Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-01
ECLI:NL:RBZWB:2026:3656
Civiel recht
Rekestprocedure
6,368 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3656 text/xml public 2026-05-19T09:14:13 2026-05-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-01 C/02/445084 / JE RK 26-263 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3656 text/html public 2026-05-18T14:54:11 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3656 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 01-04-2026 / C/02/445084 / JE RK 26-263 1e OTS gelet op ontwikkelingsbedreiging. rol ouders. onderzoek. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/445084 / JE RK 26-263 Datum uitspraak: 1 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] . De kinderrechter merkt als informanten aan: WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , gevestigd te Amsterdam Zuidoost, hierna te noemen: de GI. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 april 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder; - een vertegenwoordigster van de Raad; - een tweetal vertegenwoordigers van de GI. 2 De feiten 2.1. [minderjarige] is erkend door de vader. 2.2. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. [minderjarige] woont bij de moeder. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De Raad heeft het verzoek tijdens de zitting gewijzigd in die zin dat de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (in plaats van Jeugdbescherming West) de ondertoezichtstelling zal gaan uitvoeren, als het verzoek wordt toegewezen. Die GI sluit volgens de Raad beter aan bij de cognitieve vermogens van de moeder en ook is de moeder al met die GI bekend. De Raad stelt dat [minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn zorgen over haar forse ontwikkelingsachterstand, hoge zorgbehoefte waarbij zij één op één begeleiding nodig heeft en er zijn signalen die passen bij een onveilige hechtingsontwikkeling. Het huiselijk geweld in het verleden en de snel wisselende partners van de moeder die vervolgens een vaderrol krijgen, is hier ook van invloed op. Verder is er onvoldoende zicht op de thuissituatie van de moeder en is de moeder wisselend in het aangaan van de hulpverlening. Daarnaast zijn er zorgen over de huidige partner van de moeder. Hij lijkt een dominante positie in te nemen en namens de moeder te spreken. Verder houdt de moeder het contact tussen [minderjarige] en de vader tegen. Dat [minderjarige] al een geruime tijd geen contact met haar vader heeft, is niet in haar belang. [minderjarige] heeft behoefte aan voortdurende begeleiding, structuur en voorspelbaarheid om zich veilig te kunnen ontwikkelen. De zorg die nodig is voor het wegnemen van die bedreiging wordt niet of onvoldoende geaccepteerd. De Raad verzoekt daarom een ondertoezichtstelling voor de duur van 12 maanden, zodat binnen een aanvaardbare termijn via een onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap kan worden beoordeeld of [minderjarige] veilig thuis kan opgroeien of dat een ander perspectief het meest in haar belang is. De Raad verwijst naar de doelen zoals opgenomen in het rapport en geeft als aanvullend doel mee dat het belangrijk is dat de moeder meewerkt aan een IQ-onderzoek. 4.2. De moeder geeft aan de zorgen zijn gebaseerd op leugens van de vader van de andere twee kinderen. Zij ziet geen noodzaak voor een ondertoezichtstelling en zou het ook onterecht vinden als de maatregel wordt uitgesproken. Desondanks geeft de moeder aan dat zij wel bereid is om mee te werken als het verzoek wordt toegewezen. Zij wil het beste voor [minderjarige] . Ook is de moeder bereid om mee te werken aan het IQ- onderzoek en het onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap. Verder bevestigt zij dat [minderjarige] in het verleden getuige is geweest van huiselijk geweld, maar geeft zij ook aan dat [minderjarige] nu aan het opbloeien is. Er is geen sprake van hechtingsproblematiek, aangezien [minderjarige] juist open is naar anderen en contact opzoekt. Verder legt de moeder uit dat haar huidige partner geen dominante positie inneemt, maar dat zij samen de kinderen opvoeden en dat alles in overleg gaat. Hij is al 2,5 jaar betrokken. Tot slot is de moeder ook bereid om mee te werken aan het contact tussen [minderjarige] en de vader, mits de vader clean is en het contact zonder agressie verloopt. 4.3. De vader is het eens met het verzoek. Hij heeft zorgen over [minderjarige] en de thuissituatie bij de moeder. De vader heeft [minderjarige] al 2,5 jaar niet gezien en hij mist haar. Hij vindt het jammer dat de moeder zaken vertraagt en hem nooit op de hoogte heeft gehouden over [minderjarige] . Verder heeft de vader hulpverlening vanuit Fivoor, dat is gericht op zijn verslavingsproblematiek en problemen met emotie regulatie. Tot slot geeft de vader aan dat hij hoopt dat de moeder blijvend meewerkt aan contactherstel tussen [minderjarige] en hem. 4.4. De GI begrijpt de zorgen van de Raad. Er zijn direct twee jeugdbeschermers voor het gezin beschikbaar, in het geval het verzoek wordt toegewezen. Verder bevestigt de GI dat zij kunnen helpen bij het aanvragen van het IQ-onderzoek van de moeder. 