Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-01
ECLI:NL:RBZWB:2026:3662
Civiel recht
Voorlopige voorziening
9,625 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3662 text/xml public 2026-05-19T08:23:40 2026-05-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-01 C/02/444570 / FA RK 26-535 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Middelburg Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3662 text/html public 2026-05-19T08:22:15 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3662 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 01-04-2026 / C/02/444570 / FA RK 26-535 Vaststelling voorlopige zorgregeling onder begeleiding. Contact tussen de vrouw en de minderjarigen moet worden hersteld en komt met inzet hulpverlening nog niet van de grond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/444570 / FA RK 26-535 datum uitspraak: 1 april 2026 beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonadres 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. M. de Houck te Terneuzen, en [de man] , wonende te [woonadres 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. D.J.A. Burlet te Oostburg. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 23 januari 2026 ontvangen verzoekschrift tot vaststelling van een voorlopige voorziening ex art. 821 Rv met bijlagen; - de brief van mr. Burlet van 13 maart 2026 met bijlage; - het F-formulier van mr. De Houck van 16 maart 2026 met bijlagen; 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 17 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad. 1.3. Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Beiden minderjarigen hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben op 16 maart 2026 - afzonderlijk van elkaar - een gesprek met de kinderrechter gehad. De kinderrechter heeft op de zitting van 17 maart 2026 samengevat wat de minderjarigen naar voren hebben gebracht en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn op [datum] 2011 te [plaats] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. 2.2. Partijen hebben de navolgende, nu nog minderjarige, kinderen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedag 1] 2011; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedag 2] 2013. 2.3. De minderjarigen verblijven bij de man. 2.4. Tussen partijen is een procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap aanhangig (bekend onder zaaknummer C/02/437363 / FA RK 25-3482). 3 Het verzoek 3.1. De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, als voorlopige regeling een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de kinderen wekelijks één middag na schooltijd tot na het avondeten en wekelijks een halve dag in het weekend bij de vrouw verblijven zulks gedurende één maand. Vervolgens kan vanaf de tweede maand een uitbreiding plaatsvinden inhoudende dat de kinderen wekelijks twee middagen na school tot na het avondeten bij de vrouw verblijven alsmede één hele dag in het weekend. 3.2. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Voorlopige zorgregeling 4.1. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vrouw heeft in het verleden met diverse problemen te kampen gehad. Zij heeft een gastric bypass gehad en dit heeft geleid tot meerdere medische complicaties. Daarnaast waren er relationele problemen. Ter verdoving van de door haar ervaren pijn is zij alcohol gaan gebruiken, hetgeen heeft geresulteerd in een periode van alcoholverslaving. De vrouw is hiervoor opgenomen geweest en blijft ook onder behandeling. Zij heeft intensief aan zichzelf gewerkt om in het belang van de kinderen stabiliteit te bereiken. Op het moment dat het slechter ging met de vrouw zijn de minderjarigen bij de man gaan verblijven. [praktijk] is sinds 1 maart 2025 betrokken geweest bij de minderjarigen in verband met de thuissituatie. Het traject is overgenomen door [zorgorganisatie 1] . [zorgorganisatie 1] zou onder andere zorgen voor contactmomenten tussen de vrouw en de minderjarigen en de begeleiding daarvan. Dit gebeurde in zeer beperkte mate en nu helemaal niet meer. Inmiddels is [zorgorganisatie 2], betrokken. Het crisisteam van [hulpverlening] is ingezet en heeft op verzoek van Veilig Thuis getracht het contact tussen de vrouw en de minderjarigen op gang te brengen. De inzet van de hulpverlening heeft tot op heden echter niet tot herstel van het contact tussen de vrouw en de minderjarigen geleid. Inmiddels is de zaak vanuit de gemeente aangemeld bij [zorgorganisatie 3] en is er een casusregisseur aangezocht. De vrouw is ten einde raad en emotioneel uitgeput. Zij heeft een zware tijd achter de rug en doet er alles aan haar leven op de rit te krijgen/houden. Er is inmiddels sinds 24 oktober 2025 geen enkel contact meer tussen de vrouw en de minderjarigen geweest. Het is in het belang van de kinderen dat er weer zo snel mogelijk onbelast en structureel contact tussen haar en de kinderen plaatsvindt. Gebleken is dat de hulpverlening niet van de grond komt, terwijl de zorgen over de kinderen onverminderd groot zijn. De betrokken hulpverlenende instanties hebben de vrouw geadviseerd deze procedure te starten om er zorg voor te dragen dat er binnen afzienbare tijd een zorgregeling komt althans inzet van hulpverlening. De vrouw wenst een opbouwende zorgregeling waarbij de kinderen bij voorkeur tegelijk bij haar verblijven. Zij verzet zich niet tegen een door een betrokken hulpverleningsinstantie te begeleiden zorgregeling. 4.2. Door en namens de man is tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De man staat open voor herstel van de contacten tussen de vrouw en de minderjarigen. Hij wil de minderjarigen absoluut niet bij hun moeder weghouden, maar vindt wel dat de contacten onder begeleiding van een hulpverlenende instantie moeten plaatsvinden en de in het rapport van Veilig Thuis opgestelde veiligheidsafspraken moeten worden nageleefd. Er is veel hulpverlening betrokken, maar er wordt tot op heden geen vooruitgang geboekt. Er is sinds kort een start gemaakt met de inzet van casusregie. De man heeft eerder met de hulpverlening de afspraak gemaakt dat de minderjarigen om beurten contact zouden hebben met de vrouw. Dit omdat zij ieder andere interesses hebben. Ook wil de man daarmee voorkomen dat er na het omgangscontact met de vrouw bij hem thuis strijd ontstaat tussen de minderjarigen over hoe het contact met hun moeder is verlopen of dat één van de kinderen tijdens het omgangscontact niet open durft te zijn naar de vrouw toe. De man acht het van belang dat de eventueel vast te stellen voorlopige zorgregeling tussentijds wordt geëvalueerd, zodat van deze regeling kan worden afgeweken als de minderjarigen daar behoefte aan hebben. 4.3. De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Er ligt een kundig rapport van Veilig Thuis waarin duidelijk wordt aangegeven welke veiligheidsvoorwaarden er moeten gelden. De Raad sluit zich hierbij aan. Het is positief dat [zorgorganisatie 3] sinds eind januari 2026 is gestart. Gelet op de kindeigen problematiek van de minderjarigen en dat wat zij in het verleden hebben meegemaakt is het van belang dat het contactherstel tussen de vrouw en de minderjarigen plaatsvindt op een rustige en veilige manier, waarbij het tempo van de minderjarigen leidend dient te zijn. Ook acht de Raad het van belang dat de contacten tussen de vrouw en de minderjarigen tussentijds worden geëvalueerd.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3662 text/xml public 2026-05-19T08:23:40 2026-05-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-01 C/02/444570 / FA RK 26-535 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Middelburg Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3662 text/html public 2026-05-19T08:22:15 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3662 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 01-04-2026 / C/02/444570 / FA RK 26-535 Vaststelling voorlopige zorgregeling onder begeleiding. Contact tussen de vrouw en de minderjarigen moet worden hersteld en komt met inzet hulpverlening nog niet van de grond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/444570 / FA RK 26-535 datum uitspraak: 1 april 2026 beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonadres 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. M. de Houck te Terneuzen, en [de man] , wonende te [woonadres 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. D.J.A. Burlet te Oostburg. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 23 januari 2026 ontvangen verzoekschrift tot vaststelling van een voorlopige voorziening ex art. 821 Rv met bijlagen; - de brief van mr. Burlet van 13 maart 2026 met bijlage; - het F-formulier van mr. De Houck van 16 maart 2026 met bijlagen; 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 17 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad. 1.3. Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Beiden minderjarigen hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben op 16 maart 2026 - afzonderlijk van elkaar - een gesprek met de kinderrechter gehad. De kinderrechter heeft op de zitting van 17 maart 2026 samengevat wat de minderjarigen naar voren hebben gebracht en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn op [datum] 2011 te [plaats] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. 2.2. Partijen hebben de navolgende, nu nog minderjarige, kinderen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedag 1] 2011; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedag 2] 2013. 2.3. De minderjarigen verblijven bij de man. 2.4. Tussen partijen is een procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap aanhangig (bekend onder zaaknummer C/02/437363 / FA RK 25-3482). 