Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-01
ECLI:NL:RBZWB:2026:3661
Civiel recht
Kort geding
5,692 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3661 text/xml public 2026-05-19T09:54:10 2026-05-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-01 C/02/445166 / KG ZA 26-83 Uitspraak Kort geding NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3661 text/html public 2026-05-19T09:53:47 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3661 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 01-04-2026 / C/02/445166 / KG ZA 26-83 Tussenvonnis in kort geding ten aanzien van de vordering tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor een vakantie in de meivakantie in afwachting van nadere (reis)gegevens. vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaakgegevens: C/02/445166 / KG ZA 26-83 Datum uitspraak: 1 april 2026 Vonnis in kort geding tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor een vakantie in de zaak van [de vrouw] wonende te [woonplaats 1] , eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, advocaat: mr. T.M. Coppes te Aerdenhout, tegen [de man] wonende te [woonplaats 2] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat: mr. C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers te Eindhoven, over de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] , Verenigde Staten van Amerika), hierna te noemen: [minderjarige 1] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats] , Verenigde Staten van Amerika), hierna te noemen: [minderjarige 2] , hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen. Als informant wordt in deze procedure aangemerkt: Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Etten-Leur. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de op 17 maart 2026 betekende dagvaarding, met producties; de conclusie van antwoord, tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties, ontvangen op 24 maart 2026; de op 24 maart 2026 ontvangen nadere producties tevens houdende een aanvulling c.q. wijziging van eis van de vrouw. 1.2. Op 25 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak ter zitting mondeling behandeld met gesloten deuren, omdat het belang van de minderjarigen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste. 1.3. Tijdens de zitting zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw [tolk 1] , tolk in de Engelse taal én de man, bijgestaan door zijn advocaat en mevrouw [tolk 2] , tolk in de Engelse taal. Daarnaast is verschenen een tweetal vertegenwoordigsters van de GI. 1.4. Hoewel daartoe te zijn opgeroepen, is er geen vertegenwoordiger namens de Raad verschenen tijdens de zitting teneinde de voorzieningenrechter op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) over de vorderingen te adviseren. 1.5. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. 2.2. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 25 augustus 2025 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 augustus 2025 en tot 25 augustus 2026. 2.4. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 1] 2025, hersteld bij beschikking van [datum 2] 2025, is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en heeft de rechtbank een tijdelijke zorgregeling, die wordt uitgevoerd vanuit de echtelijke woning, bepaald inhoudende: De vrouw zorgt voor de minderjarigen vanaf zaterdag 21.00 uur tot woensdag 12.00 uur zolang [minderjarige 2] nog naar de peuterspeelzaal gaat en tot woensdag 14.00 uur zodra [minderjarige 2] naar de basisschool gaat (vanaf [geboortedag 2] 2025). De man heeft de minderjarigen op zaterdag naar bed gebracht en zal direct na aankomst van de vrouw de woning verlaten. De man zorgt voor de minderjarigen vanaf woensdag 12.00 uur (zolang [minderjarige 2] nog naar de peuterspeelzaal gaat) dan wel 14.00 uur (zodra ook [minderjarige 2] naar de basisschool gaat) tot zaterdag 21.00 uur. De man haalt de minderjarigen op van school en/of peuterspeelzaal. De vrouw heeft de woning op woensdag uiterlijk om 12.00 uur dan wel 14.00 uur verlaten. Beide partijen zorgen ervoor dat de woning schoon wordt achtergelaten voor de komst van de andere ouder. In deze voorlopige zorgregeling is er geen vakantieregeling opgenomen. 