5 De beoordeling Vader als belanghebbende? 5.1. Tijdens de zitting is gesproken over de vraag of de vader wel of geen gezag heeft. De kinderrechter stelt vast dat er op dit moment geen gezamenlijk gezag is. De vader heeft [minderjarige] in 2022 erkend en de vrouw is van rechtswege met het eenhoofdig gezag belast. De kinderrechter merkt de vader in deze procedure wel als belanghebbende aan, omdat de ondertoezichtstelling ook betrekking heeft op de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] en er tussen de ouders een procedure aanhangig is waar het onder meer gaat over het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Wettelijk kader 5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. Inhoudelijke beoordeling 5.3. De kinderrechter zal het verzoek toewijzen en [minderjarige] onder toezicht van de GI stellen voor de duur een jaar, te weten met ingang van 1 april 2026 en tot 1 april 2027. Hij legt deze beslissing hierna uit. 5.4. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt, waaronder huiselijk geweld tussen de ouders in het verleden, recente verhuizingen en wisselende vaderfiguren in een korte tijd. [minderjarige] heeft intensieve zorg en begeleiding nodig en er is sprake van een ontwikkelingsachterstand. Daar komt bij dat er op dit moment onvoldoende zicht op de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder is.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3656 text/xml public 2026-05-19T09:14:13 2026-05-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-01 C/02/445084 / JE RK 26-263 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3656 text/html public 2026-05-18T14:54:11 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3656 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 01-04-2026 / C/02/445084 / JE RK 26-263 1e OTS gelet op ontwikkelingsbedreiging. rol ouders. onderzoek. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/445084 / JE RK 26-263 Datum uitspraak: 1 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] . De kinderrechter merkt als informanten aan: WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , gevestigd te Amsterdam Zuidoost, hierna te noemen: de GI. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 april 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder; - een vertegenwoordigster van de Raad; - een tweetal vertegenwoordigers van de GI. 2 De feiten 2.1. [minderjarige] is erkend door de vader. 2.2. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. [minderjarige] woont bij de moeder. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De Raad heeft het verzoek tijdens de zitting gewijzigd in die zin dat de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (in plaats van Jeugdbescherming West) de ondertoezichtstelling zal gaan uitvoeren, als het verzoek wordt toegewezen. Die GI sluit volgens de Raad beter aan bij de cognitieve vermogens van de moeder en ook is de moeder al met die GI bekend. De Raad stelt dat [minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn zorgen over haar forse ontwikkelingsachterstand, hoge zorgbehoefte waarbij zij één op één begeleiding nodig heeft en er zijn signalen die passen bij een onveilige hechtingsontwikkeling. Het huiselijk geweld in het verleden en de snel wisselende partners van de moeder die vervolgens een vaderrol krijgen, is hier ook van invloed op. Verder is er onvoldoende zicht op de thuissituatie van de moeder en is de moeder wisselend in het aangaan van de hulpverlening. Daarnaast zijn er zorgen over de huidige partner van de moeder. Hij lijkt een dominante positie in te nemen en namens de moeder te spreken. Verder houdt de moeder het contact tussen [minderjarige] en de vader tegen. Dat [minderjarige] al een geruime tijd geen contact met haar vader heeft, is niet in haar belang. [minderjarige] heeft behoefte aan voortdurende begeleiding, structuur en voorspelbaarheid om zich veilig te kunnen ontwikkelen. De zorg die nodig is voor het wegnemen van die bedreiging wordt niet of onvoldoende geaccepteerd. De Raad verzoekt daarom een ondertoezichtstelling voor de duur van 12 maanden, zodat binnen een aanvaardbare termijn via een onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap kan worden beoordeeld of [minderjarige] veilig thuis kan opgroeien of dat een ander perspectief het meest in haar belang is. De Raad verwijst naar de doelen zoals opgenomen in het rapport en geeft als aanvullend doel mee dat het belangrijk is dat de moeder meewerkt aan een IQ-onderzoek. 