Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-31
ECLI:NL:RBZWB:2026:3583
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
8,110 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3583 text/xml public 2026-05-18T12:11:49 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-31 C/02/439944 / FA RK 25-4796 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3583 text/html public 2026-05-15T15:48:55 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3583 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-03-2026 / C/02/439944 / FA RK 25-4796 Omgang beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/439944 / FA RK 25-4796 Datum uitspraak: 31 maart 2026 beschikking over omgang in de zaak van [de moeder] hierna: de moeder, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. M. Poort-van der Meeren in Eindhoven, tegen [de pleegmoeder] , de pleegmoeder, tevens voogd, hierna: de pleegmoeder, wonende in [plaats 2] , advocaat: mr. J.C. Hissink in Tilburg, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] , De rechtbank merkt als informant in deze procedure aan: [de bewindvoerder/mentor] , kantoorhoudende te [plaats 3] , hierna: de bewindvoerder/mentor. [de begeleider] , begeleider van [hulpverlening 1] , hierna: de begeleider. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 18 september 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; - de op 19 september 2025 ontvangen brief van mr. Poort-van der Meeren; - de brief van mr. Poort-van der Meeren van 29 oktober 2025; - de brief van de griffier van de rechtbank van 30 oktober 2025; - de op 30 oktober 2025 en 13 januari 2026 ontvangen brieven van mr. Poort-van der Meeren met bijlage; - het op 14 januari 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; - de brief van mr. Poort-van der Meeren van 19 januari 2026 met bijlagen; - de brief van mr. Hissink van 21 januari 2026 met bijlage; - de brief van mr. Hissink van 22 januari 2026 met bijlage; - het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] ; - het proces-verbaal van 27 januari 2026; - het op 27 januari 2026 ontvangen F8 formulier van mr. Hissink met daarbij afstemming van de bezoekmomenten; - het op 5 februari 2026 ontvangen F9 formulier van mr. Poort-van der Meeren. 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op 17 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: de moeder met haar advocaat, de pleegmoeder met haar advocaat, de persoonlijk begeleider van de moeder en de bewindvoerder/mentor van de moeder. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad. 2 De feiten 2.1 Bij beschikking van 2 mei 2023 is het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en is de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna: de GI tot voogd over [minderjarige] benoemd. 2.2 Bij beschikking van 23 maart 2025 is de GI ontslagen als voogd over [minderjarige] en is de pleegmoeder tot voogd over [minderjarige] benoemd. 2.3 Bij proces-verbaal van 27 januari 2026 is gebleken dat de Raad niet over alle processtukken beschikte. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de Raad op een goede manier kennis kan nemen van alle stukken zodat de Raad in deze zaak een gedegen en onderbouwd advies kan geven. De kinderrechter heeft daarom de behandeling van het verzoek aangehouden. Daarnaast heeft de kinderrechter de advocaat van de pleegmoeder verzocht om na te gaan of de omgangsbegeleidster het omgangsmoment op 13 februari 2026 om 16:00 uur kan begeleiden en om, in overleg met de omgangsbegeleidster, een verdere planning van de omgangsmomenten voor dit jaar te verstrekken. 2.4 Bij F8 formulier van 27 januari 2026 heeft mr. Hissink aangegeven dat de volgende bezoekmomenten zijn afgestemd met de omgangsbegeleider: 13 februari om 16.00 uur; 10 april om 16:00 uur (in verband met meivakantie en beschikbaarheid begeleiding) 19 juni om 16:00 uur (in verband met zomervakantie) 28 augustus om 16:00 uur (verjaardagsbezoek [minderjarige] ) 23 oktober om 16:00 uur 18 december om 16:00 uur. De bezoeken vinden plaats op een neutrale locatie, in afstemming met de omgangsbegeleider, bijvoorbeeld [locatie] of een kinderboerderij. 