Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-28
ECLI:NL:RBZWB:2026:3576
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,547 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3576 text/xml public 2026-05-08T09:30:51 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-28 25/5901 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Breda Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3576 text/html public 2026-05-08T09:30:12 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3576 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-04-2026 / 25/5901 Mondelinge uitspraak: terugvordering WIA-uitkering RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/5901 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van een bedrag van € 10.290,09 wegens te veel ontvangen WIA-uitkering. 1.1. Met het besluit van 23 mei 2025 (primair besluit) heeft het UWV de WIA-uitkering van eiseres definitief berekend over de periode van 7 juni 2023 tot en met 31 mei 2025 en vastgesteld dat eiseres € 20.580,18 bruto te veel heeft ontvangen. Het UWV heeft dit bedrag met 25% verlaagd naar €15.435,13 bruto en dit bedrag teruggevorderd. 1.2. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het teruggevorderde bedrag gematigd naar € 10.290,09 bruto. 1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en namens het UWV [gemachtigde] . 1.5. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank stelt vast dat het UWV ten onrechte is uitgegaan van een verrekening van voorschotten. De WIA-uitkering van eiseres was definitief toegekend, hierdoor had het UWV de uitkering moeten aanpassen via de weg van herziening en terugvordering. Deze besluiten ontbreken. Om die reden is het beroep gegrond. 3. Niet in geschil is dat eiseres te veel WIA-uitkering heeft ontvangen in verband met haar inkomsten van de gemeente Breda. De berekening van het te veel ontvangen bedrag is evenmin in geschil. Vast staat ook dat het een fout was van het UWV dat niet direct rekening is gehouden met deze inkomsten. 4. Volgens het beleid van de UWV wordt van herziening met terugwerkende kracht afgezien als het de betrokkene redelijkerwijs niet duidelijk was of kon zijn dat te veel uitkering werd verstrekt. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij zelf naar haar werkgever is gegaan om aan te geven dat zij meer ontving dan voordat zij ziek werd. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat het eiseres redelijkerwijs duidelijk was dat zij te veel ontving. 5. Het UWV mag dan in beginsel de uitkering herzien en terugvorderen, maar er zitten wel grenzen aan in de zin van de dringende redenen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moet daarbij niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Het UWV is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij is een intensieve toetsing door de bestuursrechter. 6. In dit geval zijn herziening en terugvordering een gevolg van een fout van het UWV, omdat het UWV geen rekening heeft gehouden met de inkomsten en deze niet direct heeft verrekend. Dat weegt hier zeer zwaar mee. 7. Eerder heeft het UWV laten weten nieuw beleid te willen ontwikkelen waarbij de wens bestond om aan te sluiten bij de zogeheten zesmaandenjurisprudentie. Uitgaande van die zesmaandenjurisprudentie, zou het UWV de uitkering alleen over de eerste zes maanden kunnen herzien en terugvorderen. Dit komt in dit geval neer op 25%. Ook gezien de zwaarwegende fout van het UWV acht de rechtbank het redelijk om de terugvordering te beperken tot 25%, afgerond naar beneden op € 5.000,-. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond omdat ten onrechte geen herzienings- en terugvorderingsbesluit is genomen. Bovendien is sprake van dringende redenen waardoor de terugvordering verder gematigd had moeten worden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 8.1. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing. De rechtbank herziet de uitkering over de periode 7 juni 2023 tot 1 juni 2025 en bepaalt het bedrag van de terugvordering op € 5.000,-. 8.2. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De kosten van de bezwaarprocedure zijn door het UWV al vergoed. 8.3. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens achterstallige betalingen en wegens overschrijding van de redelijke termijn. Van beide is echter geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen. 9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 2 oktober 2025, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van de kosten; verklaart het bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2025 gegrond; herziet de WIA-uitkering over de periode 7 juni 2023 tot 1 juni 2025; vordert de te veel ontvangen uitkering terug tot een bedrag van € 5.000,-; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit; wijst het verzoek om schadevergoeding af; bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726 ECLI:NL:CRVB:2024:726, overweging 4.4.1