3 Het verzoek 3.1. De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, als voorlopige regeling een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de kinderen wekelijks één middag na schooltijd tot na het avondeten en wekelijks een halve dag in het weekend bij de vrouw verblijven zulks gedurende één maand. Vervolgens kan vanaf de tweede maand een uitbreiding plaatsvinden inhoudende dat de kinderen wekelijks twee middagen na school tot na het avondeten bij de vrouw verblijven alsmede één hele dag in het weekend. 3.2. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Voorlopige zorgregeling 4.1. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vrouw heeft in het verleden met diverse problemen te kampen gehad. Zij heeft een gastric bypass gehad en dit heeft geleid tot meerdere medische complicaties. Daarnaast waren er relationele problemen. Ter verdoving van de door haar ervaren pijn is zij alcohol gaan gebruiken, hetgeen heeft geresulteerd in een periode van alcoholverslaving. De vrouw is hiervoor opgenomen geweest en blijft ook onder behandeling. Zij heeft intensief aan zichzelf gewerkt om in het belang van de kinderen stabiliteit te bereiken. Op het moment dat het slechter ging met de vrouw zijn de minderjarigen bij de man gaan verblijven. [praktijk] is sinds 1 maart 2025 betrokken geweest bij de minderjarigen in verband met de thuissituatie. Het traject is overgenomen door [zorgorganisatie 1] . [zorgorganisatie 1] zou onder andere zorgen voor contactmomenten tussen de vrouw en de minderjarigen en de begeleiding daarvan. Dit gebeurde in zeer beperkte mate en nu helemaal niet meer. Inmiddels is [zorgorganisatie 2], betrokken. Het crisisteam van [hulpverlening] is ingezet en heeft op verzoek van Veilig Thuis getracht het contact tussen de vrouw en de minderjarigen op gang te brengen. De inzet van de hulpverlening heeft tot op heden echter niet tot herstel van het contact tussen de vrouw en de minderjarigen geleid. Inmiddels is de zaak vanuit de gemeente aangemeld bij [zorgorganisatie 3] en is er een casusregisseur aangezocht. De vrouw is ten einde raad en emotioneel uitgeput. Zij heeft een zware tijd achter de rug en doet er alles aan haar leven op de rit te krijgen/houden. Er is inmiddels sinds 24 oktober 2025 geen enkel contact meer tussen de vrouw en de minderjarigen geweest. Het is in het belang van de kinderen dat er weer zo snel mogelijk onbelast en structureel contact tussen haar en de kinderen plaatsvindt. Gebleken is dat de hulpverlening niet van de grond komt, terwijl de zorgen over de kinderen onverminderd groot zijn. De betrokken hulpverlenende instanties hebben de vrouw geadviseerd deze procedure te starten om er zorg voor te dragen dat er binnen afzienbare tijd een zorgregeling komt althans inzet van hulpverlening. De vrouw wenst een opbouwende zorgregeling waarbij de kinderen bij voorkeur tegelijk bij haar verblijven. Zij verzet zich niet tegen een door een betrokken hulpverleningsinstantie te begeleiden zorgregeling. 4.2. Door en namens de man is tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De man staat open voor herstel van de contacten tussen de vrouw en de minderjarigen. Hij wil de minderjarigen absoluut niet bij hun moeder weghouden, maar vindt wel dat de contacten onder begeleiding van een hulpverlenende instantie moeten plaatsvinden en de in het rapport van Veilig Thuis opgestelde veiligheidsafspraken moeten worden nageleefd. Er is veel hulpverlening betrokken, maar er wordt tot op heden geen vooruitgang geboekt. Er is sinds kort een start gemaakt met de inzet van casusregie. De man heeft eerder met de hulpverlening de afspraak gemaakt dat de minderjarigen om beurten contact zouden hebben met de vrouw. Dit omdat zij ieder andere interesses hebben. Ook wil de man daarmee voorkomen dat er na het omgangscontact met de vrouw bij hem thuis strijd ontstaat tussen de minderjarigen over hoe het contact met hun moeder is verlopen of dat één van de kinderen tijdens het omgangscontact niet open durft te zijn naar de vrouw toe. De man acht het van belang dat de eventueel vast te stellen voorlopige zorgregeling tussentijds wordt geëvalueerd, zodat van deze regeling kan worden afgeweken als de minderjarigen daar behoefte aan hebben. 4.3. De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Er ligt een kundig rapport van Veilig Thuis waarin duidelijk wordt aangegeven welke veiligheidsvoorwaarden er moeten gelden. De Raad sluit zich hierbij aan. Het is positief dat [zorgorganisatie 3] sinds eind januari 2026 is gestart. Gelet op de kindeigen problematiek van de minderjarigen en dat wat zij in het verleden hebben meegemaakt is het van belang dat het contactherstel tussen de vrouw en de minderjarigen plaatsvindt op een rustige en veilige manier, waarbij het tempo van de minderjarigen leidend dient te zijn. Ook acht de Raad het van belang dat de contacten tussen de vrouw en de minderjarigen tussentijds worden geëvalueerd.