4.2. De moeder geeft aan de zorgen zijn gebaseerd op leugens van de vader van de andere twee kinderen. Zij ziet geen noodzaak voor een ondertoezichtstelling en zou het ook onterecht vinden als de maatregel wordt uitgesproken. Desondanks geeft de moeder aan dat zij wel bereid is om mee te werken als het verzoek wordt toegewezen. Zij wil het beste voor [minderjarige] . Ook is de moeder bereid om mee te werken aan het IQ- onderzoek en het onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap. Verder bevestigt zij dat [minderjarige] in het verleden getuige is geweest van huiselijk geweld, maar geeft zij ook aan dat [minderjarige] nu aan het opbloeien is. Er is geen sprake van hechtingsproblematiek, aangezien [minderjarige] juist open is naar anderen en contact opzoekt. Verder legt de moeder uit dat haar huidige partner geen dominante positie inneemt, maar dat zij samen de kinderen opvoeden en dat alles in overleg gaat. Hij is al 2,5 jaar betrokken. Tot slot is de moeder ook bereid om mee te werken aan het contact tussen [minderjarige] en de vader, mits de vader clean is en het contact zonder agressie verloopt. 4.3. De vader is het eens met het verzoek. Hij heeft zorgen over [minderjarige] en de thuissituatie bij de moeder. De vader heeft [minderjarige] al 2,5 jaar niet gezien en hij mist haar. Hij vindt het jammer dat de moeder zaken vertraagt en hem nooit op de hoogte heeft gehouden over [minderjarige] . Verder heeft de vader hulpverlening vanuit Fivoor, dat is gericht op zijn verslavingsproblematiek en problemen met emotie regulatie. Tot slot geeft de vader aan dat hij hoopt dat de moeder blijvend meewerkt aan contactherstel tussen [minderjarige] en hem. 4.4. De GI begrijpt de zorgen van de Raad. Er zijn direct twee jeugdbeschermers voor het gezin beschikbaar, in het geval het verzoek wordt toegewezen. Verder bevestigt de GI dat zij kunnen helpen bij het aanvragen van het IQ-onderzoek van de moeder. 5 De beoordeling Vader als belanghebbende? 5.1. Tijdens de zitting is gesproken over de vraag of de vader wel of geen gezag heeft. De kinderrechter stelt vast dat er op dit moment geen gezamenlijk gezag is. De vader heeft [minderjarige] in 2022 erkend en de vrouw is van rechtswege met het eenhoofdig gezag belast. De kinderrechter merkt de vader in deze procedure wel als belanghebbende aan, omdat de ondertoezichtstelling ook betrekking heeft op de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] en er tussen de ouders een procedure aanhangig is waar het onder meer gaat over het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Wettelijk kader 5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. Inhoudelijke beoordeling 5.3. De kinderrechter zal het verzoek toewijzen en [minderjarige] onder toezicht van de GI stellen voor de duur een jaar, te weten met ingang van 1 april 2026 en tot 1 april 2027. Hij legt deze beslissing hierna uit. 5.4. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt, waaronder huiselijk geweld tussen de ouders in het verleden, recente verhuizingen en wisselende vaderfiguren in een korte tijd. [minderjarige] heeft intensieve zorg en begeleiding nodig en er is sprake van een ontwikkelingsachterstand. Daar komt bij dat er op dit moment onvoldoende zicht op de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder is.
Volledig
Ook maakt de kinderrechter zich zorgen over mogelijke hechtingsproblematiek bij [minderjarige] . Ook de omstandigheid dat [minderjarige] al 2,5 jaar geen contact met haar vader heeft is een punt van zorg. Dat vormt een risico voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . De kinderrechter vindt het een goed idee als er psycho-educatie over hechtingsrelaties aan de moeder wordt gegeven en dat er een onderzoek naar het Goed Genoeg Ouderschap van de moeder wordt gedaan. Belangrijk vindt de kinderrechter verder dat er wordt gekeken naar de mogelijkheden om het contact tussen [minderjarige] en de vader te herstellen, waarbij het contact uiteraard veilig moet zijn. Dat betekent dat de vader clean moet zijn en het contactmoment zonder agressie en negatieve emoties moet verlopen. Tijdens de zitting heeft de moeder toegezegd hieraan mee te willen werken. Verder heeft zij aangegeven bereid te zijn om mee te werken aan de benodigde hulpverlening, waaronder het onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap en een IQ-onderzoek. De kinderrechter vindt dat positief om te horen, maar hij stelt tegelijktijdig ook vast dat de moeder nog onvoldoende van de al betrokken hulpverlening heeft kunnen profiteren en dat zij wisselend is in de samenwerking met de hulpverlening. Mede daardoor is het de moeder (en de vader) niet gelukt om zelfstandig de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Om die reden vindt de kinderrechter dat er een regievoerder in het gedwongen kader nodig is. 5.5. De kinderrechter sluit zich aan bij de opgestelde doelen in het Raadsrapport, met als aanvulling de twee laatstgenoemde doelen. Hij geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden: Er komt zicht op de thuissituatie en de opvoedingsvaardigheden van moeder; Moeder werkt actief en consistent mee aan hulpverlening; Het contact met de biologische vader van [minderjarige] wordt onderzocht; Moeder krijgt ondersteuning en psycho-educatie rondom partnerkeuze en hechting; [minderjarige] krijgt passende begeleiding bij haar ontwikkelingsachterstand; De hechtingsrelatie tussen moeder en [minderjarige] wordt versterkt en ondersteund; Er komt duidelijkheid en rust rondom vaderfiguren; Moeder werkt mee aan een onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap; Bij moeder wordt een IQ-onderzoek afgenomen. 