Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-31
ECLI:NL:RBZWB:2026:3595
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,067 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3595 text/xml public 2026-05-18T12:10:48 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-31 C/02/446310 / JE RK 26-492 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3595 text/html public 2026-05-13T15:50:26 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3595 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-03-2026 / C/02/446310 / JE RK 26-492 Toewijzing resterend verzoek voorlopige ondertoezichtstelling RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer: C/02/446310 / JE RK 26-492 Datum uitspraak: 31 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , Zeeland-West-Brabant, gevestigd te Breda, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. M. Akça-Altun, de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 20 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken; de op 31 maart 2026 ingediend producties door mr. Akça-Altun. 1.2. Op 31 maart 2026 heeft de kinderrechter het verzoek met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; - de moeder; - een vertegenwoordiger van de Raad; - een vertegenwoordiger van de GI. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. De vader verblijft met [minderjarige] bij de oma vaderszijde en haar partner (stiefopa). 2.3. [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vader. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 maart 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 20 maart 2026 tot 3 april 2026. Het verzoek over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is afgewezen, nu is gebleken dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader heeft en zij bij haar vader woont. 3 Het verzoek 3.1. Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De Raad heeft ter zitting het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing ingetrokken. 4 De standpunten 4.1. Namens de Raad wordt aangevoerd dat in januari 2026 een eerder beschermingsonderzoek is afgesloten onder verwijzing naar hulpverlening in het vrijwillige kader. Nadien is de situatie volledig veranderd. Op het moment van het afsluiten van het eerdere beschermingsonderzoek woonde [minderjarige] samen met haar vader bij zijn partner. Na een escalatie in de thuissituatie bij de vader en zijn partner, heeft de vader [minderjarige] naar oma en stiefopa gebracht, waar zij sindsdien weer verblijft. De moeder is daar op dat moment niet over geïnformeerd. De relatie tussen de vader en zijn partner is onlangs verbroken en sindsdien verblijft de vader weer samen met [minderjarige] bij oma en stiefopa. Nadat [minderjarige] begin maart 2026 op school en bij [naschoolse dagbehandeling] heeft verteld dat zij door stiefopa is geschopt, zijn er veiligheidsafspraken gemaakt en is intensieve ambulante gezinshulp (IAG) ingezet. Al snel is gebleken dat de veiligheidsafspraken niet werden nagekomen en dat er ook een incident tussen [minderjarige] en oma heeft plaatsgevonden. De moeder stemt niet in met het verblijf van [minderjarige] bij oma en stiefopa. Ook de betrokken hulpverlening ligt niet volledig op één lijn in hun visie op wat voor [minderjarige] het meest passend is. De Raad heeft ondanks de zorgen over het pedagogische klimaat bij oma en stiefopa de afweging gemaakt om het verblijf van [minderjarige] met de vader bij oma en stiefopa met de inzet van intensieve ambulante hulpverlening voort te laten duren tot een plaatsing van [minderjarige] bij [groep] ( [accommodatie] ) gerealiseerd kan worden. Nu het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader is bepaald, trekt de Raad het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in. De Raad zal de komend periode nader onderzoek gaan doen en in dat kader zal ook met de moeder worden gesproken over haar rol in het leven van [minderjarige] . De moeder moet worden meegenomen in alles wat er speelt rondom [minderjarige] . Dat lukt de man op dit moment niet, zoals ook al is gebleken toen [minderjarige] is teruggekeerd naar oma en stiefopa en de moeder hierover niet is ingelicht. Verblijf van [minderjarige] bij de moeder is op dit moment ook niet aan de orde, aangezien er al langere tijd geen contact is tussen de moeder en [minderjarige] . 4.2. Door en namens de vader wordt aangevoerd dat de zorgmeldingen die zijn gedaan niet kloppen. Er heeft ook geen hoor en wederhoor plaatsgevonden. Het klopt wel dat er veiligheidsafspraken zijn gemaakt en deze worden netjes nagekomen. De vader vraagt zich af wat een voorlopige ondertoezichtstelling gaat veranderen. [minderjarige] heeft in haar jonge leventje al veel meegemaakt, verschillende verblijfssituaties gekend en diverse behandelingen gevolgd. Wat is de meerwaarde van een voorlopige ondertoezichtstelling? De vader verzoekt het verzoek van de Raad af te wijzen. 