Volledig
De Raad adviseert te starten met een begeleid omgangscontact van één uur per keer, omdat deze duur en frequentie aansluit bij de laatste keer dat er contact heeft plaatsgevonden tussen de vrouw en de minderjarigen. Wellicht is daarna een snelle(re) opbouw en uitbreiding van de contacten mogelijk. De Raad kan zich vinden in de door de rechtbank tijdens de zitting voorgestelde opbouwende zorgregeling waarbij de minderjarigen eerst een periode ieder apart tijd doorbrengen met hun moeder en na verloop van tijd samen bij hun moeder verblijven. De Raad adviseert ook dit punt tussentijds te evalueren, zodat goed kan worden aangesloten op de behoeften van de kinderen. Het is van belang dat de door de rechtbank vast te stellen voorlopige zorgregeling niet ’in beton wordt gegoten’, maar dat van deze regeling kan worden afgeweken als de minderjarigen daar behoefte aan hebben doordat zij zich bijvoorbeeld onvoldoende veilig voelen. 4.4. De rechtbank overweegt als volgt. 4.4.1. Vast staat dat er vanaf eind oktober 2025 geen contact meer heeft plaatsgevonden tussen de vrouw en de minderjarigen. Er is al langere tijd ontzettend veel hulpverlening betrokken bij het gezin van partijen, maar dit heeft er tot op heden nog altijd niet in geresulteerd dat de minderjarigen op een veilige en verantwoorde manier contact hebben met hun moeder. Dit terwijl dat wel een wens is van beide partijen en ook in het rapport van Veilig Thuis wordt aangegeven dat het van belang is dat er - zij het op een zorgvuldige manier en daarbij rekening houdend met de gevoelens van de minderjarigen - zo spoedig mogelijk wordt toegewerkt naar contactherstel tussen de vrouw en de minderjarigen, omdat er sprake is van (dreigend) contactverlies. Ook de Raad heeft zich bij dit rapport van Veilig Thuis aangesloten. De rechtbank is evenals de Raad en partijen van oordeel dat het contact tussen de vrouw en de minderjarigen zo spoedig mogelijk dient te worden hersteld. De rechtbank zal daarom in afwachting van de verdere inzet van hulpverlening een voorlopige zorgregeling vaststellen, zodat de sinds eind januari 2026 betrokken casusregisseur van [zorgorganisatie 3] direct aan de slag kan gaan met een concreet plan. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op dat wat de minderjarigen in het verleden hebben meegemaakt en hetgeen zij tijdens de kindgesprekken hebben aangegeven, daarbij wel aan de volgende veiligheidsvoorwaarden moet worden voldaan: - De vrouw is tijdens de contactmomenten met de minderjarigen nuchter en de jeugdbeschermer/omgangsbegeleider dient voorafgaand aan elk contactmoment te beoordelen of de kinderen op dat moment op een veilige en verantwoorde manier contact kunnen hebben met de vrouw; - De vrouw dient voorafgaand aan de omgangscontacten met de minderjarigen een alcoholblaastest te doen om aan te tonen dat zij geen alcohol heeft genuttigd; - Zowel de vrouw als de man dient de minderjarigen niet te belasten met negatieve uitlatingen over de andere ouder; - De man en de vrouw garanderen de minderjarigen een voorspelbare, stabiele opvoedomgeving waarbij zij te allen tijde terug kunnen vallen op een volwassene die emotioneel en fysiek beschikbaar is, inhoudende dat: o deze volwassene garandeert nuchter te zijn en te allen tijde emotioneel en fysiek beschikbaar is; o de minderjarigen zijn gegarandeerd van een voorspelbare, veilige zorgregeling met de niet-verzorgende ouder; - De minderjarigen zijn geen getuige en/of slachtoffer van verbaal en/of fysiek geweld dan wel spanningen tussen de ouders en andere belangrijke volwassenen als opa en oma (mz); - De minderjarigen ontvangen de noodzakelijke geachte hulpverlening ten aanzien van het contactherstel met hun moeder, het verwerken van de scheiding en traumatische gebeurtenissen. 