3 Het verzoek 3.1 De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de GI bepaalde c.q. in overleg overeengekomen omgangsregeling te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] en de moeder recht hebben op omgang met elkaar éénmaal per twee weken gedurende twee uur op vrijdagmiddag van 15.00 tot 17.00 uur op neutraal terrein onder begeleiding van [hulpverlening 1] dan wel een zodanige omgangsregeling te bepalen als de rechtbank in goede Justitie meent te behoren te bepalen. 3.2 De pleegmoeder is het niet eens met het verzoek van de moeder en verzoekt dit verzoek af te wijzen. De pleegmoeder verzoekt zelfstandig tussen de moeder en [minderjarige] de onder randnummer 16 geformuleerde omgangsregeling vast te leggen, inhoudende: Stap 1: huidige startfase In lijn met de eerdere GI afspraken wordt voorgesteld: - drie omgangsmomenten per jaar; - duur per omgangsmoment: maximaal 1 uur; - begeleiding: omgang onder professionele begeleiding door een organisatie gespecialiseerd in ouder kind contact. De pleegmoeder brengt [minderjarige] , maar is niet aanwezig tijdens de omgang, mits dit in belang van [minderjarige] wel nodig is. - locatie: neutraal - bij afzegging door de moeder geen inhaalmoment Na ieder omgangsmoment volgt een korte schriftelijke terugkoppeling van de begeleider. Tevens wordt gekeken naar signalen bij [minderjarige] thuis, op school en binnen de speltherapie. Stap 2: mogelijke uitbreiding Uitsluitend indien: - alle omgangsmomenten uit stap 1 zonder afzeggingen of spanningen zijn verlopen; - [minderjarige] geen verhoogde stress of ontregeling laat zien; - de moeder zich aantoonbaar houdt aan afspraken. Uitbreiding naar vier omgangsmomenten per jaar van maximaal 1 uur met begeleiding. Stap 3: verdere uitbreiding pas na langdurige stabiliteit Pas na een langere periode van minimaal twaalf maanden met aantoonbare stabiliteit en bij positieve signalen vanuit school en speltherapie, kan de duur worden verlengd naar 1,5 uur en kan ook de frequentie worden verruimd. althans een zodanige regeling als de rechtbank deze vermeent te behoren. 4 De standpunten en het advies van de Raad 4.1 Door en namens de moeder is in aanvulling op het verzoek, kort samengevat, het volgende aangevoerd. De moeder heeft behoefte aan duidelijkheid en stabiliteit in de omgangsregeling. Nu ervaart zij dat zij afhankelijk is van de pleegmoeder voor het plannen van omgangsmomenten en dat de pleegmoeder in de praktijk bepaalt wanneer zij haar dochter kan zien. Dat vindt de moeder niet prettig, mede omdat de pleegmoeder geen professionele partij is. Volgens de moeder is het daarom belangrijk dat er duidelijke en vaste afspraken worden gemaakt. De huidige omgangsregeling, waarbij eenmaal per twee maanden omgang plaatsvindt, vindt de moeder te weinig om een band met [minderjarige] op te kunnen bouwen. Door de lange tijd tussen de omgangsmomenten merkt zij dat ieder moment weer spanning met zich mee. Dat komt de omgang volgens haar niet ten goede. De moeder denkt dat vaker omgang juist kan zorgen voor meer rust en een beter verloop van de omgang, en kan helpen bij het opbouwen van hun band. Hoewel de moeder eerder heeft verzocht om een omgangsregeling van eenmaal per twee weken, kan zij zich nu ook vinden in een omgangsregeling van eenmaal per maand. Daarnaast heeft de moeder het gevoel dat de omgang met [minderjarige] niet echt prioriteit krijgt. Volgens de moeder is het daarom belangrijk dat er een duidelijke en structurele omgangsregeling komt, zodat er ruimte is om de band met haar dochter op te bouwen en te behouden. 