UHA op dit moment niet aan de orde. Daargelaten dat partijen op dit moment niet beiden instemmen met inzet van het UHA, neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat de echtscheidingsprocedure op korte termijn gepland staat voor een behandeling ter zitting. Indien er meer duidelijkheid is voor partijen ontstaat er mogelijk ook meer ruimte bij hen om te werken aan hun communicatie. Het is immers in het belang van [minderjarige 1] dat haar ouders op een normale wijze met elkaar kunnen communiceren. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich hier te zijner tijd voor zullen inzetten. 5.12. Dit leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. wijst het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van vervangende toestemming om met [minderjarige 1] naar [plaats 2] te verhuizen af; 6.2. wijst de voorwaardelijke verzoeken van de man af; 6.3. verwijst de procedure in de stand waarin deze zich bevindt naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbank; 6.4. houdt het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van het hoofdverblijf aan tot de zitting van donderdag [datum] 2026, om [uur] bij de enkelvoudige kamer van deze rechtbank (behandelend rechter mr. Oomes), in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10, 4815 GW te Breda; 6.5. bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de ouders en hun advocaten en de Raad; 6.6. behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 door mr. Phillips, voorzitter, mr. Van Gessel en mr. Skrotzki, allen kinderrechters, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.