4.3. De moeder stemt in met de verzochte voorlopige ondertoezichtstelling. De moeder dacht tot voor kort dat [minderjarige] samen met de vader bij zijn nieuwe partner verbleef. Hoewel zij hier niet meer akkoord was, heeft zij hiervoor wel toestemming verleend. Zij is het echter niet eens met het verblijf van vader met [minderjarige] bij oma en stiefopa. 4.4. De GI ondersteunt het verzoek van de Raad en is bereid de voorlopige ondertoezichtstelling uit te voeren. Op 1 april 2026 gaat een vaste jeugdzorgwerker van start. [minderjarige] is inmiddels aangemeld voor een plaatsing bij [groep] ( [accommodatie] ). 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. De kinderrechter overweegt dat er een zwaar vermoeden is dat bij [minderjarige] sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [minderjarige] heeft in haar jonge leventje al veel wisselende verblijfplaatsen gekend, er heeft afgelopen jaar een breuk in het contact met de moeder plaatsgevonden en tot op heden wordt er niet aan gewerkt om dat contact te herstellen en daarnaast zijn er signalen over onveiligheid in de opvoedsituatie van oma en stiefopa waar [minderjarige] op dit moment met de vader verblijft. De relatie tussen de ouders is ernstig verstoord en er vindt geen communicatie tussen hen plaats, ook niet over [minderjarige] . De ouders zijn tot dusver samen niet in staat de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen. 5.3. De Raad zal de komende periode onderzoeken wat er nodig is om de -vermoedelijke – ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen. Welke hulpverlening is noodzakelijk voor [minderjarige] en voor de ouders? [minderjarige] verkeert tot op heden in onzekerheid over de plek waar zij verder gaat opgroeien en moet de kans krijgen om zich te hechten aan haar primaire verzorgers. Daarvoor is het nodig dat zij ergens vast gaat verblijven, zodat zij weet dat zij daar verder gaat opgroeien. De ouders hebben haar tot nu toe die zekerheid niet kunnen bieden. Het is in het belang van [minderjarige] dat de GI de regie gaat voeren en beslissingen gaat nemen die duurzaam zijn, nu de ouders daartoe niet in staat zijn.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3595 text/xml public 2026-05-18T12:10:48 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-31 C/02/446310 / JE RK 26-492 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3595 text/html public 2026-05-13T15:50:26 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3595 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-03-2026 / C/02/446310 / JE RK 26-492 Toewijzing resterend verzoek voorlopige ondertoezichtstelling RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer: C/02/446310 / JE RK 26-492 Datum uitspraak: 31 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , Zeeland-West-Brabant, gevestigd te Breda, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. M. Akça-Altun, de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 20 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken; de op 31 maart 2026 ingediend producties door mr. Akça-Altun. 1.2. Op 31 maart 2026 heeft de kinderrechter het verzoek met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; - de moeder; - een vertegenwoordiger van de Raad; - een vertegenwoordiger van de GI. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. De vader verblijft met [minderjarige] bij de oma vaderszijde en haar partner (stiefopa). 2.3. [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vader. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 maart 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 20 maart 2026 tot 3 april 2026. Het verzoek over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is afgewezen, nu is gebleken dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader heeft en zij bij haar vader woont. 3 Het verzoek 3.1. Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De Raad heeft ter zitting het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing ingetrokken. 