4.2 Door en namens de pleegmoeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3583 text/xml public 2026-05-18T12:11:49 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-31 C/02/439944 / FA RK 25-4796 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3583 text/html public 2026-05-15T15:48:55 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3583 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-03-2026 / C/02/439944 / FA RK 25-4796 Omgang beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/439944 / FA RK 25-4796 Datum uitspraak: 31 maart 2026 beschikking over omgang in de zaak van [de moeder] hierna: de moeder, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. M. Poort-van der Meeren in Eindhoven, tegen [de pleegmoeder] , de pleegmoeder, tevens voogd, hierna: de pleegmoeder, wonende in [plaats 2] , advocaat: mr. J.C. Hissink in Tilburg, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] , De rechtbank merkt als informant in deze procedure aan: [de bewindvoerder/mentor] , kantoorhoudende te [plaats 3] , hierna: de bewindvoerder/mentor. [de begeleider] , begeleider van [hulpverlening 1] , hierna: de begeleider. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 18 september 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; - de op 19 september 2025 ontvangen brief van mr. Poort-van der Meeren; - de brief van mr. Poort-van der Meeren van 29 oktober 2025; - de brief van de griffier van de rechtbank van 30 oktober 2025; - de op 30 oktober 2025 en 13 januari 2026 ontvangen brieven van mr. Poort-van der Meeren met bijlage; - het op 14 januari 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; - de brief van mr. Poort-van der Meeren van 19 januari 2026 met bijlagen; - de brief van mr. Hissink van 21 januari 2026 met bijlage; - de brief van mr. Hissink van 22 januari 2026 met bijlage; - het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] ; - het proces-verbaal van 27 januari 2026; - het op 27 januari 2026 ontvangen F8 formulier van mr. Hissink met daarbij afstemming van de bezoekmomenten; - het op 5 februari 2026 ontvangen F9 formulier van mr. Poort-van der Meeren. 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op 17 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: de moeder met haar advocaat, de pleegmoeder met haar advocaat, de persoonlijk begeleider van de moeder en de bewindvoerder/mentor van de moeder. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad. 2 De feiten 2.1 Bij beschikking van 2 mei 2023 is het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en is de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna: de GI tot voogd over [minderjarige] benoemd. 2.2 Bij beschikking van 23 maart 2025 is de GI ontslagen als voogd over [minderjarige] en is de pleegmoeder tot voogd over [minderjarige] benoemd. 2.3 Bij proces-verbaal van 27 januari 2026 is gebleken dat de Raad niet over alle processtukken beschikte. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de Raad op een goede manier kennis kan nemen van alle stukken zodat de Raad in deze zaak een gedegen en onderbouwd advies kan geven. De kinderrechter heeft daarom de behandeling van het verzoek aangehouden. Daarnaast heeft de kinderrechter de advocaat van de pleegmoeder verzocht om na te gaan of de omgangsbegeleidster het omgangsmoment op 13 februari 2026 om 16:00 uur kan begeleiden en om, in overleg met de omgangsbegeleidster, een verdere planning van de omgangsmomenten voor dit jaar te verstrekken. 2.4 Bij F8 formulier van 27 januari 2026 heeft mr. Hissink aangegeven dat de volgende bezoekmomenten zijn afgestemd met de omgangsbegeleider: 13 februari om 16.00 uur; 10 april om 16:00 uur (in verband met meivakantie en beschikbaarheid begeleiding) 19 juni om 16:00 uur (in verband met zomervakantie) 28 augustus om 16:00 uur (verjaardagsbezoek [minderjarige] ) 23 oktober om 16:00 uur 18 december om 16:00 uur. De bezoeken vinden plaats op een neutrale locatie, in afstemming met de omgangsbegeleider, bijvoorbeeld [locatie] of een kinderboerderij. 