2.5. De minderjarigen verblijven op basis van voormelde voorlopige regeling afwisselend bij de man en de vrouw in de echtelijke woning. 2.6. De minderjarigen, de vrouw en de man zijn Amerikaans burger. 3. De vorderingen in conventie en in reconventie 3.1. De vrouw vordert (bij gewijzigde c.q. aangevulde vordering) in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. om aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen in de meivakantie van 2026, van zaterdag 18 april 2026 tot dinsdag 5 mei 2026, voor een familiebezoek naar de Verenigde Staten af te reizen, dan wel in de zomervakantie in de eerste vier, subsidiair drie weken van deze vakantie zijnde van 11 juli tot en met 8 augustus 2026, subsidiair van 11 juli tot en met 1 augustus 2026, voor het geval de reis in de meivakantie niet meer gaat lukken; II. te bepalen dat de vervangende toestemming van de rechtbank strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man; III. te bepalen dat de man de paspoorten en de verblijfsvergunningen van de minderjarigen op de eerste dag na de uitspraak dat de vrouw weer in de woning komt voor de zorg voor de minderjarigen achterlaat op de woonkamertafel, zodat de vrouw deze voor het boeken van de tickets en de reis in haar bezit heeft, IV. met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure. 3.2.1. Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het navolgende aangevoerd. De vrouw wenst in de meivakantie met de minderjarigen op familiebezoek te gaan naar de Verenigde Staten. De vrouw heeft voor deze reis om toestemming gevraagd aan de man en via de advocaat van de man, maar de man heeft geweigerd zijn toestemming hiervoor te verlenen. De vrouw wenst met de minderjarigen op bezoek te gaan naar haar ouders in [plaats 1] , Texas, en daar te verblijven. De vrouw en de minderjarigen hebben haar familie al ruim drie jaar niet gezien. De vrouw vindt het daarbij in het belang van de minderjarigen dat zij contact hebben met hun familie, zowel vaders- als van moederszijde. De moeder van de vrouw kan niet naar Nederland komen en de vrouw zou haar moeder graag bijstaan bij een aanstaande operatie aan haar heup. De vrouw zal de minderjarigen direct na aankomst met de man laten bellen en elk moment dat zij dat wensen contact met de man laten hebben, maar in ieder geval tenminste eenmaal per week. De man kan de vrouw telefonisch of per sms bereiken over de minderjarigen. 3.2.2. Tijdens de zitting heeft de vrouw toegelicht dat zij een visum heeft dit tot juli 2029 geldig is (dit document is ook getoond tijdens de zitting). Daarnaast heeft zij een vast contract bij een internationale uitgeverij in [plaats 2]. Hoewel de vrouw de wens heeft dat de ouders en de minderjarigen allen terugkeren naar de Verenigde Staten, is de gewone verblijfplaats van de minderjarigen en de ouders is in Nederland. De vrouw vindt het belangrijk dat de minderjarigen hun beide ouders in hun leven hebben. De vrouw is onder behandeling voor het omgaan met de gevoelens die zij heeft ten aanzien van de scheiding en haar verblijf in Nederland. De vrouw heeft dan ook niet de intentie om de minderjarigen ongeoorloofd achter te houden in de Verenigde Staten. De vrouw is namelijk bekend met de verstrekkende consequenties die daaraan verbonden zullen zijn. Dit zou namelijk kunnen leiden tot een strafrechtelijke vervolging, een gevangenisstraf en/of het verliezen van haar gezag over de minderjarigen. 3.2.3. De vrouw heeft voor een eerder familiebezoek van de man met de minderjarigen naar de Verenigde Staten de paspoorten van de minderjarigen afgegeven.