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3576 text/xml public 2026-05-08T09:30:51 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-28 25/5901 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Breda Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3576 text/html public 2026-05-08T09:30:12 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3576 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-04-2026 / 25/5901 Mondelinge uitspraak: terugvordering WIA-uitkering RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/5901 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van een bedrag van € 10.290,09 wegens te veel ontvangen WIA-uitkering. 1.1. Met het besluit van 23 mei 2025 (primair besluit) heeft het UWV de WIA-uitkering van eiseres definitief berekend over de periode van 7 juni 2023 tot en met 31 mei 2025 en vastgesteld dat eiseres € 20.580,18 bruto te veel heeft ontvangen. Het UWV heeft dit bedrag met 25% verlaagd naar €15.435,13 bruto en dit bedrag teruggevorderd. 1.2. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het teruggevorderde bedrag gematigd naar € 10.290,09 bruto. 1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en namens het UWV [gemachtigde] . 1.5. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank stelt vast dat het UWV ten onrechte is uitgegaan van een verrekening van voorschotten. De WIA-uitkering van eiseres was definitief toegekend, hierdoor had het UWV de uitkering moeten aanpassen via de weg van herziening en terugvordering. Deze besluiten ontbreken. Om die reden is het beroep gegrond. 3. Niet in geschil is dat eiseres te veel WIA-uitkering heeft ontvangen in verband met haar inkomsten van de gemeente Breda. De berekening van het te veel ontvangen bedrag is evenmin in geschil. Vast staat ook dat het een fout was van het UWV dat niet direct rekening is gehouden met deze inkomsten. 4. Volgens het beleid van de UWV wordt van herziening met terugwerkende kracht afgezien als het de betrokkene redelijkerwijs niet duidelijk was of kon zijn dat te veel uitkering werd verstrekt. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij zelf naar haar werkgever is gegaan om aan te geven dat zij meer ontving dan voordat zij ziek werd. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat het eiseres redelijkerwijs duidelijk was dat zij te veel ontving. 5. Het UWV mag dan in beginsel de uitkering herzien en terugvorderen, maar er zitten wel grenzen aan in de zin van de dringende redenen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moet daarbij niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Het UWV is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij is een intensieve toetsing door de bestuursrechter. 6. In dit geval zijn herziening en terugvordering een gevolg van een fout van het UWV, omdat het UWV geen rekening heeft gehouden met de inkomsten en deze niet direct heeft verrekend. Dat weegt hier zeer zwaar mee. 7. Eerder heeft het UWV laten weten nieuw beleid te willen ontwikkelen waarbij de wens bestond om aan te sluiten bij de zogeheten zesmaandenjurisprudentie. Uitgaande van die zesmaandenjurisprudentie, zou het UWV de uitkering alleen over de eerste zes maanden kunnen herzien en terugvorderen. Dit komt in dit geval neer op 25%. Ook gezien de zwaarwegende fout van het UWV acht de rechtbank het redelijk om de terugvordering te beperken tot 25%, afgerond naar beneden op € 5.000,-. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond omdat ten onrechte geen herzienings- en terugvorderingsbesluit is genomen. Bovendien is sprake van dringende redenen waardoor de terugvordering verder gematigd had moeten worden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 8.1. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing. De rechtbank herziet de uitkering over de periode 7 juni 2023 tot 1 juni 2025 en bepaalt het bedrag van de terugvordering op € 5.000,-. 8.2. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De kosten van de bezwaarprocedure zijn door het UWV al vergoed. 8.3. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens achterstallige betalingen en wegens overschrijding van de redelijke termijn. Van beide is echter geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen. 9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 2 oktober 2025, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van de kosten; verklaart het bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2025 gegrond; herziet de WIA-uitkering over de periode 7 juni 2023 tot 1 juni 2025; vordert de te veel ontvangen uitkering terug tot een bedrag van € 5.000,-; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit; wijst het verzoek om schadevergoeding af; bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726 ECLI:NL:CRVB:2024:726, overweging 4.4.1