3 Het verzoek 3.1 De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de GI bepaalde c.q. in overleg overeengekomen omgangsregeling te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] en de moeder recht hebben op omgang met elkaar éénmaal per twee weken gedurende twee uur op vrijdagmiddag van 15.00 tot 17.00 uur op neutraal terrein onder begeleiding van [hulpverlening 1] dan wel een zodanige omgangsregeling te bepalen als de rechtbank in goede Justitie meent te behoren te bepalen. 3.2 De pleegmoeder is het niet eens met het verzoek van de moeder en verzoekt dit verzoek af te wijzen. De pleegmoeder verzoekt zelfstandig tussen de moeder en [minderjarige] de onder randnummer 16 geformuleerde omgangsregeling vast te leggen, inhoudende: Stap 1: huidige startfase In lijn met de eerdere GI afspraken wordt voorgesteld: - drie omgangsmomenten per jaar; - duur per omgangsmoment: maximaal 1 uur; - begeleiding: omgang onder professionele begeleiding door een organisatie gespecialiseerd in ouder kind contact. De pleegmoeder brengt [minderjarige] , maar is niet aanwezig tijdens de omgang, mits dit in belang van [minderjarige] wel nodig is. - locatie: neutraal - bij afzegging door de moeder geen inhaalmoment Na ieder omgangsmoment volgt een korte schriftelijke terugkoppeling van de begeleider. Tevens wordt gekeken naar signalen bij [minderjarige] thuis, op school en binnen de speltherapie. Stap 2: mogelijke uitbreiding Uitsluitend indien: - alle omgangsmomenten uit stap 1 zonder afzeggingen of spanningen zijn verlopen; - [minderjarige] geen verhoogde stress of ontregeling laat zien; - de moeder zich aantoonbaar houdt aan afspraken. Uitbreiding naar vier omgangsmomenten per jaar van maximaal 1 uur met begeleiding. Stap 3: verdere uitbreiding pas na langdurige stabiliteit Pas na een langere periode van minimaal twaalf maanden met aantoonbare stabiliteit en bij positieve signalen vanuit school en speltherapie, kan de duur worden verlengd naar 1,5 uur en kan ook de frequentie worden verruimd. althans een zodanige regeling als de rechtbank deze vermeent te behoren. 4 De standpunten en het advies van de Raad 4.1 Door en namens de moeder is in aanvulling op het verzoek, kort samengevat, het volgende aangevoerd. De moeder heeft behoefte aan duidelijkheid en stabiliteit in de omgangsregeling. Nu ervaart zij dat zij afhankelijk is van de pleegmoeder voor het plannen van omgangsmomenten en dat de pleegmoeder in de praktijk bepaalt wanneer zij haar dochter kan zien. Dat vindt de moeder niet prettig, mede omdat de pleegmoeder geen professionele partij is. Volgens de moeder is het daarom belangrijk dat er duidelijke en vaste afspraken worden gemaakt. De huidige omgangsregeling, waarbij eenmaal per twee maanden omgang plaatsvindt, vindt de moeder te weinig om een band met [minderjarige] op te kunnen bouwen. Door de lange tijd tussen de omgangsmomenten merkt zij dat ieder moment weer spanning met zich mee. Dat komt de omgang volgens haar niet ten goede. De moeder denkt dat vaker omgang juist kan zorgen voor meer rust en een beter verloop van de omgang, en kan helpen bij het opbouwen van hun band. Hoewel de moeder eerder heeft verzocht om een omgangsregeling van eenmaal per twee weken, kan zij zich nu ook vinden in een omgangsregeling van eenmaal per maand. Daarnaast heeft de moeder het gevoel dat de omgang met [minderjarige] niet echt prioriteit krijgt. Volgens de moeder is het daarom belangrijk dat er een duidelijke en structurele omgangsregeling komt, zodat er ruimte is om de band met haar dochter op te bouwen en te behouden. 4.2 Door en namens de pleegmoeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht.
Volledig