Volledig
De vrouw heeft de paspoorten, ondanks de daartoe gemaakte afspraken, van de man niet teruggekregen. De vrouw heeft vanwege het uitblijven van de toestemming, om financiële redenen en vanuit de vrees voor een melding van vermoedelijke kinderontvoering, nog geen tickets gekocht voor de reis. Inmiddels zijn de prijzen van de tickets gestegen en naar mate het vertrek nadert, kan het zijn dat de vrouw de reis in de meivakantie niet kan maken, waardoor zij om proceseconomische reden verzoekt om in een dergelijk geval alvast toestemming te verlenen voor een vakantie naar de Verenigde Staten in de zomervakantie. 3.3.1. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen. Als voorwaardelijke eis in reconventie vordert de man, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw de paspoorten van de minderjarigen binnen twee dagen na terugkeer in Nederland aan de man dient te retourneren, op straffe van een dwangsom van € 100,= per dag dat de vrouw weigert uitvoering te geven aan het vonnis. 3.3.2 Ter onderbouwing van zijn verweer is door en namens de man, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De man heeft grote twijfels en zorgen over de bedoelingen van de vrouw en vreest dat de vrouw niet met de minderjarigen zal terugkeren naar Nederland. De ouders werken al geruime tijd niet samen en door het gebrek aan communicatie heeft de man geen vertrouwen in de vrouw. De vrouw is in eerdere procedures wisselend geweest in haar uitspraken over het verblijf in Nederland en haar mogelijkheden daartoe, waarbij er veel onduidelijkheid is geweest over de visa van de vrouw en de minderjarigen. De vrouw heeft eerder verzocht om vervangende toestemming om samen met de minderjarigen naar de Verenigde Staten te verhuizen, waarbij zij heeft aangegeven geen toekomst voor haar en de minderjarigen in Nederland te zien. Vanwege deze mededeling en omdat de vrouw de paspoorten van de minderjarigen had meegenomen, heeft de man eerder een internationale kinderontvoering signalering gedaan. 3.3.3. De vrouw is ook gediagnostiseerd met een borderline stoornis en heeft zij eerder suïcidale uitspraken gedaan. In de Verenigde Staten heeft de vrouw een zwervend bestaan geleid en er bestaan twijfels over het contact van de vrouw met haar familie. De man vreest dat de vrouw, na een kort bezoek aan haar familie, zal verdwijnen, althans dat zij en de minderjarigen niet meer zullen terugkeren naar Nederland. Voorts vertrouwt de man er niet op dat de vrouw contact met de man zal onderhouden tijdens de vakantie. De vrouw komt eerder gemaakte afspraken niet na. Zij heeft de man geblokkeerd op e-mail en WhatsApp, er vindt geen overdracht plaats door de vrouw aan de man, de vrouw betaalt de verschuldigde kinderalimentatie niet (volledig en tijdig) en stemt niet in met hulpverlening. De diverse hulpverleningstrajecten die binnen het kader van de ondertoezichtstelling moeten worden doorlopen, zijn nog nauwelijks van de grond gekomen en de man acht het niet in het belang van de minderjarigen dat zij Nederland nu verlaten. Daarnaast heeft de man grote zorgen over de huidige politieke situatie in de Verenigde Staten en over het moeten voeren van een teruggeleidingsprocedure in Texas. Als het zover komt, vreest de man dat hij de minderjarigen niet meer terug naar Nederland zal krijgen, omdat zij dan, vanwege het tijdsverloop dat met een dergelijke procedure gepaard gaat, geworteld zullen zijn in de Verenigde Staten en Texas geen uitvoering zal geven aan het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Ook vreest de man dat hij dan te maken zal krijgen met torenhoge proceskosten. 3.3.4. Het spoedeisend belang ten aanzien van de gewijzigde c.q. aanvullende vordering in conventie voor de zomervakantie van de vrouw ontbreekt. De vordering leent zich niet voor een uitspraak in kort geding. Voor de verdeling van de vakanties is er nog een bodemprocedure aanhangig. De vrouw heeft de gevorderde proceskosten veroordeling niet onderbouwd. 3.3.5. Ter onderbouwing van de voorwaardelijke eis in reconventie geeft de man aan dat zijn visum is gekoppeld aan de visa van de minderjarigen. Daarom is het logisch dat de man de paspoorten van de minderjarigen in bewaring heeft. De man betwist dat er afspraken zijn gemaakt over dat de vrouw de paspoorten onder zich dient te bewaren en vreest dat de vrouw de paspoorten zal inzetten als ruilmiddel. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht 4.2. De rechtbank constateert dat de man, de vrouw en de minderjarigen allemaal Amerikaans burger zijn en dat de minderjarigen zijn geboren in Texas, Verenigde Staten van Amerika. Dit brengt met zich dat deze zaak meerdere internationale aspecten kent, waardoor de voorzieningenrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de voorzieningenrechter het toepasselijk recht te bepalen. 