4.4.2. Tijdens de zitting is de vraag aan de orde gekomen of de minderjarigen samen of afzonderlijk van elkaar contact moeten hebben met hun moeder. De vrouw heeft de voorkeur uitgesproken om met beide minderjarigen tegelijk contact te hebben, terwijl de man wenst dat de minderjarigen ieder apart contact hebben met de vrouw. Gelet op het grote verschil in interesses en bezigheden van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het feit dat de kinderrechter uit de kindgesprekken afleidt dat zij ieder op een andere manier contact wensen met hun moeder, zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling vaststellen waarbij de minderjarigen de eerste drie maanden afzonderlijk en daarna (ook) samen tijd doorbrengen met hun moeder. De vrouw heeft tijdens de zitting - desgevraagd - aangegeven zich ook in een dergelijke regeling te kunnen vinden. 4.4.3. Voorop staat dat de contacten tussen de vrouw en de minderjarigen op een veilige manier moeten plaatsvinden. De rechtbank is dan ook met de Raad en de man van oordeel dat de omgangscontacten tussen de vrouw en de minderjarigen onder begeleiding van een hulpverlenende instantie moeten plaatsvinden. De rechtbank heeft de verwachting dat, uiteraard afhankelijk van het verloop van de omgangscontacten, de hulpverlening zal toewerken naar onbegeleide contacten tussen de vrouw en de minderjarigen, maar kan op dit moment niet overzien op welke termijn dit passend en in het belang van de minderjarigen is. 4.4.4. Door de Raad en partijen is tijdens de zitting aangegeven dat het wenselijk is dat de vast te stellen voorlopige zorgregeling tussentijds wordt geëvalueerd, zodat de regeling, afhankelijk van hoe de minderjarigen de zorgregeling ervaren, in opbouw kan worden versneld of vertraagd. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat, gelet op hetgeen de minderjarigen in het verleden hebben meegemaakt en dat wat zij tijdens de kindgesprekken naar voren hebben gebracht, het tempo van de minderjarigen bij de opbouw en uitbreiding van de omgangscontacten leidend dient te zijn, maar merkt daarbij wel op dat het tussentijds evalueren van de zorgregeling het gevaar met zich brengt dat er ruis ontstaat. Er zou tussen partijen immers verschil van mening kunnen ontstaan over de vraag of er versneld of vertraagd zou moeten worden en waarom. Dit acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen, juist omdat van partijen wordt verwacht dat zij - al dan niet door middel van de ter zitting besproken inzet van een ouderschapsbemiddelingstraject - hun ouderrelatie gaan herstellen. Om die reden moeten onnodige discussies over het eventueel versnellen of vertragen van de opbouw van de omgangscontacten worden vermeden. Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat de minderjarigen, mede gelet op hun leeftijd, de ruimte moeten hebben om aan te geven welke regeling voor hen werkt. Dit maakt dat de vast te stellen zorgregeling niet ‘in beton moet worden gegoten’, maar ook flexibel en daarmee aanpasbaar moet zijn. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de casusregisseur de bij deze beschikking vast te stellen voorlopige zorgregeling in ieder geval na een maand met partijen en de minderjarigen evalueert. 4.4.5.