De pleegmoeder vindt het belangrijk dat er omgang is tussen de moeder en [minderjarige] . Zij benadrukt dat zij de omgangsmomenten niet alleen bepaalt, maar dit doet in overleg met pleegzorg. Voor haar is het advies van de betrokken professionals leidend. Op basis van de CHOP-methode is volgens haar vastgesteld dat een beperkte omgang passend zou zijn. Tegelijkertijd vindt de pleegmoeder het vooral belangrijk dat er een duidelijke en stabiele omgangsregeling komt, die ook daadwerkelijk wordt nagekomen. Op dit moment gebeurt dat volgens haar nog onvoldoende. Of de redenen daarvoor gegrond zijn of niet, vindt zij minder van belang: zij vermoedt dat dit eerder voortkomt uit onmacht bij de moeder dan onwil. Juist daarom is het volgens de pleegmoeder belangrijk dat er een regeling komt die haalbaar is voor alle betrokkenen. Daarnaast vraagt de pleegmoeder aandacht voor de draagkracht van [minderjarige] . Zij is nog jong, volop in ontwikkeling en heeft naast de omgangsmomenten ook haar eigen activiteiten, hobby’s en zwemles. Bovendien heeft zij te maken met meerdere omgangsmomenten, onder andere met haar vader, moeder en halfzus. Volgens de pleegmoeder vraagt dit veel van haar. De pleegmoeder vindt het verder belangrijk dat er tijdens de omgang een vertrouwde professionele begeleider aanwezig is. In dit geval is dat de omgangsbegeleider ( [persoon] ). Zij ziet dat [minderjarige] baat heeft bij haar aanwezigheid en ervaart dat [minderjarige] last kan hebben van een loyaliteitsconflict als de pleegmoeder zelf bij de omgang aanwezig is. Ook is er inmiddels hulpverlening ingezet. Vanuit [hulpverlening 2] volgt [minderjarige] therapie, wat intensief is voor haar en het gezin. Tijdens recent overleg is daarnaast naar voren gekomen dat mogelijk sprake is van pre-verbaal trauma. Daarom vindt de pleegmoeder het belangrijk dat er rust en stabiliteit blijft. Zij gunt de moeder daarnaast de ruimte om aan haar eigen therapie te werken. De pleegmoeder is van mening dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om de omgang uit te breiden. Eerst moet de huidige situatie stabiel worden. Daarna kan worden bekeken of er ruimte is voor een verdere opbouw van de omgang. 4.3 De persoonlijk begeleider van de moeder heeft, samengevat, aangegeven dat het goed gaat met de moeder. Ook de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] verlopen over het algemeen goed. De begeleider geeft aan dat de moeder vooral bang is dat het opnieuw misgaat en dat zij haar dochter dan niet meer zal kunnen zien. Die angst speelt bij haar een grote rol. Daarnaast heeft de moeder haar emoties niet altijd onder controle. Dit is niet iets waar zij eenvoudig grip op heeft. In zulke momenten kan zij dingen zeggen die niet altijd eerlijk of reëel zijn. Vervolgens heeft de moeder het gevoel dat zij daarop wordt afgerekend, wat zij moeilijk vindt. 4.4 De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De Raad vindt het belangrijk dat er een band wordt opgebouwd tussen de moeder en [minderjarige] . Tegelijkertijd moet volgens de Raad in het achterhoofd gehouden worden dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. Dat neemt niet weg dat de moeder een belangrijke rol in haar leven moet blijven spelen. De Raad vindt een omgangsregeling van eenmaal per twee maanden passend en dit dient te worden vastgelegd. Dit sluit aan bij wat ook met de CHOP-methode is vastgesteld. Daarbij moet meegewogen worden dat [minderjarige] ook omgang heeft met haar vader en halfzus, en daarnaast nog andere activiteiten heeft in haar dagelijkse leven. Volgens de Raad betekent dit niet dat de moeder geen prioriteit heeft, maar wel dat rekening moet worden gehouden met de leeftijd en draagkracht van [minderjarige] . 5 De beoordeling 5.1 De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 1:377a BW een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en andersom dat ouders in beginsel recht hebben op en de verplichting hebben tot omgang met hun kind. De rechter kan op verzoek van (een van) de ouders, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen dan wel ontzeggen. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts indien sprake is van een van de in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde gronden. De rechtbank stelt vast dat er niet eerder een regeling door de rechter is vastgelegd. 5.2 Na de zitting van 27 januari 2026 is in overleg tussen de betrokkenen, onder begeleiding van de omgangsbegeleider, een omgangsregeling tot stand gekomen. Deze houdt in dat de moeder en [minderjarige] eenmaal per twee maanden contact hebben op vrijdag vanaf 16.00 uur, op een neutrale locatie en onder begeleiding. De rechtbank begrijpt dat aan deze regeling nog steeds uitvoering wordt gegeven. De rechtbank stelt vast dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat het voor [minderjarige] van belang is dat zij omgang heeft met haar moeder, onder meer voor de ontwikkeling van haar identiteit. De standpunten lopen echter uiteen waar het gaat om de frequentie en de wijze waarop deze wordt vormgegeven. 5.3 De rechtbank vindt het, net als de betrokkenen, van groot belang dat er omgang is tussen de moeder en [minderjarige] . Dit draagt bij aan het ontwikkelen van een positief zelfbeeld en een evenwichte ontwikkeling. Tegelijkertijd moet de omgang aansluiten bij wat [minderjarige] en de moeder aankunnen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [minderjarige] nog jong is, veel heeft meegemaakt en recent is gestart met hulpverlening. Ook heeft zij naast de omgang met de moeder ook te maken met andere omgangsmomenten en haar eigen dagelijkse bezigheden, zoals school en vrijetijd. De rechtbank vindt het daarnaast belangrijk dat de omgang voor [minderjarige] voorspelbaar en regelmatig is, zodat zij weet waar zij aan toe is en erop kan vertrouwen dat zij haar moeder zal zien. Een duidelijke en haalbare regeling, die daadwerkelijk wordt nagekomen, is daarbij essentieel. Ook een goede samenwerking tussen de moeder, de pleegmoeder en de betrokken professionals is van groot belang om de omgang goed te laten verlopen. Alles afwegende komt de rechtbank tot het volgende oordeel. De rechtbank sluit aan bij de omgangsregeling zoals die na de zitting van 27 januari 2026 is afgesproken, waarbij de omgang plaatsvindt onder begeleiding van een professionele begeleider. Deze regeling past op dit moment bij de draagkracht van [minderjarige] en biedt de benodigde structuur en stabiliteit. De rechtbank is van oordeel dat met deze regeling voldoende ruimte bestaat om de band tussen de moeder en [minderjarige] op te bouwen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de moeder eveneens zal starten met hulpverlening. Dit biedt perspectief voor de toekomst. De rechtbank vindt het belangrijk dat de regeling kan meegroeien met de ontwikkeling en draagkracht van zowel [minderjarige] als de moeder. Van de betrokken professionals wordt verwacht dat zij dit blijven volgen en, waar mogelijk en in het belang van [minderjarige] , toewerken naar een eventuele uitbreiding van de omgang. Voor dit moment vindt de rechtbank het echter noodzakelijk dat de nadruk ligt op rust, duidelijkheid en het nakomen van de gemaakte afspraken. Daarom zal de rechtbank de huidige omgangsregeling vaststellen. 5.4 De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat zij het in het belang van [minderjarige] vindt dat de beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen geldt. 5.5 Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. 5.6 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1 stelt een omgangsregeling vast waarbij de moeder en [minderjarige] eenmaal per twee maanden op vrijdag om 16.00 uur onder begeleiding omgang hebben met elkaar; 5.2 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 5.3 compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.4 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Volledig
De pleegmoeder vindt het belangrijk dat er omgang is tussen de moeder en [minderjarige] . Zij benadrukt dat zij de omgangsmomenten niet alleen bepaalt, maar dit doet in overleg met pleegzorg. Voor haar is het advies van de betrokken professionals leidend. Op basis van de CHOP-methode is volgens haar vastgesteld dat een beperkte omgang passend zou zijn. Tegelijkertijd vindt de pleegmoeder het vooral belangrijk dat er een duidelijke en stabiele omgangsregeling komt, die ook daadwerkelijk wordt nagekomen. Op dit moment gebeurt dat volgens haar nog onvoldoende. Of de redenen daarvoor gegrond zijn of niet, vindt zij minder van belang: zij vermoedt dat dit eerder voortkomt uit onmacht bij de moeder dan onwil. Juist daarom is het volgens de pleegmoeder belangrijk dat er een regeling komt die haalbaar is voor alle betrokkenen. Daarnaast vraagt de pleegmoeder aandacht voor de draagkracht van [minderjarige] . Zij is nog jong, volop in ontwikkeling en heeft naast de omgangsmomenten ook haar eigen activiteiten, hobby’s en zwemles. Bovendien heeft zij te maken met meerdere omgangsmomenten, onder andere met haar vader, moeder en halfzus. Volgens de pleegmoeder vraagt dit veel van haar. De pleegmoeder vindt het verder belangrijk dat er tijdens de omgang een vertrouwde professionele begeleider aanwezig is. In dit geval is dat de omgangsbegeleider ( [persoon] ). Zij ziet dat [minderjarige] baat heeft bij haar aanwezigheid en ervaart dat [minderjarige] last kan hebben van een loyaliteitsconflict als de pleegmoeder zelf bij de omgang aanwezig is. Ook is er inmiddels hulpverlening ingezet. Vanuit [hulpverlening 2] volgt [minderjarige] therapie, wat intensief is voor haar en het gezin. Tijdens recent overleg is daarnaast naar voren gekomen dat mogelijk sprake is van pre-verbaal trauma. Daarom vindt de pleegmoeder het belangrijk dat er rust en stabiliteit blijft. Zij gunt de moeder daarnaast de ruimte om aan haar eigen therapie te werken. De pleegmoeder is van mening dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om de omgang uit te breiden. Eerst moet de huidige situatie stabiel worden. Daarna kan worden bekeken of er ruimte is voor een verdere opbouw van de omgang. 4.3 De persoonlijk begeleider van de moeder heeft, samengevat, aangegeven dat het goed gaat met de moeder. Ook de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] verlopen over het algemeen goed. De begeleider geeft aan dat de moeder vooral bang is dat het opnieuw misgaat en dat zij haar dochter dan niet meer zal kunnen zien. Die angst speelt bij haar een grote rol. Daarnaast heeft de moeder haar emoties niet altijd onder controle. Dit is niet iets waar zij eenvoudig grip op heeft. In zulke momenten kan zij dingen zeggen die niet altijd eerlijk of reëel zijn. Vervolgens heeft de moeder het gevoel dat zij daarop wordt afgerekend, wat zij moeilijk vindt. 4.4 De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De Raad vindt het belangrijk dat er een band wordt opgebouwd tussen de moeder en [minderjarige] . Tegelijkertijd moet volgens de Raad in het achterhoofd gehouden worden dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. Dat neemt niet weg dat de moeder een belangrijke rol in haar leven moet blijven spelen. De Raad vindt een omgangsregeling van eenmaal per twee maanden passend en dit dient te worden vastgelegd. Dit sluit aan bij wat ook met de CHOP-methode is vastgesteld. Daarbij moet meegewogen worden dat [minderjarige] ook omgang heeft met haar vader en halfzus, en daarnaast nog andere activiteiten heeft in haar dagelijkse leven. Volgens de Raad betekent dit niet dat de moeder geen prioriteit heeft, maar wel dat rekening moet worden gehouden met de leeftijd en draagkracht van [minderjarige] . 5 De beoordeling 5.1 De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 1:377a BW een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en andersom dat ouders in beginsel recht hebben op en de verplichting hebben tot omgang met hun kind. De rechter kan op verzoek van (een van) de ouders, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen dan wel ontzeggen. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts indien sprake is van een van de in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde gronden. De rechtbank stelt vast dat er niet eerder een regeling door de rechter is vastgelegd. 5.2 Na de zitting van 27 januari 2026 is in overleg tussen de betrokkenen, onder begeleiding van de omgangsbegeleider, een omgangsregeling tot stand gekomen. Deze houdt in dat de moeder en [minderjarige] eenmaal per twee maanden contact hebben op vrijdag vanaf 16.00 uur, op een neutrale locatie en onder begeleiding. De rechtbank begrijpt dat aan deze regeling nog steeds uitvoering wordt gegeven. De rechtbank stelt vast dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat het voor [minderjarige] van belang is dat zij omgang heeft met haar moeder, onder meer voor de ontwikkeling van haar identiteit. De standpunten lopen echter uiteen waar het gaat om de frequentie en de wijze waarop deze wordt vormgegeven. 5.3 De rechtbank vindt het, net als de betrokkenen, van groot belang dat er omgang is tussen de moeder en [minderjarige] . Dit draagt bij aan het ontwikkelen van een positief zelfbeeld en een evenwichte ontwikkeling. Tegelijkertijd moet de omgang aansluiten bij wat [minderjarige] en de moeder aankunnen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [minderjarige] nog jong is, veel heeft meegemaakt en recent is gestart met hulpverlening. Ook heeft zij naast de omgang met de moeder ook te maken met andere omgangsmomenten en haar eigen dagelijkse bezigheden, zoals school en vrijetijd. De rechtbank vindt het daarnaast belangrijk dat de omgang voor [minderjarige] voorspelbaar en regelmatig is, zodat zij weet waar zij aan toe is en erop kan vertrouwen dat zij haar moeder zal zien. Een duidelijke en haalbare regeling, die daadwerkelijk wordt nagekomen, is daarbij essentieel. Ook een goede samenwerking tussen de moeder, de pleegmoeder en de betrokken professionals is van groot belang om de omgang goed te laten verlopen. Alles afwegende komt de rechtbank tot het volgende oordeel. De rechtbank sluit aan bij de omgangsregeling zoals die na de zitting van 27 januari 2026 is afgesproken, waarbij de omgang plaatsvindt onder begeleiding van een professionele begeleider. Deze regeling past op dit moment bij de draagkracht van [minderjarige] en biedt de benodigde structuur en stabiliteit. De rechtbank is van oordeel dat met deze regeling voldoende ruimte bestaat om de band tussen de moeder en [minderjarige] op te bouwen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de moeder eveneens zal starten met hulpverlening. Dit biedt perspectief voor de toekomst. De rechtbank vindt het belangrijk dat de regeling kan meegroeien met de ontwikkeling en draagkracht van zowel [minderjarige] als de moeder. Van de betrokken professionals wordt verwacht dat zij dit blijven volgen en, waar mogelijk en in het belang van [minderjarige] , toewerken naar een eventuele uitbreiding van de omgang. Voor dit moment vindt de rechtbank het echter noodzakelijk dat de nadruk ligt op rust, duidelijkheid en het nakomen van de gemaakte afspraken. Daarom zal de rechtbank de huidige omgangsregeling vaststellen. 5.4 De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat zij het in het belang van [minderjarige] vindt dat de beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen geldt. 5.5 Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. 5.6 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1 stelt een omgangsregeling vast waarbij de moeder en [minderjarige] eenmaal per twee maanden op vrijdag om 16.00 uur onder begeleiding omgang hebben met elkaar; 5.2 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 5.3 compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.4 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.