4 De standpunten 4.1. Namens de Raad wordt aangevoerd dat in januari 2026 een eerder beschermingsonderzoek is afgesloten onder verwijzing naar hulpverlening in het vrijwillige kader. Nadien is de situatie volledig veranderd. Op het moment van het afsluiten van het eerdere beschermingsonderzoek woonde [minderjarige] samen met haar vader bij zijn partner. Na een escalatie in de thuissituatie bij de vader en zijn partner, heeft de vader [minderjarige] naar oma en stiefopa gebracht, waar zij sindsdien weer verblijft. De moeder is daar op dat moment niet over geïnformeerd. De relatie tussen de vader en zijn partner is onlangs verbroken en sindsdien verblijft de vader weer samen met [minderjarige] bij oma en stiefopa. Nadat [minderjarige] begin maart 2026 op school en bij [naschoolse dagbehandeling] heeft verteld dat zij door stiefopa is geschopt, zijn er veiligheidsafspraken gemaakt en is intensieve ambulante gezinshulp (IAG) ingezet. Al snel is gebleken dat de veiligheidsafspraken niet werden nagekomen en dat er ook een incident tussen [minderjarige] en oma heeft plaatsgevonden. De moeder stemt niet in met het verblijf van [minderjarige] bij oma en stiefopa. Ook de betrokken hulpverlening ligt niet volledig op één lijn in hun visie op wat voor [minderjarige] het meest passend is. De Raad heeft ondanks de zorgen over het pedagogische klimaat bij oma en stiefopa de afweging gemaakt om het verblijf van [minderjarige] met de vader bij oma en stiefopa met de inzet van intensieve ambulante hulpverlening voort te laten duren tot een plaatsing van [minderjarige] bij [groep] ( [accommodatie] ) gerealiseerd kan worden. Nu het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader is bepaald, trekt de Raad het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in. De Raad zal de komend periode nader onderzoek gaan doen en in dat kader zal ook met de moeder worden gesproken over haar rol in het leven van [minderjarige] . De moeder moet worden meegenomen in alles wat er speelt rondom [minderjarige] . Dat lukt de man op dit moment niet, zoals ook al is gebleken toen [minderjarige] is teruggekeerd naar oma en stiefopa en de moeder hierover niet is ingelicht. Verblijf van [minderjarige] bij de moeder is op dit moment ook niet aan de orde, aangezien er al langere tijd geen contact is tussen de moeder en [minderjarige] . 4.2. Door en namens de vader wordt aangevoerd dat de zorgmeldingen die zijn gedaan niet kloppen. Er heeft ook geen hoor en wederhoor plaatsgevonden. Het klopt wel dat er veiligheidsafspraken zijn gemaakt en deze worden netjes nagekomen. De vader vraagt zich af wat een voorlopige ondertoezichtstelling gaat veranderen. [minderjarige] heeft in haar jonge leventje al veel meegemaakt, verschillende verblijfssituaties gekend en diverse behandelingen gevolgd. Wat is de meerwaarde van een voorlopige ondertoezichtstelling? De vader verzoekt het verzoek van de Raad af te wijzen. 4.3. De moeder stemt in met de verzochte voorlopige ondertoezichtstelling. De moeder dacht tot voor kort dat [minderjarige] samen met de vader bij zijn nieuwe partner verbleef. Hoewel zij hier niet meer akkoord was, heeft zij hiervoor wel toestemming verleend. Zij is het echter niet eens met het verblijf van vader met [minderjarige] bij oma en stiefopa. 4.4. De GI ondersteunt het verzoek van de Raad en is bereid de voorlopige ondertoezichtstelling uit te voeren. Op 1 april 2026 gaat een vaste jeugdzorgwerker van start. [minderjarige] is inmiddels aangemeld voor een plaatsing bij [groep] ( [accommodatie] ). 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. De kinderrechter overweegt dat er een zwaar vermoeden is dat bij [minderjarige] sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [minderjarige] heeft in haar jonge leventje al veel wisselende verblijfplaatsen gekend, er heeft afgelopen jaar een breuk in het contact met de moeder plaatsgevonden en tot op heden wordt er niet aan gewerkt om dat contact te herstellen en daarnaast zijn er signalen over onveiligheid in de opvoedsituatie van oma en stiefopa waar [minderjarige] op dit moment met de vader verblijft. De relatie tussen de ouders is ernstig verstoord en er vindt geen communicatie tussen hen plaats, ook niet over [minderjarige] . De ouders zijn tot dusver samen niet in staat de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen. 5.3. De Raad zal de komende periode onderzoeken wat er nodig is om de -vermoedelijke – ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen. Welke hulpverlening is noodzakelijk voor [minderjarige] en voor de ouders? [minderjarige] verkeert tot op heden in onzekerheid over de plek waar zij verder gaat opgroeien en moet de kans krijgen om zich te hechten aan haar primaire verzorgers. Daarvoor is het nodig dat zij ergens vast gaat verblijven, zodat zij weet dat zij daar verder gaat opgroeien. De ouders hebben haar tot nu toe die zekerheid niet kunnen bieden. Het is in het belang van [minderjarige] dat de GI de regie gaat voeren en beslissingen gaat nemen die duurzaam zijn, nu de ouders daartoe niet in staat zijn.