4.3. Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse voorzieningenrechter bevoegd van het kort geding kennis te nemen (artikel 7 lid 1 Brussel II-ter Verordening). Op dezelfde grond is op de vorderingen (in conventie en in reconventie) het Nederlands recht van toepassing (artikel 17 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). De inhoudelijke beoordeling 4.4. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen van de vrouw in conventie en de voorwaardelijke vordering van de man in reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 4.5. De eerste vraag die de voorzieningenrechter heeft te beantwoorden, is of de vrouw een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering in conventie strekkende tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de mei- dan wel zomervakantie om met de minderjarigen af te reizen naar de Verenigde Staten (artikel 254 Rv). Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering in conventie tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de reis naar de Verenigde Staten in de meivakantie vast. De vakantie van de vrouw met de minderjarigen staat gepland van 18 april 2026 tot 5 mei 2026. Die datum nadert snel en de vrouw is – vanwege het ontbreken van de toestemming van de man – nog niet in de gelegenheid geweest om vliegtickets te kopen voor deze vakantie. De spoedeisendheid van deze vordering is bovendien door of namens de man niet betwist. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat tot een inhoudelijke beoordeling van deze vordering kan worden overgegaan. 4.6. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter anders ten aanzien van de gevorderde vervangende toestemming voor de vakantie in de zomervakantie. De voorzieningenrechter begrijpt weliswaar de proceseconomische redenen voor de uitbreiding van de vordering door de vrouw, maar dit maakt niet dat de vrouw op dit moment een voldoende spoedeisend belang heeft bij deze vordering. De zomervakantie duurt nog enkele maanden en de vrouw heeft daardoor voldoende tijd om een bodemprocedure aanhangig te maken. De voorzieningenrechter zal deze vordering van de vrouw daarom afwijzen. 4.7. Op basis van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Nu partijen zijn belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen, heeft de vrouw in beginsel de toestemming van de man nodig om samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar het buitenland te reizen en daar te verblijven. Vast staat dat de vrouw aan de man om zijn toestemming heeft gevraagd voor de door de vrouw beoogde vakantie met de minderjarigen naar de Verenigde Staten in de aankomende meivakantie, maar dat de man daarvoor zijn toestemming niet heeft verleend en ook niet wenst te verlenen. Dit maakt dat de vrouw voor deze vakantie, ter vervanging van de toestemming van de man, de toestemming van de rechtbank nodig heeft. 4.8.
Volledig
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in beginsel in het belang van het kind moet worden geacht dat hij of zij een vakantie kan doorbrengen met (één van hun) beide ouders. De voorzieningenrechter moet dit belang afwegen tegen de mogelijk aan die vakantie verbonden concrete veiligheidsrisico’s en beoordelen of er sprake is van zwaarwegende belangen die zich tegen de voorgenomen vakantie verzetten. Dergelijke concrete veiligheidsrisico’s of zwaarwegende belangen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van de beoogde vakantie van de vrouw met de minderjarigen onvoldoende gebleken. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de angsten en zorgen van de man weliswaar invoelbaar zijn, maar onvoldoende concreet en onderbouwd zijn. De vrouw heeft (een deel van) deze zorgen tijdens de zitting weggenomen door meer inzicht te geven in haar persoonlijke situatie en haar binding met Nederland. Zo heeft de vrouw tijdens de zitting een visum getoond, hetwelk geldig is tot 2029. Ook heeft de vrouw, onbetwist, gesteld dat zij een vast contract heeft bij een werkgever in Nederland. 4.