5.6. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan deze doelen wordt gewerkt om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. Aan de GI geeft hij mee dat dit een zaak is waarin op korte termijn inzet van de GI nodig is, zodat er duidelijkheid en zicht komt op de opvoedsituatie van [minderjarige] , de opvoedvaardigheden van de moeder en de onderlinge relaties/interacties. Aan de ouders geeft de kinderrechter mee dat zij de ouders van [minderjarige] zijn en dat zij samen verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van [minderjarige] . Zij moeten dan ook zelf de hoofdrol pakken en niet hun partners. Daarbij is het wel van belang dat hun partners ondersteunend zijn. Van de ouders (en hun partners) verwacht de kinderrechter dat zij voor [minderjarige] met elkaar en met de GI en hulpverlening zullen gaan samenwerken. Uitvoerbaar bij voorraad 5.7. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 1 april 2026 en tot 1 april 2027; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork, griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledig
Ook maakt de kinderrechter zich zorgen over mogelijke hechtingsproblematiek bij [minderjarige] . Ook de omstandigheid dat [minderjarige] al 2,5 jaar geen contact met haar vader heeft is een punt van zorg. Dat vormt een risico voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . De kinderrechter vindt het een goed idee als er psycho-educatie over hechtingsrelaties aan de moeder wordt gegeven en dat er een onderzoek naar het Goed Genoeg Ouderschap van de moeder wordt gedaan. Belangrijk vindt de kinderrechter verder dat er wordt gekeken naar de mogelijkheden om het contact tussen [minderjarige] en de vader te herstellen, waarbij het contact uiteraard veilig moet zijn. Dat betekent dat de vader clean moet zijn en het contactmoment zonder agressie en negatieve emoties moet verlopen. Tijdens de zitting heeft de moeder toegezegd hieraan mee te willen werken. Verder heeft zij aangegeven bereid te zijn om mee te werken aan de benodigde hulpverlening, waaronder het onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap en een IQ-onderzoek. De kinderrechter vindt dat positief om te horen, maar hij stelt tegelijktijdig ook vast dat de moeder nog onvoldoende van de al betrokken hulpverlening heeft kunnen profiteren en dat zij wisselend is in de samenwerking met de hulpverlening. Mede daardoor is het de moeder (en de vader) niet gelukt om zelfstandig de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Om die reden vindt de kinderrechter dat er een regievoerder in het gedwongen kader nodig is. 5.5. De kinderrechter sluit zich aan bij de opgestelde doelen in het Raadsrapport, met als aanvulling de twee laatstgenoemde doelen. Hij geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden: Er komt zicht op de thuissituatie en de opvoedingsvaardigheden van moeder; Moeder werkt actief en consistent mee aan hulpverlening; Het contact met de biologische vader van [minderjarige] wordt onderzocht; Moeder krijgt ondersteuning en psycho-educatie rondom partnerkeuze en hechting; [minderjarige] krijgt passende begeleiding bij haar ontwikkelingsachterstand; De hechtingsrelatie tussen moeder en [minderjarige] wordt versterkt en ondersteund; Er komt duidelijkheid en rust rondom vaderfiguren; Moeder werkt mee aan een onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap; Bij moeder wordt een IQ-onderzoek afgenomen. 5.6. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan deze doelen wordt gewerkt om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. Aan de GI geeft hij mee dat dit een zaak is waarin op korte termijn inzet van de GI nodig is, zodat er duidelijkheid en zicht komt op de opvoedsituatie van [minderjarige] , de opvoedvaardigheden van de moeder en de onderlinge relaties/interacties. Aan de ouders geeft de kinderrechter mee dat zij de ouders van [minderjarige] zijn en dat zij samen verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van [minderjarige] . Zij moeten dan ook zelf de hoofdrol pakken en niet hun partners. Daarbij is het wel van belang dat hun partners ondersteunend zijn. Van de ouders (en hun partners) verwacht de kinderrechter dat zij voor [minderjarige] met elkaar en met de GI en hulpverlening zullen gaan samenwerken. Uitvoerbaar bij voorraad 5.7. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 1 april 2026 en tot 1 april 2027; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork, griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.