Volledig
De Raad adviseert te starten met een begeleid omgangscontact van één uur per keer, omdat deze duur en frequentie aansluit bij de laatste keer dat er contact heeft plaatsgevonden tussen de vrouw en de minderjarigen. Wellicht is daarna een snelle(re) opbouw en uitbreiding van de contacten mogelijk. De Raad kan zich vinden in de door de rechtbank tijdens de zitting voorgestelde opbouwende zorgregeling waarbij de minderjarigen eerst een periode ieder apart tijd doorbrengen met hun moeder en na verloop van tijd samen bij hun moeder verblijven. De Raad adviseert ook dit punt tussentijds te evalueren, zodat goed kan worden aangesloten op de behoeften van de kinderen. Het is van belang dat de door de rechtbank vast te stellen voorlopige zorgregeling niet ’in beton wordt gegoten’, maar dat van deze regeling kan worden afgeweken als de minderjarigen daar behoefte aan hebben doordat zij zich bijvoorbeeld onvoldoende veilig voelen. 4.4. De rechtbank overweegt als volgt. 4.4.1. Vast staat dat er vanaf eind oktober 2025 geen contact meer heeft plaatsgevonden tussen de vrouw en de minderjarigen. Er is al langere tijd ontzettend veel hulpverlening betrokken bij het gezin van partijen, maar dit heeft er tot op heden nog altijd niet in geresulteerd dat de minderjarigen op een veilige en verantwoorde manier contact hebben met hun moeder. Dit terwijl dat wel een wens is van beide partijen en ook in het rapport van Veilig Thuis wordt aangegeven dat het van belang is dat er - zij het op een zorgvuldige manier en daarbij rekening houdend met de gevoelens van de minderjarigen - zo spoedig mogelijk wordt toegewerkt naar contactherstel tussen de vrouw en de minderjarigen, omdat er sprake is van (dreigend) contactverlies. Ook de Raad heeft zich bij dit rapport van Veilig Thuis aangesloten. De rechtbank is evenals de Raad en partijen van oordeel dat het contact tussen de vrouw en de minderjarigen zo spoedig mogelijk dient te worden hersteld. De rechtbank zal daarom in afwachting van de verdere inzet van hulpverlening een voorlopige zorgregeling vaststellen, zodat de sinds eind januari 2026 betrokken casusregisseur van [zorgorganisatie 3] direct aan de slag kan gaan met een concreet plan. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op dat wat de minderjarigen in het verleden hebben meegemaakt en hetgeen zij tijdens de kindgesprekken hebben aangegeven, daarbij wel aan de volgende veiligheidsvoorwaarden moet worden voldaan: - De vrouw is tijdens de contactmomenten met de minderjarigen nuchter en de jeugdbeschermer/omgangsbegeleider dient voorafgaand aan elk contactmoment te beoordelen of de kinderen op dat moment op een veilige en verantwoorde manier contact kunnen hebben met de vrouw; - De vrouw dient voorafgaand aan de omgangscontacten met de minderjarigen een alcoholblaastest te doen om aan te tonen dat zij geen alcohol heeft genuttigd; - Zowel de vrouw als de man dient de minderjarigen niet te belasten met negatieve uitlatingen over de andere ouder; - De man en de vrouw garanderen de minderjarigen een voorspelbare, stabiele opvoedomgeving waarbij zij te allen tijde terug kunnen vallen op een volwassene die emotioneel en fysiek beschikbaar is, inhoudende dat: o deze volwassene garandeert nuchter te zijn en te allen tijde emotioneel en fysiek beschikbaar is; o de minderjarigen zijn gegarandeerd van een voorspelbare, veilige zorgregeling met de niet-verzorgende ouder; - De minderjarigen zijn geen getuige en/of slachtoffer van verbaal en/of fysiek geweld dan wel spanningen tussen de ouders en andere belangrijke volwassenen als opa en oma (mz); - De minderjarigen ontvangen de noodzakelijke geachte hulpverlening ten aanzien van het contactherstel met hun moeder, het verwerken van de scheiding en traumatische gebeurtenissen. 