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw ook verder voldoende aangetoond dat zij – anders dan door de man wordt gevreesd – daadwerkelijk de intentie en het plan heeft om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug te keren naar Nederland. De vrouw erkent dat de minderjarigen (en de ouders) hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Hoewel de vrouw de wens heeft dat partijen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terugkeren naar de Verenigde Staten, omdat de vrouw zich in Nederland onvoldoende thuis voelt, ziet zij in dat thans niet tot de mogelijkheden behoort. De man deelt deze wens namelijk niet en de vrouw vindt het belangrijk dat beide ouders een rol spelen in het leven van de minderjarigen. De stelling dat door de Verenigde Staten, en in het bijzonder de staat Texas, geen uitvoering zal worden gegeven aan het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980, is door de man niet nader onderbouwd. Geen bewijs is geleverd om de stelling te onderbouwen dat de Amerikaanse rechter de weigeringsgrond van worteling (artikel 12 lid 2 van het Verdrag) verkeerd of onjuist zou toepassen. Tenslotte heeft de vrouw toegelicht dat zij op de hoogte is van de verstrekkende (strafrechtelijke) consequenties van het niet terugkeren met de minderjarigen naar Nederland en dat dit, ook in Texas, zal leiden tot vervolging van de vrouw wegens kinderontvoering. De voorzieningenrechter ziet daarom onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de vrouw desondanks niet met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal terugkeren naar Nederland. 4.10. Namens de GI is tijdens de zitting, kort samengevat, onder meer naar voren gebracht dat er sinds een aantal weken twee vaste jeugdbeschermers betrokken zijn bij het gezin. Middels de hulpverlening van [zorgorganisatie] wordt er ingezet op verbetering van de oudercommunicatie. Op het moment is er nog geen contact tussen de ouders mogelijk. De GI heeft daarbij de indruk dat beide ouders willen meewerken aan de hulpverlening die wordt ingezet. 4.11. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet is gebleken dat de vakantie niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou zijn. De minderjarigen zijn er in beginsel dan ook bij gebaat om op vakantie naar de Verenigde Staten te kunnen gaan met de vrouw en aldaar de familie van de vrouw te kunnen bezoeken. De vrouw en de minderjarigen hebben de familie van de vrouw al zo’n drie jaar niet gezien en de vrouw wenst haar moeder te ondersteunen bij een aanstaande operatie. Daarbij komt nog dat de man en de minderjarigen in het afgelopen jaar wel samen op vakantie zijn gegaan naar de Verenigde Staten. Dit alles maakt dat de vordering van de vrouw in conventie om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de Verenigde Staten af te reizen en aldaar te verblijven in de meivakantie van 18 april 2026 tot 5 mei 2026 voor toewijzing gereedligt. De voorzieningenrechter acht het echter nog te vroeg om meteen een eindvonnis te wijzen. 4.12. Nu de vrouw nog geen vliegtickets heeft geboekt en geen inzicht heeft gegeven in haar reisschema en haar verblijfsadres in de Verenigde Staten, zal de voorzieningenrechter de vrouw eerst in de gelegenheid stellen om binnen één week na het wijze van dit vonnis aan de voorzieningenrechter en de (advocaat van de) man de reisgegevens, waaronder de retourtickets, het reisschema en het verblijfsadres in de Verenigde Staten, te overleggen voor de beoogde vakantie in de meivakantie. Daarbij verwacht de voorzieningenrechter dat de vrouw ook inzicht geeft in wanneer het contact tussen de man en de minderjarigen kan plaatsvinden en hoe dit, al dan niet met tussenkomst van de GI of [zorgorganisatie] , zal worden gerealiseerd. De voorzieningenrechter zal in afwachting van deze nadere informatie van de vrouw de beslissingen op de overige vorderingen van de vrouw in conventie aanhouden. 4.13. Nu de voorzieningenrechter nog niet toekomt aan een inhoudelijke beslissing ten aanzien van de vorderingen van de vrouw in conventie, zal de voorzieningenrechter ook de beslissing ten aanzien van de voorwaardelijke vordering van de man in reconventie aanhouden tot de hierna te melden pro forma datum in afwachting van de nadere informatie van de vrouw. Eerst nadat de voorzieningenrechter een beslissing heeft genomen op de vorderingen van de vrouw in conventie, kan de voorwaardelijke vordering van de man in reconventie inhoudelijk worden beoordeeld. 4.14. De voorzieningenrechter zal vervolgens binnen een week na de hierna te melden pro forma datum een definitief vonnis wijzen ten aanzien van de (voorwaardelijke) vordering(en) in conventie en reconventie. 4.15. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter In conventie en in reconventie: 5.1. wijst de vordering van de vrouw in conventie ten aanzien van de gevraagde vervangende toestemming voor de zomervakantie af; 5.2. houdt de beslissing ten aanzien van de overige (voorwaardelijke) vorderingen in conventie en in reconventie aan tot woensdag 8 april 2026 PRO FORMA , in afwachting van de berichtgeving van de (advocaat van de) vrouw zoals hiervoor onder 4.12 vermeld; 5.3. behoudt zich iedere verdere beslissing voor. Dit vonnis is gewezen door mr. Sumner, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier.