Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-01
ECLI:NL:RBZWB:2026:3643
ECLI:NL:RBZWB:2026:3643 text/xml public 2026-06-02T17:00:18 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-01 BRE 25/4734 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3643 text/html public 2026-06-01T11:06:21 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3643 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 01-05-2026 / BRE 25/4734 Omgevingsvergunning twee distributiecentra op bestemming 'Bedrijventerrein', letterlijke uitleg planregels, afwijking hoogte geluidscherm, berekening oppervlakte, niet in strijd met goede ruimtelijke ordening, geen aanhaakplicht v.w.b. stikstof en ecologie, beroep ongegrond RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4734 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen [Milieuvereniging] , uit [plaats 1] , [natuur-en milieuvereniging] , uit [plaats 2] , [stichting] , uit [plaats 3] , en [Vereniging] , uit [plaats 2] eisers (gemachtigde: mr. R. Hörchner), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder. Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [b.v. 1] (hierna: [b.v. 1] ) en [b.v. 2] (hierna: [b.v. 2] ) uit [plaats 4] (gemachtigde: mr. T.G. Oztürk). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning aan [b.v. 1] (hierna: [b.v. 1] ) voor het realiseren van twee distributiecentra met kantoren en het plaatsen van een perceelafscheiding en geluidscherm op de [locatie] te [plaats 3] . Eisers zijn het met dat besluit niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning in stand kan blijven. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. [b.v. 1] heeft op 21 december 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van twee distributiecentra met kantoren en het plaatsen van een perceelafscheiding en geluidscherm op het perceel kadastraal bekend [plaats 3] , [sectie] , [nummer] . Het college heeft met het besluit van 2 juli 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten: het bouwen van een bouwwerk, het gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 op het bezwaar van eisers heeft het college zijn besluit gehandhaafd. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eisers vinden dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het college om die reden geen omgevingsvergunning had mogen verlenen. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [persoon] ( [Milieuvereniging] ), mr. [vertegenwoordiger college] , de gemachtigde van derde-partijen en [directeur b.v. 2] (directeur [b.v. 2] ). Beoordeling door de rechtbank De omvang van het geding en de regelgeving 3. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2023. Dit betekent dat de Wabo in dit geval van toepassing blijft. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze ui Naar het oordeel van de rechtbank zijn de regels van het [bestemmingsplan 1] ’ duidelijk, en geven deze geen ruimte voor interpretatie. De – niet bindende – toelichting op het bestemmingsplan heeft in dit geval dan ook geen betekenis voor het antwoord op de vraag of het bouwplan voldoet aan de regels van het bestemmingsplan. Het college heeft terecht overwogen dat het bestemmingsplan het bouwen van distributiecentra op het perceel toestaat. 7. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan, met uitzondering van de bouwhoogte van een te plaatsen geluidscherm, geheel voldoet aan de bouwregels van het bestemmingsplan. Dat geluidscherm wordt 22 meter lang, heeft een bouwhoogte van 6 meter en is daarmee hoger dan de maximaal toegestane bouwhoogte van geluidbeperkende voorzieningen van 5 meter binnen de bestemming ‘Groen’. De afwijkingsbevoegdheid 8. Het college heeft de bevoegdheid om op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de planregels. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. Vanwege de beleidsruimte die het college in dat kader heeft, dient de rechtbank zich in haar beoordeling terughoudend op te stellen. 8.1. De rechtbank stelt voorop dat bij de belangenafweging uitsluitend die belangen kunnen worden betrokken die worden geraakt door de onderdelen van het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan. Van de bouwmogelijkheden die in het bestemmingsplan zijn opgenomen, zijn de ruimtelijke gevolgen door de gemeenteraad immers al afgewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan. De rechtbank dient zich in haar beoordeling dus te beperken tot de ruimtelijke impact die uitgaat van geluidscherm, voor zover dat hoger wordt dan de maximaal toegestane bouwhoogte van 5 meter. Het gaat dus om de ruimtelijke impact van het feit dat het geluidscherm over een lengte van 22 meter niet 5 maar 6 meter hoog wordt. 9. Eisers hebben aangevoerd dat het college de verkeerde voorbereidingsprocedure heeft gevolgd, en dat het de uitgebreide voorbereidingsprocedure had moeten volgen zoals die is uitgewerkt in afdeling 3.4 van de Awb in plaats van de reguliere voorbereidingsprocedure. De uitgebreide voorbereidingsprocedure is voorgeschreven in gevallen waarin het college toepassing geeft aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3°, van de Wabo. 9.1. Het college heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om van de regels van het bestemmingsplan af te wijken op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Voor die gevallen is de reguliere voorbereidingsprocedure voorgeschreven. Die bevoegdheid geldt – onder meer – voor (onderdeel 3 van artikel 4) bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 10 meter, en de oppervlakte niet meer dan 50 m². 9.2. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college niet bevoegd was om met toepassing van deze artikelen af te wijken van het bestemmingsplan, omdat de totale oppervlakte van het geluidscherm groter is dan 50 m². Eisers hebben de oppervlakte van het geluidscherm als volgt berekend: lengte x hoogte, dus 22 meter x 6 meter = 132 m². 9.3. De rechtbank volgt het standpunt van eisers niet. De oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet – in het horizontale vlak – worden berekend door de lengte te vermenigvuldigen met de breedte. Derde-partijen merken in hun schriftelijke reactie op het beroepschrift terecht op dat voor de hoogte een aparte maatvoering is opgenomen onder a van onderdeel 3 van artikel 4, bijlage II bij het Bor, namelijk een hoogte van maximaal 10 meter. Niet in geschil is dat de lengte van het geluidscherm (22 meter) vermenigvuldigd met de breedte van het scherm (15 centimeter) een oppervlakte oplevert van 3,3 m². Derde-partijen hebben op zitting toegelicht dat er e Daarnaast is het rapport beoordeeld door een intern specialist en heeft er ook nader (veld)onderzoek plaatsgevonden. Het college heeft zich ervan vergewist dat het ecologisch onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de inhoud juist is. Met betrekking tot de stikstofdepositie is in het bestreden besluit overwogen dat [b.v. 1] ervoor heeft gekozen een aanvraag voor een natuurvergunning te doen bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant en dat deze aanvraag op 23 januari 2025 is ingediend. Het college heeft terecht opgemerkt dat het al dan niet separaat doorlopen van een procedure voor een Natura 2000-activiteit tot de (vrije) keuze van de aanvrager behoort. Omdat [b.v. 1] een aanvraag voor een natuurvergunning heeft ingediend bij Gedeputeerde Staten, is de zogenoemde aanhaakplicht ook in dat opzicht niet (meer) aan de orde. Conclusie en gevolgen 12. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 1 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 2.1, lid 1 (voor zover relevant): Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het bouwen van een bouwwerk, […] het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […], […]. Artikel 2.10: 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet; de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet; de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12; het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld