Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-30
ECLI:NL:RBZWB:2026:3603
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,309 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3603 text/xml public 2026-05-11T21:14:02 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 23/3959 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026051112 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3603 text/html public 2026-05-07T14:54:07 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3603 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 23/3959 Uitspraak verzet: niet-ontvankelijk vanwege het overlijden van belanghebbende. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/3959 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant , de heffingsambtenaar . Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond heeft verklaard, de heffingsambtenaar heeft opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en een proceskostenvergoeding heeft toegekend. Belanghebbende is in verzet gekomen tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. 1.1 Op 5 maart 2026 heeft de rechtbank kennis genomen van het overlijden van de belanghebbende. De rechtbank heeft gemachtigde hierover bericht en verzocht om een machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij mag optreden namens de erfgenamen. Op 5 maart 2026 heeft gemachtigde een machtiging van de zoon van belanghebbende overlegd. Op 6 maart 2026 heeft de rechtbank gemachtigde verzocht om een kopie van de verklaring van erfrecht. Op 9 maart 2026 heeft gemachtigde informatie van het Centrum voor familiegeschiedenis overgelegd. Hieruit is af te lezen dat [persoon] het kind is van belanghebbende. De rechtbank heeft gemachtigde op 12 maart 2026 bericht dat de informatie niet uitsluit dat er meerdere erfgenamen zijn en verzocht gemachtigde nogmaals om een verklaring van erfrecht. Hierop heeft gemachtigde niet gereageerd. 1.2 De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigde en namens de heffingsambtenaar [vertegenwoordiger] deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is, omdat gemachtigde niet aannemelijk maakt dat hij namens de erfgena(a)m(en) van belanghebbende optreedt. Het verzuim is niet hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. 2.1 Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Vanwege het overlijden van belanghebbende, dient gemachtigde aannemelijk te maken dat hij namens de erfgena(a)m(en) mag optreden. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk verklaren. 2.2 Zowel voorafgaand als tijdens de zitting heeft gemachtigde geen verklaring van erfrecht overgelegd noch op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij mag optreden namens de erfgena(a)m(en). Gesteld gemachtigde heeft als reden gegevens dat de zoon van belanghebbende enig kind is en een verklaring van erfrecht tijdens de afwikkeling van de erfenis niet nodig had. De rechtbank kan op basis van de aangeleverde informatie niet uitsluiten dat de zoon van belanghebbende enig erfgenaam is. Immateriële schadevergoeding 2.3 Gemachtigde heeft ter zitting verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 2.4 De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding. Aangezien niet vast staat dat gemachtigde mag optreden namens de erfgena(a)m(en), kan hij namens hen ook geen verzoek tot vergoeding van immateriële schade doen. Ook overigens is er geen aanleiding tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853. Conclusie en gevolgen 3. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het verzet niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Beslissing De rechtbank: - verklaart het verzet niet-ontvankelijk; - wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb. Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3603 text/xml public 2026-05-11T21:14:02 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 23/3959 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026051112 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3603 text/html public 2026-05-07T14:54:07 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3603 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 23/3959 Uitspraak verzet: niet-ontvankelijk vanwege het overlijden van belanghebbende. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/3959 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant , de heffingsambtenaar . Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond heeft verklaard, de heffingsambtenaar heeft opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en een proceskostenvergoeding heeft toegekend. Belanghebbende is in verzet gekomen tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. 1.1 Op 5 maart 2026 heeft de rechtbank kennis genomen van het overlijden van de belanghebbende. De rechtbank heeft gemachtigde hierover bericht en verzocht om een machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij mag optreden namens de erfgenamen. Op 5 maart 2026 heeft gemachtigde een machtiging van de zoon van belanghebbende overlegd. Op 6 maart 2026 heeft de rechtbank gemachtigde verzocht om een kopie van de verklaring van erfrecht. Op 9 maart 2026 heeft gemachtigde informatie van het Centrum voor familiegeschiedenis overgelegd. Hieruit is af te lezen dat [persoon] het kind is van belanghebbende. De rechtbank heeft gemachtigde op 12 maart 2026 bericht dat de informatie niet uitsluit dat er meerdere erfgenamen zijn en verzocht gemachtigde nogmaals om een verklaring van erfrecht. Hierop heeft gemachtigde niet gereageerd. 1.2 De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigde en namens de heffingsambtenaar [vertegenwoordiger] deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is, omdat gemachtigde niet aannemelijk maakt dat hij namens de erfgena(a)m(en) van belanghebbende optreedt. Het verzuim is niet hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. 2.1 Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Vanwege het overlijden van belanghebbende, dient gemachtigde aannemelijk te maken dat hij namens de erfgena(a)m(en) mag optreden. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk verklaren. 2.2 Zowel voorafgaand als tijdens de zitting heeft gemachtigde geen verklaring van erfrecht overgelegd noch op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij mag optreden namens de erfgena(a)m(en). Gesteld gemachtigde heeft als reden gegevens dat de zoon van belanghebbende enig kind is en een verklaring van erfrecht tijdens de afwikkeling van de erfenis niet nodig had. De rechtbank kan op basis van de aangeleverde informatie niet uitsluiten dat de zoon van belanghebbende enig erfgenaam is. Immateriële schadevergoeding 2.3 Gemachtigde heeft ter zitting verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 2.4 De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding. Aangezien niet vast staat dat gemachtigde mag optreden namens de erfgena(a)m(en), kan hij namens hen ook geen verzoek tot vergoeding van immateriële schade doen. Ook overigens is er geen aanleiding tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853. Conclusie en gevolgen 3. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het verzet niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Beslissing De rechtbank: - verklaart het verzet niet-ontvankelijk; - wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb. Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.