4.4.2. Tijdens de zitting is de vraag aan de orde gekomen of de minderjarigen samen of afzonderlijk van elkaar contact moeten hebben met hun moeder. De vrouw heeft de voorkeur uitgesproken om met beide minderjarigen tegelijk contact te hebben, terwijl de man wenst dat de minderjarigen ieder apart contact hebben met de vrouw. Gelet op het grote verschil in interesses en bezigheden van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het feit dat de kinderrechter uit de kindgesprekken afleidt dat zij ieder op een andere manier contact wensen met hun moeder, zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling vaststellen waarbij de minderjarigen de eerste drie maanden afzonderlijk en daarna (ook) samen tijd doorbrengen met hun moeder. De vrouw heeft tijdens de zitting - desgevraagd - aangegeven zich ook in een dergelijke regeling te kunnen vinden. 4.4.3. Voorop staat dat de contacten tussen de vrouw en de minderjarigen op een veilige manier moeten plaatsvinden. De rechtbank is dan ook met de Raad en de man van oordeel dat de omgangscontacten tussen de vrouw en de minderjarigen onder begeleiding van een hulpverlenende instantie moeten plaatsvinden. De rechtbank heeft de verwachting dat, uiteraard afhankelijk van het verloop van de omgangscontacten, de hulpverlening zal toewerken naar onbegeleide contacten tussen de vrouw en de minderjarigen, maar kan op dit moment niet overzien op welke termijn dit passend en in het belang van de minderjarigen is. 4.4.4. Door de Raad en partijen is tijdens de zitting aangegeven dat het wenselijk is dat de vast te stellen voorlopige zorgregeling tussentijds wordt geëvalueerd, zodat de regeling, afhankelijk van hoe de minderjarigen de zorgregeling ervaren, in opbouw kan worden versneld of vertraagd. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat, gelet op hetgeen de minderjarigen in het verleden hebben meegemaakt en dat wat zij tijdens de kindgesprekken naar voren hebben gebracht, het tempo van de minderjarigen bij de opbouw en uitbreiding van de omgangscontacten leidend dient te zijn, maar merkt daarbij wel op dat het tussentijds evalueren van de zorgregeling het gevaar met zich brengt dat er ruis ontstaat. Er zou tussen partijen immers verschil van mening kunnen ontstaan over de vraag of er versneld of vertraagd zou moeten worden en waarom. Dit acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen, juist omdat van partijen wordt verwacht dat zij - al dan niet door middel van de ter zitting besproken inzet van een ouderschapsbemiddelingstraject - hun ouderrelatie gaan herstellen. Om die reden moeten onnodige discussies over het eventueel versnellen of vertragen van de opbouw van de omgangscontacten worden vermeden. Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat de minderjarigen, mede gelet op hun leeftijd, de ruimte moeten hebben om aan te geven welke regeling voor hen werkt. Dit maakt dat de vast te stellen zorgregeling niet ‘in beton moet worden gegoten’, maar ook flexibel en daarmee aanpasbaar moet zijn. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de casusregisseur de bij deze beschikking vast te stellen voorlopige zorgregeling in ieder geval na een maand met partijen en de minderjarigen evalueert. 4.4.5.
Volledig
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de navolgende voorlopige zorgregeling vaststellen tussen de vrouw en de minderjarigen: - Maand 1 : de minderjarigen hebben gedurende één uur per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar, de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Maand 2 : de minderjarigen hebben gedurende twee uur per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar, de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Maand 3 : de minderjarigen hebben elke week gedurende twee uur afzonderlijk van elkaar, te weten de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Vanaf maand 4 : de minderjarigen hebben (zo mogelijk deels) onder begeleiding van de hulpverlening eenmaal per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar omgang met de vrouw op woensdagmiddag respectievelijke vrijdagmiddag uit school t/m het avondeten en eenmaal per twee weken (te weten in week 2 en week 4 van die maand) (zo mogelijk deels) onder begeleiding van de hulpverlening samen omgang met de vrouw van woensdagmiddag uit school t/m het avondeten. 4.4.6. Voor het geval - na evaluatie - blijkt dat de hiervoor vastgestelde opbouwregeling te belastend is of te snel of juist langzaam gaat voor de minderjarigen dan is het aan de casusregisseur om te bezien wat een andere passende zorgregeling is. Daarbij heeft te gelden dat voor ieder van de minderjarigen - naar behoefte - een andere zorgregeling vastgesteld zou kunnen worden, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat er in ieder geval gedurende één keer per twee weken twee uur contact plaatsvindt tussen de vrouw en de minderjarigen, al dan niet afzonderlijk van elkaar. Directe werking 4.5. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. bepaalt dat de vrouw en de minderjarigen: 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedag 1] 2011, en 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedag 2] 2013, in het kader van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op de navolgende wijze: - Maand 1 : de minderjarigen hebben gedurende één uur per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar, de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Maand 2 : de minderjarigen hebben gedurende twee uur per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar, de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Maand 3 : de minderjarigen hebben elke week gedurende twee uur afzonderlijk van elkaar, te weten de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Vanaf maand 4 : de minderjarigen hebben (zo mogelijk deels) onder begeleiding van de hulpverlening eenmaal per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar omgang met de vrouw op woensdagmiddag respectievelijke vrijdagmiddag uit school t/m het avondeten en eenmaal per twee weken (te weten in week 2 en week 4 van die maand) (zo mogelijk deels) onder begeleiding van de hulpverlening samen omgang met de vrouw van woensdagmiddag uit school t/m het avondeten, dit alles met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverwegingen 4.4.1. t/m 4.4.6. is overwogen; 5.2. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter tevens kinderrechter, en in tegenwoordigheid van mr. van ’t Veer-Bax, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
Volledig
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de navolgende voorlopige zorgregeling vaststellen tussen de vrouw en de minderjarigen: - Maand 1 : de minderjarigen hebben gedurende één uur per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar, de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Maand 2 : de minderjarigen hebben gedurende twee uur per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar, de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Maand 3 : de minderjarigen hebben elke week gedurende twee uur afzonderlijk van elkaar, te weten de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Vanaf maand 4 : de minderjarigen hebben (zo mogelijk deels) onder begeleiding van de hulpverlening eenmaal per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar omgang met de vrouw op woensdagmiddag respectievelijke vrijdagmiddag uit school t/m het avondeten en eenmaal per twee weken (te weten in week 2 en week 4 van die maand) (zo mogelijk deels) onder begeleiding van de hulpverlening samen omgang met de vrouw van woensdagmiddag uit school t/m het avondeten. 4.4.6. Voor het geval - na evaluatie - blijkt dat de hiervoor vastgestelde opbouwregeling te belastend is of te snel of juist langzaam gaat voor de minderjarigen dan is het aan de casusregisseur om te bezien wat een andere passende zorgregeling is. Daarbij heeft te gelden dat voor ieder van de minderjarigen - naar behoefte - een andere zorgregeling vastgesteld zou kunnen worden, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat er in ieder geval gedurende één keer per twee weken twee uur contact plaatsvindt tussen de vrouw en de minderjarigen, al dan niet afzonderlijk van elkaar. Directe werking 4.5. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. bepaalt dat de vrouw en de minderjarigen: 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedag 1] 2011, en 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] , België, op [geboortedag 2] 2013, in het kader van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op de navolgende wijze: - Maand 1 : de minderjarigen hebben gedurende één uur per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar, de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Maand 2 : de minderjarigen hebben gedurende twee uur per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar, de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Maand 3 : de minderjarigen hebben elke week gedurende twee uur afzonderlijk van elkaar, te weten de ene minderjarige op woensdag en de andere minderjarige op vrijdag, onder begeleiding van de hulpverlening omgang met de vrouw; - Vanaf maand 4 : de minderjarigen hebben (zo mogelijk deels) onder begeleiding van de hulpverlening eenmaal per twee weken (te weten in week 1 en week 3 van die maand) afzonderlijk van elkaar omgang met de vrouw op woensdagmiddag respectievelijke vrijdagmiddag uit school t/m het avondeten en eenmaal per twee weken (te weten in week 2 en week 4 van die maand) (zo mogelijk deels) onder begeleiding van de hulpverlening samen omgang met de vrouw van woensdagmiddag uit school t/m het avondeten, dit alles met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverwegingen 4.4.1. t/m 4.4.6. is overwogen; 5.2. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter tevens kinderrechter, en in tegenwoordigheid van mr. van ’t Veer-Bax, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.